Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL1722

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
24-003076-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van mishandeling, het medeplegen van mishandeling en van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met reclasseringstoezicht alsmede tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-003076-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-754807-08

Parketnummer tul: 17-753117-07

Arrest van 2 februari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 15 december 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op de vorderingen van de benadeelde partijen en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep op 19 juni 2009 en 19 januari 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, alsmede een werkstraf voor de duur van 120 uren. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk zal verklaren, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 75,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging vordert de advocaat-generaal dat het hof deze zal afwijzen met verlenging van de proeftijd met één jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 30 april 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 2]), omver heeft geduwd en/of die [benadeelde 2], (terwijl deze op de grond lag), meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd, en/of (elders) tegen het lichaam, heeft gestompt en of geslagen en/of vastgegrepen en/of de keel/hals gedurende korte tijd dicht heeft geknepen en/of dichtgedrukt, en/of (vervolgens) (met kracht) het hoofd, althans het lichaam van die [benadeelde 2] tegen een (muntjes) automaat heeft gedrukt en/of geduwd waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 30 april 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend twee een perso(o)n(en) (te weten [benadeelde 1] en [slachtoffer]) meermalen, althans eenmaal heeft geslagen en/of gestompt, waarbij hij, verdachte, die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [benadeelde 1] en/of [slachtoffer] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 30 april 2008 te [plaats], gemeente [gemeente], [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk een (stanley)mes, op korte afstand van die [benadeelde 1] gehouden en/of (daarbij) die [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je niet ophoudt, dan maak ik je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Bewijsoverweging ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van ondermeer [benadeelde 1].

Aangever heeft verklaard: " Ik begon mij niet goed te voelen. Ik kreeg erg veel last van mijn zij en voorkant van het lichaam. Ik kreeg het erg benauwd. Ik ben toen met een ambulance naar het ziekenhuis [naam] overgebracht. Hier werd geconstateerd dat ik gekneusde ribben had opgelopen". Hoewel aangever [benadeelde 1] niet expliciet heeft verklaard dat hij pijn heeft ondervonden, acht het hof het een feit van algemene bekendheid dat het jegens [benadeelde 1] uitgeoefende geweld, als gevolg waarvan hij gekneusde ribben, zijnde letsel, heeft opgelopen, tevens pijn heeft veroorzaakt. Op grond daarvan acht het hof dit onderdeel van het ten laste gelegde feit eveneens bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder

1, 2 en 3 heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 30 april 2008 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon te weten

[benadeelde 2], omver heeft geduwd en die [benadeelde 2], terwijl deze op de grond lag, tegen het lichaam heeft gestompt of geslagen en vastgegrepen en de keel gedurende korte tijd dicht heeft geknepen en vervolgens die [benadeelde 2] tegen een muntjesautomaat heeft gedrukt of geduwd waardoor deze pijn heeft ondervonden;

2.

hij op 30 april 2008 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk mishandelend een persoon te weten [benadeelde 1] waarbij hij, verdachte, die [benadeelde 1] heeft geslagen en geschopt waardoor voornoemde [benadeelde 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 30 april 2008 te [plaats][benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een stanleymes, op korte afstand van die [benadeelde 1] gehouden en daarbij die [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als je niet ophoudt, dan maak ik je af".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

mishandeling;

2.

medeplegen van mishandeling;

3.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 30 april 2008 schuldig gemaakt aan de mishandeling van [benadeelde 2] en aan mishandeling en bedreiging van [benadeelde 1]. De verdachte heeft door zijn gewelddadige optreden een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde 2] en [benadeelde 1]. Verdachte heeft [benadeelde 1] daarnaast angst aangejaagd door hem met de dood te bedreigen. Verdachte heeft tevens niet geschroomd om een stanleymes te trekken, waarbij het onduidelijk blijft met welk doel hij zo'n mes bij zich draagt.

Niet alleen bij slachtoffers maar ook bij het publiek dat hier ongewild getuige van is geweest, versterkt dergelijk gewelddadig optreden de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 18 januari 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder openlijke geweldpleging, is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, conform de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting, in beginsel passend en geboden is.

Het hof heeft evenwel tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze door hem en door zijn raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Bij gebreke van een reclasseringsrapport heeft de raadsman van verdachte schriftelijke stukken overgelegd met betrekking tot de huidige leefsituatie van verdachte. Hieruit blijkt dat er gunstige ontwikkelingen in het leven van verdachte zijn. Zo verblijft verdachte op dit moment - op eigen initiatief - in crisisopvang de Blijenhof te Burgum alwaar hij begeleid wordt in onder andere het zelfstandig leren wonen, het aanleren van administratieve vaardigheden en het leren omgaan met zijn ADHD. Voorts is verdachte aangemeld voor behandeling bij de GGZ en zal schuldhulpverlening voor hem worden aangevraagd. Verdachte heeft tevens sinds kort werk. Ten overstaan van het hof heeft verdachte aangegeven dat hij voornemens is de ingezette begeleidingstrajecten met goed gevolg te doorlopen.

Het hof constateert dat het leven van verdachte een - zij het premature - positieve wending gekregen lijkt te hebben. Het hof wil de ingezette (begeleidings)trajecten niet doorkruisen en ziet derhalve - evenals de advocaat-generaal - in deze omstandigheden aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, na te melden voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, alsmede een werkstraf op te leggen.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 2] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering van deze benadeelde partij in eerste aanleg deels is toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard en dat [benadeelde 2] zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] door het bewezen verklaarde rechtstreekse schade is toegebracht tot een bedrag van € 75,-. Derhalve kan de vordering, die het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, tot dat bedrag worden toegewezen. Verdachte heeft aangevoerd dat hij het bedrag van € 75,- reeds aan [benadeelde 2] heeft voldaan. Nu verdachte hiervan geen bewijs heeft overgelegd is het hof van oordeel dat deze omstandigheid toewijzing van de vordering niet in de weg staat.

Het hof zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van € 75,- die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde 1] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering van deze benadeelde partij in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard en dat [benadeelde 1] zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden d.d. 27 februari 2008 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren (parketnummer 17-753117-07).

Blijkens het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 13 maart 2008. De proeftijd is ingegaan op 13 maart 2008. De officier van justitie heeft op 22 oktober 2008 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraf, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan de bewezen verklaarde feiten.

Gebleken is dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de gestelde proeftijd. In beginsel is de vordering derhalve voor toewijzing vatbaar. Gelet op het feit dat er een positieve verandering in het leven van verdachte heeft plaatsgevonden acht het hof het evenals de advocaat-generaal niet wenselijk voormelde straf ten uitvoer te leggen en zal worden volstaan met verlenging van de proeftijd met één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14 f, 14g, 36 f, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van één maand;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfenzeventig euro;

verklaart deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeven van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfenzeventig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], niet-ontvankelijk in zijn vordering;

bepaalt dat deze benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt deze benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden van 27 februari 2008 (parketnummer 17-753117-07);

verlengt de bij dit vonnis gestelde proeftijd met een jaar.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier.

Mr. Lahuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.