Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL1774

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
BK 139/08 Bouwleges
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8126, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil het antwoord op de vraag of het bedrag aan bouwkosten dat de heffingsambtenaar heeft gehanteerd voor het vaststellen van de hoogte van de bouwleges, te hoog is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/407
FutD 2010-0329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 139/08

uitspraakdatum: 29 januari 2010

uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 07/839 van de rechtbank Groningen (: de rechtbank) van 13 juni 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Groningen, de heffingsambtenaar.

1. Het ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende heeft op 22 december 2005 een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een woning aan de a-laan 1 te Z. Voor het verlenen van de bouwvergunning is op 11 mei 2006 aan belanghebbende een legesfactuur gezonden. Deze factuur met nummer 0000000 bedraagt € 6.350,40.

1.2 Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 23 februari 2007, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de onder 1.2 vermelde uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 13 juni 2008 het beroep ongegrond verklaard.

1.4 Tegen de onder 1.3 vermelde uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlage), bij het hof ingekomen op 25 juli 2008. De heffingsambtenaar heeft op 22 september 2008 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.5 Ter zitting van 18 december 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daarbij is verschenen belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar A. Ter zitting heeft belanghebbende kopieën van drie krantenartikelen overgelegd. De heffingsambtenaar heeft een kopie van een stuk, genaamd "Richtlijnen voor de vaststelling van de bouwkosten t.b.v. de legesbepaling v.d. gemeente Groningen", overgelegd. Partijen hebben tegen de voormelde overlegging van stukken geen bezwaar gemaakt.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Voor de feiten verwijst het hof naar de uitspraak van de rechtbank. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (daarbij merkt het hof op dat de rechtbank belanghebbende aanduidt als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’ en dat het hof de punten heeft vernummerd van 1.1 tot en met 1.4 naar 2.1 tot en met 2.4):

"2.1 Eiser heeft op 22 december 2005 bij de gemeente Groningen een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend voor de bouw van een woonhuis aan de a-laan 1 te Z. In deze bouwaanvraag heeft eiser als aanneemsom of raming van de kosten (exclusief BTW) € 70.000,-- opgenomen.

2.2 Op 6 april 2006 is eiser telefonisch geïnformeerd dat verweerder de opgegeven bouwkosten niet accepteert.

2.3 De bouwvergunning is door Burgemeester en Wethouders verleend op 27 april 2006. De bouwvergunning vermeldt dat de leges met betrekking tot de bouwvergunning zijn berekend over de bouwkosten ad € 196.695,--.

2.4 Eiser heeft het woonhuis in eigen beheer, zonder tussenkomst van een aannemer, gebouwd."

In aanvulling daarop stelt het hof het volgende vast.

2.5 Voor de raming van de bouwkosten op een bedrag van € 196.695 (exclusief omzetbelasting) heeft de heffingsambtenaar - naar ter zitting van het hof door de heffingsambtenaar onweersproken is gesteld - de "Richtlijnen voor de vaststelling van de bouwkosten t.b.v. de legesbepaling v.d. gemeente Groningen" toegepast. Deze richtlijnen gelden voor woningen en zijn gebaseerd op het normblad NEN 2631, uitgave 1979. De hoogte van de als gevolg van deze richtlijnen berekende bouwkosten van € 199.110 (zie bijlage F bij het in beroep overgelegde verweerschrift, onderdeel Kostenopbouw woning) is vergeleken met de bouwkosten berekend volgens de Ramingsmethodiek Bouwkosten Woningen. Deze methodiek bevat een raming van bouwkosten door vergelijking met referentieniveaus voor afmetingen en afwerking van woningen in verschillende kostenklassen. De volgens deze methodiek geraamde bouwkosten zijn afgeleid van daadwerkelijk overeengekomen aanneemsommen voor de bouw van woningen in de gemeente Groningen. De ten grondslag aan beide voormelde methodieken liggende gegevens zijn ingevoerd in het computersysteem van de heffingsambtenaar. Ter zake van de berekening ingevolge de Ramingsmethodiek Bouwkosten Woningen van de onderhavige leges zijn de bouwkosten (exclusief omzetbelasting) van de hierna vermelde referentiewoningen meegewogen.

Woning Inhoud Bouwkosten (excl. BTW) Prijs per m3

b-straat 5 760 m3 € 178.600 € 235

b-straat 7 949 m3 € 223.000 € 235

c-straat 10 860 m3 € 202.100 € 235

d-straat 8 820 m3 € 192.000 € 235

e-straat 9 1108 m3 € 260.380 € 235

d-straat

kavel 72 641 m3 € 150.000 € 234

f-straat

Tussen 9 en 9a 471 m3 € 110.000 € 234

Volgens deze berekening zijn de bouwkosten van belanghebbendes woning geraamd op

€ 196.695 (837 m3 - de door belanghebbende zelf opgegeven inhoud - x € 235), zijnde het bedrag dat geldt als de onderhavige heffingsmaatstaf.

3. Het geschil

3.1 In geschil het antwoord op de vraag of het bedrag aan bouwkosten dat de heffingsambtenaar heeft gehanteerd voor het vaststellen van de hoogte van de bouwleges, te hoog is.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Hiertoe voert hij onder andere - zakelijk weergegeven en samengevat - aan dat in de door de heffingsambtenaar gehanteerde bouwkosten ten onrechte de elders in de Europese Unie gehanteerde lagere bouwkosten niet meegewogen zijn, dan wel dat daarin ten onrechte rekening is gehouden met kosten van adviesbureaus en architectkosten, terwijl die kosten onnodig zouden worden gemaakt.

3.3 De heffingsambtenaar houdt onverkort vast aan zijn standpunt dat de juiste heffingsmaatstaf is gehanteerd. Volgens de heffingsambtenaar is in die heffingsmaatstaf voldoende rekening gehouden met de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat in de Europese Unie (eventueel) lagere bouwkosten gelden.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 De raad van de gemeente Groningen heeft ingevolge de aan haar in artikel 216 van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid gebruik gemaakt en op grond van artikel 229 van de Gemeentewet de Legesverordening 1995 en de daarbij behorende Tabel 2006 ingevoerd.

4.2 Zoals de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 14 augustus 2009, nr. 43 120, BNB 2009/276 kunnen gemeenten, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de Gemeentewet gegeven nadere regelen, op grond van artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet zelf invulling geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 65-67 en blz. 77-78). Het hof heeft geen aanwijzingen te veronderstellen dat de onder 2.5 opgenomen wijze van totstandkoming van de heffingsmaatstaf voor de bouwkosten in strijd is met het hiervoor overwogene.

4.3 Als heffingsmaatstaf voor het in behandeling nemen van de aanvraag van de in 2.3 bedoelde bouwvergunning gelden - naar blijkt uit artikel 3 van de Legesverordening 1995 jo. punt 5.1 van de daarbij behorende Tabel 2006, die ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Legesverordening 1995 van toepassing is op de onderhavige aanvraag - de bouwkosten. Hieronder wordt verstaan: de aannemingssom (exclusief omzetbelasting) als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve voorwaarden voor uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voorzover deze ontbreekt, een raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd.

4.4 Aangezien in belanghebbendes situatie een aannemingssom ontbreekt, heeft de heffingsambtenaar een raming van de bouwkosten gemaakt. Daarbij zijn de "Richtlijnen voor de vaststelling van de bouwkosten t.b.v. de legesbepaling v.d. gemeente Groningen" toegepast. De hoogte van de ingevolge deze richtlijnen berekende bouwkosten van € 199.110 is vergeleken met de bouwkosten berekend volgens de Ramingsmethodiek Bouwkosten Woningen (zie 2.5). Deze methodiek komt uit op een bedrag van € 196.695, welk (lager) bedrag aan bouwkosten als heffingsmaatstaf is gehanteerd. Belanghebbende voert hiertegen aan dat in dit bedrag ten onrechte geen rekening gehouden zou zijn met de mogelijkheid dat hij ook gebruik zou kunnen maken van bouwbedrijven uit de Europese Unie, met name uit Duitsland, die lagere bouwkosten in rekening brengen. Hierbij geeft belanghebbende niet aan voor welk concreet bedrag een buitenlands bouwbedrijf de onderhavige woning kan bouwen. Naar de heffingsambtenaar ter zitting onweersproken heeft gesteld en het hof ook aannemelijk voorkomt, kunnen in de Ramingsmethodiek Bouwkosten Woningen de bouwkosten van buitenlandse bouwbedrijven wel meegewogen worden. Zij wijst daarbij op de omstandigheid dat rekening wordt gehouden met daadwerkelijk overeengekomen aanneemsommen, dus mogelijkerwijs ook met aanneemsommen van buitenlandse aannemers. Belanghebbendes grief wordt daarom vruchteloos voorgesteld. Dit geldt ook voor zijn grief ter zake van de kosten van adviesbureaus en architectkosten. Naar het hof opmaakt uit de "Richtlijnen voor de vaststelling van de bouwkosten t.b.v. de legesbepaling v.d. gemeente Groningen", waarop de Kostenopbouw woning is gebaseerd (zie bijlage F bij het bij de rechtbank ingediende verweerschrift), vormen de voormelde kosten geen onderdeel van de geraamde bouwkosten. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat met dergelijke kosten rekening is gehouden.

4.5 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter en raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 29 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 3 februari 2010

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.