Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL0667

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
BK 161/08 Motorrijtuigenbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2008:BN3057
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/00161

uitspraakdatum: 22 januari 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V., te Z,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met het kenmerk AWB 08/00143 van de rechtbank Leeuwarden van 29 juli 2008 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/ Centrale Administratie/ Apeldoorn, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 21 mei 2007 over de periode 25 februari 2006 tot en met 24 februari 2007 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting, met het kenmerk 0000.00.000.Y6.90001, opgelegd ten bedrage van € 1.998 aan belasting en bij beschikking een boete van € 1.998.

1.2 Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar aangetekend. In de uitspraak op het bezwaar van 7 december 2007 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3 Bij uitspraak van 29 juli 2008, verzonden op 31 juli 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.4 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.5 Tegen deze uitspraak is door belanghebbende hoger beroep ingesteld bij een beroepschrift dat op 11 september 2008 bij het hof is ingekomen. Ter griffie van het hof is op 10 november 2008 de motivering van het beroep (en bijlagen) binnengekomen. Voorts heeft het hof op 13 november 2008 nog een machtiging van belanghebbende ontvangen.

1.6 De inspecteur heeft op 3 december 2008 een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

1.7 Een afschrift van voormelde stukken is gezonden aan de betreffende wederpartij.

1.8 De eerste meervoudige kamer van het hof heeft de zaak behandeld ter zitting van 9 december 2009. Aldaar is verschenen namens de inspecteur mevrouw mr. A. Belanghebbende is ter zitting met een daartoe strekkend bericht van haar gemachtigde, mevrouw B, niet verschenen. De gemachtigde heeft wel op 9 december 2009 nog per mail een pleitnota ingestuurd. Deze is ter zitting door de inspecteur gelezen.

1.9 Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Voor de feiten verwijst het hof naar hetgeen onder 2.1 tot en met 2.6 staat vermeld in de uitspraak van de rechtbank. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten als volgt weergegeven (waarbij het hof opmerkt dat de rechtbank belanghebbende "eiseres" noemt en de inspecteur "verweerder").

"2.1 Eiseres was blijkens het kentekenregister vanaf 25 februari 2006 houder van het motorrijtuig, merk Chrevrolet, type VAN 1500, kenteken 00-YY-YY (hierna: het motorrijtuig). Het motorrijtuig staat in het kentekenregister geregistreerd als een bestelauto met als inrichting: gesloten wagen. Er is geen tussenschot aanwezig.

2.2 Het motorrijtuig is een lease-auto die is geleasd door C te L.

2.3 Bij het verweerschrift heeft verweerder overgelegd een ‘Melding motorrijtuigenbelasting’, waarin twee douaneambtenaren verklaren dat het motorrijtuig van eiseres op 13 januari 2007 om 12.45 uur stilstaand is aangetroffen in de a-straat te L. In de Melding schrijven de ambtenaren: ‘Voertuig voorzien van 2 stoelen in de laadruimte.’ In een bij de Melding gevoegde schriftelijk stuk hebben de ambtenaren het volgende – kort weergegeven – verklaard:

- eigenaar (leaser; Rechtbank: bedoeld wordt C) gebeld op zijn mobiel; deze verklaarde:

- de stoelen zitten vast middels een clicksysteem;

- de auto is geleverd met 2 losse stoelen en een losse bank;

- de stoelen staan nu vast;

- ik ontmoet morgen iemand die de stoelen opnieuw gaat bekleden;

- als de spullen los in de laadruimte staan is dat gevaarlijk, als ik rem vliegen ze door de laadruimte;

- ik heb diverse informatie opgevraagd, ook bij de douane; overal hoor je andere informatie;

- vrij kort na dit gesprek belde de moeder van de heer C;

- zij heeft een en ander uitgelegd in verband met privé-omstandigheden;

- afspraak gemaakt voor een vervolgafspraak;

- vervolg op 6 februari 2007;

- C:

- voor de verkoop van de auto in oktober 2006 heb ik toen twee stoelen in de auto geplaatst om de auto te showen; de verkoop was geen succes;

- ik weet dat de stoelen er niet in mogen, met name voor vervoer van personen.

2.4 Op basis van de melding van de ambtenaren heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag en de boetebeschikking vastgesteld.

2.5 In het bezwaarschrift stelt eiseres dat C lessee en de regelmatige bestuurder is en dat het motorrijtuig ten tijde van de controle stond geparkeerd voor de woning van de lessee en dat op dat moment ‘inderdaad 2 stoelen middels een kliksysteem tijdelijk in het voertuig waren gemonteerd’.

2.6 Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd."

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Belanghebbende stelt in appel dat de stoelen niet waren bevestigd in het daarvoor bedoelde clicksysteem, maar dat zij los in de laadruimte stonden. Daarnaast voert belanghebbende aan dat op de betreffende dag niet met het motorrijtuig is gereden.

3.3 De inspecteur beantwoordt voormelde vraag bevestigend. Hij is van mening dat de stoelen wel degelijk in het clicksysteem waren bevestigd. Hij wijst daarbij op de verklaring van belanghebbende in de bezwaarfase.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Ingevolge artikel 1 lid 1, sub a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) wordt motorrijtuigenbelasting geheven ter zake van het houden van de aldaar genoemde motorrijtuigen.

4.2 Naast de hoedanigheid van de houder is de inrichting van het motorrijtuig beslissend voor de vraag welk tarief van toepassing is; het tarief voor een personenauto (artikel 23 van de Wet) of het ondernemerstarief voor een bestelauto (artikel 24b van de Wet).

Artikel 2 van de Wet geeft een definitie van voormelde twee begrippen en artikel 3 van de Wet geeft een overzicht van de gestelde inrichtingsvereisten. Deze vereisten worden nader uitgewerkt in onder meer artikel 3 van de Uitvoeringsregeling motorrijtuigenbelasting 1994.

4.3 Op grond van artikel 7 lid 1, sub a van de Wet wordt een motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister.

4.4 Uit de feiten volgt dat belanghebbende sinds 25 februari 2006 houder is van het motorrijtuig voorzien van het bestelautokenteken 00-YY-YY. Verder is niet in geschil dat belanghebbende vanaf voormelde datum voor het motorrijtuig belasting heeft betaald naar het hiervoor bedoelde ondernemerstarief van een bestelauto.

4.5 De inspecteur dient bewijs te leveren van zijn stelling dat het motorrijtuig ten tijde van de controle, 13 januari 2007, was ingericht voor personenvervoer.

4.6 De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur in dit bewijs is geslaagd. Het hof komt, op grond van de hierna weergegeven gronden, tot hetzelfde oordeel.

4.7 Tussen partijen staat vast dat ten tijde van de controle op 13 januari 2007 stoelen aanwezig waren in de laadruimte van het motorrijtuig. De aanwezigheid van de stoelen blijkt ook uit de op die dag gemaakte foto's van het interieur van het motorrijtuig die door de inspecteur in het geding zijn gebracht. In geschil is evenmin dat de laadruimte is voorzien van een clicksysteem dat bedoeld is om stoelen in vast te zetten.

Nu namens belanghebbende tweemaal is erkend, zie r.o. 2.3 en 2.5, dat de stoelen ook daadwerkelijk in het clicksysteem waren vastgezet, acht het hof de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De latere verklaringen van belanghebbende dat de stoelen los in de laadruimte stonden, acht het hof in het licht van het hiervoor overwogene niet geloofwaardig.

4.8 Nu ingevolge het bepaalde in artikel 1, lid 1, sub a, van de Wet de belasting wordt geheven ter zake van het houden van het motorrijtuig en derhalve niet bepalend is of met het motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de openbare weg, kan belanghebbendes grief dat van zodanig gebruik geen sprake was, haar niet baten. Belanghebbende heeft ook overigens niets aangevoerd op grond waarvan het hof thans anders dient te oordelen.

4.9 Concluderend is het hof van oordeel dat de inspecteur terecht de belasting van belanghebbende heeft nageheven.

4.10 Op grond van artikel 37 van de Wet juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur in het geval als bedoeld in artikel 33 van de Wet de belastingplichtige een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.537. Ingevolge paragraaf 34, lid 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald met een minimum van

€ 45 en een maximum van € 4.537.

4.11 Nu sprake is van een geval als bedoeld in artikel 33 van de Wet heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof, gelet op het hiervoor overwogene, terecht aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd. Niet gebleken is dat belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Deze verzuimboete acht het hof gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval, passend en geboden.

4.12 Het vorenoverwogene brengt mee dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank daarom bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld op 22 januari 2010 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter,

mr. J. Huiskes en mr. F.J.W. Drion, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 27 januari 2010 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.