Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL0402

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
24-001694-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van mishandeling in de relationele sfeer veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 340,-, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001694-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-755874-08

Arrest van 21 januari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 3 juli 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. Y. Tamer, advocaat te Den Haag.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake de hem ten laste gelegde mishandeling op 16 augustus 2008 tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode in de maand juli 2007 tot en met 16 augustus 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, (te weten [slachtoffer]), (zomer 2007) in/tegen het gezicht heeft geslagen en/of op/tegen de rug heeft gestompt of geslagen en/of (omstreeks 25 juli 2008) op/tegen het (boven)been heeft geslagen en/of (16 augustus 2008) de arm beet heeft gepakt en/of (vervolgens) op de rug heeft gedraaid en/of (waarbij) hij, verdachte, twee vingers (stevig) vast heeft gehad en/of in de (rechter)(boven)arm heeft geknepen en/of op/tegen het (linker)wang heeft geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat er op 16 augustus 2008 geen sprake is geweest van mishandeling door verdachte, nu er sprake zou zijn geweest van een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer], waarbij die [slachtoffer] probeerde om verdachte het huis uit te werken.

Dit betoog moet kennelijk aldus worden verstaan dat verdachte gelet op deze omstandigheden geen opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn en/of letstel bij [slachtoffer].

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg van 3 juli 2009 als ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 16 augustus 2008 tijdens een worsteling met [slachtoffer] haar arm heeft vastgepakt en deze op de rug heeft gedraaid. Hierbij heeft hij - naar eigen zeggen - tevens haar handen (stevig) vastgepakt.

Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] pijn en/of letsel zou toebrengen. Anders dan verdachtes raadsman kennelijk wil betogen, doet de omstandigheid dat een en ander heeft plaatsgevonden tijdens een worsteling, aan dit oordeel niet af.

Het verweer van de raadsman faalt derhalve.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 16 augustus 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer], de arm beet heeft gepakt en vervolgens op de rug heeft gedraaid en waarbij hij, verdachte, twee vingers stevig vast heeft gehad en in de bovenarm heeft geknepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 16 augustus 2008 zijn toenmalige echtgenote mishandeld door haar tijdens een worsteling bij de arm beet te pakken en deze op de rug te draaien. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn echtgenote en heeft haar pijn en letsel toegebracht.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 26 november 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit.

De mishandeling heeft plaatsgevonden in de relationele sfeer. Het hof hanteert in geval van een dergelijke mishandeling andere oriëntatiepunten dan in geval van mishandeling buiten de relationele sfeer.

Bij geweld in de relationele sfeer is veelal sprake van fysieke en/of geestelijke ongelijkwaardigheid tussen slachtoffer en verdachte. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting komt evenwel naar voren dat hiervan geen sprake is geweest. Om die reden is het hof van oordeel dat toepassing van de oriëntatiepunten, welke het hof pleegt te hanteren in geval van mishandeling in de relationele sfeer, in dit geval niet passend is.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete ter voorkoming van herhaling.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderdveertig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.