Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL4034

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
24-000700-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen en de proeftijd met één jaar zal verlengen.

Het hof stelt vast dat de proeftijd is ingegaan op 14 april 2007 en eindigde op 13 april 2009. Nu de proeftijd reeds is verstreken, kan deze niet worden verlengd. Het hof wijst het verzoek derhalve af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000700-09

Parketnummers eerste aanleg: 17-754963-08, 17-754964-08 en 17-747223-06 (tul)

Arrest van 15 februari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 3 maart 2009 in de oorspronkelijk onder de parketnummers

17-754963-08 en 17-754964-08 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, met dien verstande dat de proeftijd met één jaar zal worden verlengd.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak A:

hij op of omstreeks 9 april 2008 te [plaats 1], (althans) in de gemeente [gemeente 1], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat 1], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

zaak B:

hij op of omstreeks 30 mei 2008 te [plaats 2], (althans) in de gemeente [gemeente 2], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meercategorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat 2], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

zaak A:

hij op 9 april 2008 te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1], terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, [straat 1], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd;

zaak B:

hij op 30 mei 2008 te [plaats 2], in de gemeente [gemeente 2], terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, [straat 2], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A en B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

zaak A en B telkens: overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 9 april 2008 en 30 mei 2008 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 door een auto te besturen, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Verdachte heeft daarmee een tegen hem genomen administratieve maatregel, welke in het leven is geroepen om de verkeersveiligheid te beschermen, genegeerd.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 december 2009, waaruit blijkt dat verdachte in het recente verleden meerdere keren ter zake van strafbare feiten, waaronder ook overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994, is veroordeeld.

De raadsman heeft bepleit aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, maar een werkstraf. Indien de onderhavige feiten in eerste aanleg tegelijkertijd met de overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 door verdachte gepleegd op 13 februari 2008 door de politierechter ter zitting van 26 augustus 2008 zouden zijn behandeld, zou aan de verdachte waarschijnlijk voor al die feiten een werkstraf zijn opgelegd, aldus de raadsman.

Het hof acht het betoog van de raadsman niet onaannemelijk. Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, is het hof van oordeel dat een werkstraf van na te noemen duur een passende bestraffing is.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen d.d. 30 maart 2007, is veroordeelde - voor zover hier van belang - veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 8 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen en de proeftijd met één jaar zal verlengen.

Het hof stelt vast dat de proeftijd is ingegaan op 14 april 2007 en eindigde op 13 april 2009. Nu de proeftijd reeds is verstreken, kan deze niet worden verlengd. Het hof wijst het verzoek derhalve af.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14f, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A en B ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden van 30 maart 2007.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. J.A. Wiarda buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.