Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL2138

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
24-001945-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte wegens afpersing bij een pinautomaat en een poging tot diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Het hof is van mening dat het feit dat het uitwerkte proces-verbaal van de aangifte - welke is opgemaakt naar aanleiding van een zogenaamd 'concept aangifte'- niet door de aangever is ondertekend er niet aan in de weg staat deze verklaring te gebruiken als bewijsmiddel, nu dit proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt en is ondertekend door de verbalisant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001945-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-880072-09 en 17/880212-08 (tul)

Arrest van 4 februari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 30 juli 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh te Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.H. Gart, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een maatregel en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het onder 1. en 2. ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met het parketnummer 17/880212-08 zal toewijzen.

Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], op de openbare weg, te weten [straat] aldaar, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (te weten 60,- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een (aardappelschil)mes aan die [benadeelde] heeft getoond en/of (hierbij) heeft gezegd "Ik wil alleen je geld", zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 17 februari 2009 tot en met 18 februari 2009 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan of bij [straat] aldaar) weg te nemen een hoeveelheid goederen, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, opzettelijk: - zich naar voornoemd pand heeft begeven en/of - met een (aardappelschil)mesje de rubbers van een kozijn en/of (vervolgens) de glaslatten van een ruit van voornoemd pand heeft verwijderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Verweer raadsman.

De raadsman heeft ter terechtzitting - kort gezegd - aangevoerd dat de aangifte van [benadeelde] niet voor het bewijs kan worden gebruikt, nu het uitgewerkte proces-verbaal van de aangifte niet door de aangever is ondertekend en er tegenstrijdigheden zitten in de aangifte. De tegenstrijdigheid zit, naar de mening van de raadsman, hierin, dat aangever eerst verklaart dat hij zag dat het mes waarmee hij door verdachte werd bedreigd een aardappelschilmesje met een lichtblauw heft was en dat de aangever vervolgens aan de verbalisant meedeelt dat hij niet precies de kleuren van de kleding van verdachte kan benoemen omdat hij zijn bril niet droeg.

Het hof stelt voorop dat het feit dat het uitgewerkte proces-verbaal van de aangifte

- welke is opgemaakt naar aanleiding van de zogenaamde 'concept aangifte' - niet door de aangever is ondertekend er niet aan in de weg staat deze verklaring te gebruiken als bewijsmiddel, nu dit proces-verbaal op ambtseed is opgemaakt en is ondertekend door verbalisant [verbalisant].

Ten aanzien van het verweer van de raadsman, dat de aangifte innerlijk tegenstrijdig is, overweegt het hof het volgende. Aangever heeft aangegeven dat hij door een man is bedreigd met een aardappelschilmesje met een lichtblauw heft.

Het feit dat aangever tijdens het afleggen van de verklaring tegen de verbalisant heeft gezegd dat hij niet de precieze kleuren van de kleding kan benoemen omdat hij zijn bril niet droeg, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring betreffende het aardappelschilmesje. Aangever heeft na de roofoverval een zeer gedetailleerde verklaring afgelegd betreffende het signalement van verdachte. Naar aanleiding van dit signalement is verdachte ook aangehouden. Aangever heeft dus heel goed kunnen waarnemen hoe de overvaller er uit zag. Dat aangever niet specifiek, tot in details, de kleuren van de kleding kan aangeven doet aan de verklaring van aangever niets af.

Dat de aangever is bedreigd door verdachte met het betreffende aardappelschilmesje acht het hof ook aannemelijk. Verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor de betreffende beroving, met een mes bezig was een raam bij V&D uit de sponning te snijden en dat hij, toen hij zag dat een man aan het pinnen was bij de pinautomaat - welke pinautomaat gelegen was tegenover [bedrijf] - vanaf het raam naar de man is gelopen. De kans dat verdachte dat betreffende mes, dat later ook bij het fouilleren van verdachte is aangetroffen, nog in zijn hand had, acht het hof bijzonder groot.

De verklaring van verdachte, dat hij niet een mes maar een heroïnepijp in zijn hand had, acht het hof niet geloofwaardig, nu verdachte voor het eerst ter terechtzitting van het gerechtshof met deze verklaring komt en hij eerder, zowel bij de politie als op de terechtzitting in eerste aanleg, heeft verklaard zich weinig van de overval te kunnen herinneren.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 18 februari 2009 te [plaats], in de gemeente [gemeente], op de openbare weg, te weten [straat] aldaar, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten 60,- euro, toebehorende aan voornoemde [benadeelde], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een aardappelschilmes aan die [benadeelde] heeft getoond en hierbij heeft gezegd "Ik wil alleen je geld", zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij in de periode van 17 februari 2009 tot en met 18 februari 2009 te [plaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand, gelegen aan of bij [straat] aldaar, weg te nemen een hoeveelheid goederen, toebehorende aan het winkelbedrijf [bedrijf], en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, opzettelijk:

- zich naar voornoemd pand heeft begeven en

- met een aardappelschilmesje de rubbers van een kozijn en vervolgens de glaslatten van een ruit van voornoemd pand heeft verwijderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. afpersing, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2. poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soorgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing. Verdachte heeft het slachtoffer, dat net geld had gepind, onder bedreiging van een mes gedwongen dit geld af te staan.

Uit de aangifte komt naar voren dat het slachtoffer de situatie als zeer bedreigend heeft ervaren. De ervaring leert dat overvallen in het algemeen niet alleen gevolgen hebben voor de direct betrokkenen, maar ook bij derden angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid aanwakkeren.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak bij [bedrijf], waarbij verdachte onder andere de glaslatten van een ruit heeft verwijderd. Hierdoor is schade ontstaan, waardoor aan [bedrijf] schade is berokkend.

Op grond van de door het hof gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting is voor een afpersing vergezeld van bedreiging met geweld in zijn algemeenheid een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend.

Het hof ziet, gezien het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 november 2009, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten - waaronder veel vermogensdelicten - geen reden van deze oriëntatiepunten af te wijken.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de ernst van de feiten meebrengt dat thans aan verdachte een gevangenisstraf dient te worden opgelegd van na te melden duur.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter 's hof terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Derhalve kan deze worden toegewezen in voege als na te melden.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedings-maatregel.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden d.d. 14 november 2008, is betrokkene veroordeeld tot onder meer acht weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Blijkens het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 29 november 2008. De proeftijd is ingegaan op 29 november 2008. De officier van justitie heeft gevorderd dat last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven van voormelde gevangenisstraf, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis bevel was gegeven dat deze voorwaardelijk niet zou worden tenuitvoergelegd, om reden, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten.

Gebleken is dat veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, zal het hof op grond van het vorenstaande de tenuitvoerlegging gelasten van voormelde straf.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 45, 57, 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van zestig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van zestig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats], [adres];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de politierechter in het arrondissement Leeuwarden van 14 november 2008 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. E. Pennink en mr. H. Kalsbeek , in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Pennink en mr. Kalsbeek, beiden voornoemd, buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.