Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL1705

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
24-002908-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vast staat dat de besloten vennootschap International Tile Company B.V. nimmer is opgericht, dat deze vennootschap de ten laste gelegde AWR-feiten dus niet heeft begaan en dat verdachte daartoe/-aan bijgevolg geen opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. In zoverre moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Dan resteert de vraag of bewezen kan worden dat de ten laste gelegde AWR-feiten zijn begaan door de besloten vennootschap International Tile Company B.V. i.o. (in oprichting) en dat verdachte daartoe/-aan opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat de besloten vennootschap International Tile Company B.V. i.o. niet kan gelden als de entiteit die naar strafrechtelijke maatstaven (op de voet van art. 51 Sr.) de ten laste gelegde AWR-feiten heeft begaan. Evenmin is gebleken dat deze B.V. i.o. op grond van artikel 51 lid 3 Sr. met een rechtspersoon gelijk is te stellen. Hieruit volgt dat de verdachte ook van dit deel van de tenlastelegging, en dus integraal moet worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002908-08

Parketnummers eerste aanleg: 19-993037-04 en 19-993003-08

Arrest van 2 februari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 17 november 2008 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 19-993037-04 en 19-993003-08 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg is aan verdachte ten laste gelegd dat:

zaak A:

[bedrijf] i.o en/of [bedrijf], in of omstreeks de periode 1 januari 2002 tot en met 31 juli 2003, te [plaats 1] en/of [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere(n), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer aangifte(n) voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode januari 2002 en/of februari 2002, en/of maart 2002, en/of april 2002, en/of mei 2002, en/of juni 2002, en/of juli 2002, en/of augustus 2002, en/of september 2002, en/of oktober 2002, en/of november 2002, en/of december 2002, en/of januari 2003, en/of februari 2003, en/of maart 2003, en/of april 2003, en/of mei 2003, en/of juni 2003 en/of juli 2003,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [plaats 1] en/of [plaats 2], althans ergens in Nederland ingeleverde aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemd(e) periode(n) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

zulks terwijl hij, verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en), dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(en) (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

zaak B:

[bedrijf] i.o en/of [bedrijf], in of omstreeks periode

1 juni 2001 t/m 30 juni 2003, te [plaats 1] en/of [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een andere(n), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een of meer aangifte(n) voor de omzetbelasting over een of meer van de nagenoemde maan(den):

juni 2001, en/of juli 2001, en/of augustus 2001, en/of september 2001, en/of oktober 2001, en/of november 2001, en/of december 2001, en/of januari 2002, en/of februari 2002, en/of maart 2002, en/of april 2002, en/of mei 2002, en/of juni 2002, en/of juli 2002, en/of augustus 2002, en/of september 2002, en/of oktober 2002, en/of november 2002, en/of december 2002,en/of januari 2003, en/of februari 2003, en/of april 2003, en/of mei 2003, en/of juni 2003,

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft die rechtspersoon (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [plaats 1] en/of [plaats 2], althans ergens in Nederland ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) maanden (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

zulks terwijl hij, verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en), dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(en) (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

Vrijspraak

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat - kortweg - [bedrijf] i.o. en/of [bedrijf] artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft overtreden (feit 1: voor wat betreft loonbelasting/premie volksverzekeringen; feit 2: voor wat betreft omzetbelasting), tot/aan welke feiten verdachte opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven.

Vast staat dat de besloten vennootschap [bedrijf] nimmer is opgericht, dat deze vennootschap de ten laste gelegde AWR-feiten dus niet heeft begaan en dat verdachte daartoe/-aan bijgevolg geen opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. In zoverre moet verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Dan resteert de vraag of bewezen kan worden dat de ten laste gelegde AWR-feiten zijn begaan door de besloten vennootschap [bedrijf] i.o. (in oprichting) en dat verdachte daartoe/-aan opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven.

Artikel 51 van het Wetboek van strafrecht (Sr.), voor zover van belang, luidt als volgt:

1. Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

(...)

3. Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen.

Uit de parlementaire geschiedenis van dit artikel volgt dat het begrip 'rechtspersoon' in beginsel naar civielrechtelijke maatstaven moet worden ge?nterpreteerd (vgl. Kamerstukken II, 13 655, nr. 3, blz. 8). De strafwetgever heeft het domein van de strafrechtelijke aansprakelijkheid uitgebreid door in het derde lid van art. 51 Sr te postuleren dat niet alleen rechtspersonen naar civiel recht, maar ook enkele met name genoemde entiteiten strafbare feiten kunnen begaan. De strafrechtspraak heeft interpretatief de kring van aansprakelijkheid nog verder verruimd door de vervolging c.q. veroordeling van failliete, ontbonden dan wel opvolgende vennootschappen mogelijk te achten. Dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid over de band van art. 51 Sr niet ongelimiteerd uitdijt kan worden opgemaakt uit HR 26 juni 1999, NJ 1999, 719, waarin de Hoge Raad het beroep heeft verworpen tegen de beslissing van het hof Arnhem inhoudende dat een fiscale eenheid (als bedoeld in art. 7 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968) niet is een rechtspersoon als bedoeld in art. 51 Sr.

Naar civielrechtelijke maatstaven heeft een B.V. i.o. als zodanig geen rechtpersoonlijkheid, geen rechtssubjectiviteit en geen procesbevoegdheid. Noodzaak om, uit het oogpunt van 'maatschappelijke realiteit', de strafrechtelijke aansprakelijkheid ex art. 51 Sr zodanig extensief te interpreteren dat deze de B.V. i.o. als zodanig omvat, bestaat niet; het is immers zeer wel mogelijk de oprichter(s) zelf als (mede)pleger(s), dan wel het samenwerkingsverband dat zij in de oprichtingsfase uitmaken (veelal in de vorm van een vennootschap onder firma) aan te spreken.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat de besloten vennootschap [bedrijf] i.o. niet kan gelden als de entiteit die naar strafrechtelijke maatstaven (op de voet van art. 51 Sr.) de ten laste gelegde AWR-feiten heeft begaan. Evenmin is gebleken dat deze B.V. i.o. op grond van artikel 51 lid 3 Sr. met een rechtspersoon gelijk is te stellen. Hieruit volgt dat de verdachte ook van dit deel van de tenlastelegging, en dus integraal moet worden vrijgesproken.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A en B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. G. Dam en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.