Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL3869

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
15-02-2010
Zaaknummer
107.001.555/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervoer over de weg. Schade door aanrijding met viaduct van groot transport CMR; verjaring en stuiting. Stelplicht i.g.v. opzet of daaraan gelijk te stellen schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 9 februari 2010

Zaaknummer 107.001.555/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

Voorheen: [B.V. X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 7 december 2001 en 27 september 2006 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 20 december 2006 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 7 februari 2007.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"Het is op deze gronden, eventueel nader aan te vullen en/of te verduidelijken bij pleidooi, dat [appellante] de eer heeft te concluderen, dat het den Hove moge behagen te vernietigen de vonnissen van de Rechtbank Groningen d.d. 7 december 2001 en 27 september 2006 onder rolnummer 47409 /HA ZA 00-593 gewezen tussen appellante als eiseres in prima en [geïntimeerde] ten deze geïntimeerde als gedaagde sub 2 in prima, en opnieuw rechtdoende, doende wat de Eerste Rechter had behoren te doen, alsnog [appellante] ontvankelijk te verklaren in haar vordering tegen [geïntimeerde] en deze toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instantiën."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"de vonnissen van de rechtbank Groningen van 7 december 2001 en 27 september 2006 gewezen onder rolnummer 47409 /HA ZA 00-593 te bekrachtigen en appellante niet ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans haar hoger beroep ongegrond te verklaren met veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep met uitvoerbaarverklaring van de laatste veroordeling bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellante] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 7 december 2001 onder 1 (1.a tot en met 1.i) een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

Het geschil en de beoordeling daarvan

2. Deze zaak heeft betrekking op het vervoer over de weg van een boormachine in november 1996. Dit vervoer vond plaats i[x]racht van [[y]rna: [x]) aan [y] ([y]). [y] heeft het vervoer uitbesteed aan [geïntimeerde]. De vrachtwagencombinatie met lading had een hoogte van 4,35 meter en is in aanrijding gekomen met het viaduct Barneveld te Nieuwediep, gelegen over de N33. Dit viaduct had een gegarandeerde vrije doorrijhoogte van 4 meter. Door deze aanrijding is schade aan de boormachine ontstaan.

3. In het beroepen eindvonnis van 27 september 2006 is [y] op vordering van de verzekeraar van [x] ([appellante]) veroordeeld tot betaling van € 87.046,16 aan schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten. In haar vordering tegen [geïntimeerde] is [appellante] in het eindvonnis niet-ontvankelijk verklaard.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de rechtsvordering van [appellante] op [geïntimeerde] op grond van artikel 32 lid 1 CMR door verloop van een jaar is verjaard. De grieven hebben de strekking de argumenten die de rechtbank daarbij hanteert te bestrijden, te weten (1) dat geen sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld (in welk geval de vordering pas na drie zou verjaren) en (2) dat de verjaring, die op 23 november 1996 is aangevangen, na verloop van een jaar, op 22 november 1997, daadwerkelijk is ingetreden. Deze grieven lenen zich voor gemeenschappelijke bespreking.

5. ad (1) de lengte van de verjaringstermijn

5.1. De rechtbank heeft kort gezegd overwogen dat onvoldoende is onderbouwd en niet ten bewijze is aangeboden dat de chauffeur opzettelijk van de geplande route is afgeweken; dat hij zich ervan bewust had moeten zijn dat hij met een te laag viaduct in botsing zou kunnen komen en dat hij dit gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat dit gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren.

5.2. In haar grieven komt [appellante] niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van de toepasselijkheid van de verlengde verjaringstermijn van 3 jaar op haar de stelplicht en bewijslast rust. Zij vult die verplichting in dit hoger beroep nader in met het betoog dat [geïntimeerde] is gespecialiseerd in het transport van exceptionele ladingen en dat de chauffeur zich ervan bewust moet zijn geweest dat uit de door hem gemaakte keuze voor een alternatieve route schade zou kunnen voortvloeien. Hij heeft klaarblijkelijk nagelaten om voorafgaand aan het vervoer de hoogte van de lading vast te stellen. Dat hij voor dit transport de benodigde vergunningen had gekregen, is niet gesteld of gebleken. Klaarblijkelijk heeft de chauffeur dus opzettelijk een andere route gevolgd dan de voorgenomen route casu quo de route die in de vergunningen was voorgeschreven, aldus nog steeds [appellante]. Zij biedt van een en ander bewijs aan, onder meer door het horen van de chauffeur. Het hof oordeelt als volgt.

5.3. Van aan opzet gelijk te stellen schuld is sprake indien de chauffeur een aan zijn gedragingen verbonden gevaar kende en zich ervan bewust was dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken aanzienlijk groter was dan de kans dat dit niet zou gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van die gedragingen heeft laten weerhouden. Dat in het onderhavige geval sprake is van dergelijke opzet of schuld volgt naar het oordeel van het hof niet uit het enkele feit dat - zoals [appellante] stelt en [geïntimeerde] betwist - de chauffeur van een in zwaar transport gespecialiseerd bedrijf zoals [geïntimeerde] met een lading van 4,35 meter hoogte welbewust en zonder over de daartoe vereiste vergunning te beschikken van een voorgenomen of (en) voorgeschreven route is afgeweken, en het transport heeft voortgezet over een route waarin zich een viaduct bevond met een gegarandeerde doorrijhoogte van slechts 4 meter. Voor een dergelijke gevolgtrekking is namelijk noodzakelijk dat nadere feiten en omstandigheden komen vast te staan waarin de vereiste risicoafweging door die chauffeur ligt besloten; dat wil zeggen, feiten en omstandigheden die betrekking hebben op diens kennis omtrent de kans dat hij met een viaduct in aanrijding zou komen. Daartoe volstaat niet het enkele gestelde feit dat de chauffeur de hoogte van zijn lading niet van tevoren heeft gemeten en dat voor dit transport niet de daarvoor vereiste vergunningen waren afgegeven. Andere feiten of omstandigheden zijn in dit verband niet gesteld of gebleken. De grieven treffen om die reden in zoverre geen doel. Voor nadere bewijslevering is daarom geen plaats.

6. Ad (2) het intreden van de verjaring

6.1. De rechtbank heeft overwogen dat [geïntimeerde] niet door of namens [x] dan wel [appellante] aansprakelijk is gesteld. In haar grieven voert [appellante] hiertegen aan dat de contractspartner van [geïntimeerde], [y], op 22 november 1996 wel aansprakelijk is gesteld, waarna [y] op haar beurt [geïntimeerde] aansprakelijk heeft gesteld. Bovendien heeft de verzekeraar van [geïntimeerde], TVM, een expertisebureau ingeschakeld dat de aansprakelijkheid bij brief van 7 januari 1999 tot een bedrag van fl. 40.000,= heeft erkend en vervolgens tijdens een bespreking op 23 december 1999 een bedrag van € 90.000,= heeft aangeboden. Aldus is door erkenning de verjaring gestuit (artikel 32-3 CMR juncto artikel 3:318 BW). Subsidiair voert [appellante] aan dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op verjaring toekomt omdat TVM meermalen de suggestie heeft gewekt de aansprakelijkheid te erkennen. Het hof overweegt als volgt.

6.2. De veronderstelling dat de verjaring van de vordering van [appellante] op [geïntimeerde] kan zijn gestuit door opeenvolgende aansprakelijkstellingen van [y] door [appellante] en in reactie daarop van [geïntimeerde] door [y], vindt geen steun in het recht. Voorts is de laatste aansprakelijkstelling betwist, zonder dat van die aansprakelijkstelling afdoende bewijs is aangeboden. Het beroep op artikel 3:318 BW faalt omdat ten tijde van de beweerdelijke erkenning de verjaringstermijn al was verstreken. Voor het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zijn onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld of anderszins gebleken. In dat verband is onvoldoende het enkele feit dat de aansprakelijkheid op enig moment na het intreden van de verjaring is erkend, zeker als die erkenning niet is gedaan door de schuldenaar maar door diens verzekeraar. De desbetreffende grieven falen.

Conclusie

7. De beroepen vonnissen zullen worden bekrachtigd. [appellante] zal ook in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen (tariefgroep IV, 1 punt).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen van 7 december 2001 en 27 september 2006 waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 2.880,= aan verschotten en € 1.631,= aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen, en Van Rijssen, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 9 februari 2010 in bijzijn van de griffier.