Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2010:BL0224

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
25-01-2010
Zaaknummer
24-002895-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Verdachte dient te worden gehouden aan zijn eerste verklaring tegenover verbalisanten. Deze verklaring stemt het meest overeen met de verklaring van aangever, welke verklaring het hof betrouwbaar acht voor wat betreft de wijze waarop het schietincident plaatsvond.

Gevangenisstraf van vier jaren (m.a.). Teruggave van in beslaggenomen goederen. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Afwijzing vordering tot gevangenneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002895-07

Parketnummer eerste aanleg: 17-880051-07

Arrest van 21 januari 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van

8 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel opgelegd en een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, alsmede omtrent de in beslag genomen goederen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 24 juni 2008, 2 oktober 2008, 12 december 2008, 7 december 2009 en 7 januari 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg

d.d. 25 oktober 2007.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1. primair en 2 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaren (met aftrek), de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de inbeslaggenomen goederen zal teruggeven aan verdachte. Tevens heeft zij gevorderd dat het hof bij de uitspraak de gevangenneming van verdachte zal gelasten.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 9 februari 2007 te [pleegplaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, een (vuur)wapen ter hand heeft genomen en/of dat (vuur)wapen (staande op zeer korte afstand van die [benadeelde partij]) op het lichaam van die [benadeelde partij] heeft gericht en/of (vervolgens) met dat (vuur)wapen (op ongeveer 25 centimeter afstand) in de buik, althans het lichaam, van die [benadeelde partij] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 9 februari 2007 te [pleegplaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (darmverwondingen in de buik) heeft toegebracht, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, een (vuur)wapen ter hand heeft genomen en/of dat (vuur)wapen (staande op zeer korte afstand van die [benadeelde partij]) op het lichaam van die [benadeelde partij] gericht en/of (vervolgens) met dat (vuur)wapen (op ongeveer 25 centimeter afstand) in de buik, althans het lichaam, van die [benadeelde partij] heeft geschoten;

meer subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 9 februari 2007 te [pleegplaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, een (vuur)wapen ter hand heeft genomen en/of dat (vuur)wapen (staande op zeer korte afstand van die [benadeelde partij]) op het lichaam van die [benadeelde partij] heeft gericht en/of (vervolgens) met dat (vuur)wapen (op ongeveer 25 centimeter afstand) in de buik, althans het lichaam, van die [benadeelde partij] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2005 tot en met 9 februari 2007 te [pleegplaats] en/of te [pleegplaats 2] en/of in elk geval (in diverse [overige] plaatsen) in het arrondissement Leeuwarden, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zastava, type 70, kal. 7.65mm), en/of 42 stuks munitie van categorie III [25 scherpe patronen GFL, kal. 7.65mm en/of 17 stuks FN, kal. 7.65mm], voorhanden heeft gehad.

Selectie bewijsmiddelen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit, nu geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de eerste verklaring van zijn cliënt bij de politie niet mag worden gebruikt voor het bewijs. Cliënt was uiterst verward en verkeerde in shock. Daarnaast heeft cliënt deze verklaring niet gecontroleerd. Ook heeft hij deze verklaring niet willen ondertekenen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft - kort na het incident - tijdens het eerste verhoor bij de politie d.d. 9 februari 2007 een belastende verklaring afgelegd.

Het hof stelt vast dat verdachte zijn verklaring - voor wat betreft zijn rol - telkens heeft aangepast. Blijkens het proces-verbaal van verhoor inverzekeringstelling heeft verdachte d.d. 9 februari 2007 verklaard: "Hij vertelde mij uiteindelijk dat hij het geld niet zou betalen en mijn dochter wel te pakken zou nemen. Hierop raakte ik zo boos dat ik uiteindelijk met een pistool op die man geschoten heb." Verdachte heeft dit bevestigd tijdens zijn eerste verhoor d.d. 9 februari 2007, alwaar hij heeft verklaard: "Vervolgens hoorde ik dat [benadeelde partij] zei: "We weten je dochter wel te vinden". Toen ik dit hoorde knapte er iets bij mij. Ik stond op dat moment met mijn gezicht naar de voordeur. Nadat hij die laatste opmerking maakte draaide ik mij om en in deze beweging schoot ik met mijn pistool op [benadeelde partij], ik haalde trekker over en schoot op hem. (…) Hij stond op dat moment ongeveer anderhalve meter van mij af, ik denk nog niet eens, hij kon mij aanraken." Tijdens het tweede verhoor d.d. 11 februari 2007 om 11.00 uur heeft verdachte, nadat zijn verklaring van 9 februari 2007 aan hem is voorgelezen, verklaard dat die verklaring klopt, maar dat hij enkel nog wat opmerkingen had. Met betrekking tot de hiervoor aangehaalde aanleiding van het schietincident, alsmede de wijze waarop dat plaatsvond, heeft verdachte geen wijziging in zijn verklaring aangebracht. Verdachte heeft deze verklaring ondertekend.

Pas ter zitting van de rechtbank d.d. 25 oktober 2007 heeft verdachte verklaard: "[benadeelde partij] en ik stonden op dat moment op een afstand van minder dan 25 centimeter van elkaar vandaan. (…) [benadeelde partij] liep vervolgens al scheldend en schreeuwend achter mij aan. Hij bedreigde mij en mijn familie. Ik wilde mij verdedigen door hem te slaan. Ik draaide me om in zijn richting en hief mijn arm op. Op dat moment ging het geladen pistool dat ik in mijn hand hield af." Ter terechtzitting van het hof d.d. 24 juni 2008 heeft verdachte ten slotte verklaard: "Onderweg van de kamer naar de gang heeft [benadeelde partij] mij een klap op mijn schouder gegeven. Ik schrok daar hevig van. Ik heb me daarop omgedraaid en met het pistool nog in mijn hand heb ik [benadeelde partij] een duw gegeven, om hem van mij af te duwen. Bij deze handeling is het pistool afgegaan en is [benadeelde partij] geraakt."

Het vorenstaande maakt duidelijk dat verdachte met het verstrijken van de tijd zijn verklaringen steeds meer is gaan wijzigingen in een richting die ertoe zou moeten leiden dat zijn handelen opzettelijk, noch verwijtbaar zou zijn geweest. Verdachte heeft getracht zijn rol anders, namelijk minder belastend, neer te zetten.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden gehouden aan zijn eerste verklaring tegenover verbalisanten. Deze verklaring is vrijwel direct na het incident afgelegd op het politiebureau. Een dergelijke verklaring heeft in het algemeen een betrouwbaarder karakter dan latere verklaringen. Bovendien stemt die verklaring het meest overeen met de verklaring van [benadeelde partij]. De verklaring van [benadeelde partij] acht het hof op een aantal punten (met name waar het betreft de reden van het bezoek van verdachte aan aangever) weliswaar ongeloofwaardig, maar het hof is van oordeel dat zijn verklaring voor wat betreft de wijze waarop het schietincident plaatsvond, te weten zonder enige voorafgaande (lichamelijke) schermutseling, betrouwbaar is, en zal dit deel van zijn verklaring voor het bewijs gebruiken. Voorts is niet aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van het afleggen van deze verklaring verward was en of in een shocktoestand was. Het hof verwerpt aldus het verweer.

Bewijsoverweging

Voorts heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de inslag van een kogel in het lage gebied van de buik naar algemene (medische) ervaringsregels niet per definitie een aanmerkelijke kans op de dood oplevert, nu daarmee niet zonder meer vitale lichaamsdelen worden geraakt die een grote kans op de dood opleveren. Het voorwaardelijk opzet ontbreekt, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft, door van korte afstand met een met scherpe munitie geladen pistool gericht op aangever te schieten, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door hem met het pistool afgevuurde kogel aangever een in vitaal onderdeel van het lichaam zou kunnen raken en aldus aangever dodelijk zou kunnen treffen. Het verweer van de raadsman is gebaseerd op een ander criterium nu daarin wordt betrokken dat niet zonder meer vitale lichaamsdelen worden geraakt. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1. primair

hij op 9 februari 2007 te [pleegplaats], in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet een vuurwapen ter hand heeft genomen en vervolgens met dat vuurwapen in de buik van die [benadeelde partij] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 9 februari 2007 in het arrondissement Leeuwarden, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zastava, type 70, kal. 7.65mm), en 42 stuks munitie van categorie III [25 scherpe patronen GFL, kal. 7.65mm en 17 stuks FN, kal. 7.65mm], voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1. primair

poging tot doodslag;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Op 9 februari 2007 is verdachte met een geladen pistool naar de woning van [benadeelde partij] gegaan om - naar zeggen van verdachte - een geldlening te incasseren. Door aldus te handelen heeft verdachte een risico genomen dat de situatie uit de hand zou lopen.

Toen die [benadeelde partij] een opmerking maakte over de dochter van verdachte reageerde verdachte verhit. Hij trok zijn pistool, en schoot vervolgens doelbewust op [benadeelde partij]. De kogel raakte [benadeelde partij] in zijn buik, waardoor [benadeelde partij] letsel heeft opgelopen.

Verdachte heeft met zijn daad niet alleen eigenrichting gepleegd, maar ook een ernstig gebrek aan respect voor het menselijk leven getoond en een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij].

Verdachte heeft voorts een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij.

Het hof heeft gelet op een verdachte betreffend Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 17 september 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof - met de rechtbank en de advocaat-generaal - van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur recht doet aan de ernst van met name het eerste feit. Het hof zal verdachte derhalve - conform het vonnis van de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Beslissing op de vordering tot gevangenneming van verdachte

Gelet op een eerdere beslissing van het hof d.d. 12 december 2008 ziet het hof geen aanleiding om de gevangenneming van verdachte te bevelen, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, zodat die vordering wordt afgewezen.

Beslag

Het hof zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen goederen, nu het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van deze goederen.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij tot het bedrag van € 4125,--toewijsbaar. Voldoende is vast komen te staan dat door het bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer tot voornoemd bedrag schade is berokkend en dat de schade aan verdachte kan worden toegerekend.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aan verdachte zal tevens de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1. primair en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1. primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- zwarte leren jas;

- zwart vest;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vierduizend honderdvijfentwintig euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vierduizend honderdvijfentwintig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van eenenvijftig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.W.J. Sekeris, voorzitter, mr. K. Lahuis en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier.