Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
03-02-2011
Zaaknummer
WAHV 200.026.479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bewijslastverdeling t.a.v. de verzending en ontvangst van de inleidende beschikking. Inrichting van het aanmaak- en verzendproces bij het CJIB. Kantonrechter dient zelf te beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is en mag dat niet in het midden laten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:40, geldigheid: 2009-12-23
Algemene wet bestuursrecht 3:41, geldigheid: 2009-12-23
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2009-12-23
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2009-12-23
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2009-12-23
Besluit proceskosten bestuursrecht 1, geldigheid: 2009-12-23
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 6, geldigheid: 2009-12-23
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13, geldigheid: 2009-12-23
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2009-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.026.479

23 december 2009

CJIB 116025169

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Roermond

van 21 januari 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing vernietigd en het beroep van de betrokkene tegen voormelde beslissing voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij heeft de beslissing van de officier van justitie desondanks vernietigd en de zaak ook inhoudelijk behandeld omdat de officier van justitie de betrokkene (telefonisch) had kunnen horen over het niet ontvangen van de inleidende beschikking althans hem in de gelegenheid had kunnen en moeten stellen daaromtrent nadere gegevens te verschaffen.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld. De betrokkene heeft de inleidende beschikking niet ontvangen en omtrent de daadwerkelijke verzending van de beschikking is niets bekend. Vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Raad van State is dat het niet slagen van verzending per gewone post voor rekening van de afzender komt. Gelet daarop heeft de kantonrechter de bewijslast in deze zaak ten onrechte anders verdeeld door van de betrokkene bewijs te verlangen van het niet ontvangen van de beschikking. Een oneerlijke benadering omdat het een punitieve sanctie betreft en het verlangde bewijs per definitie niet geleverd kan worden. Met de post kan nogal eens iets mis gaan, zoals blijkt uit de diverse bij de gemachtigde bezorgde maar niet voor hem bestemde poststukken. Bovendien schendt die benadering de gelijkwaardigheid van de partijen in deze procedure. Indien een betrokkene onder overlegging van een kopie van een juist geadresseerd beroepschrift stelt dat hij dit heeft ingediend en niet onbestelbaar retour heeft ontvangen, komt hij daar ook niet mee weg.

3. De advocaat-generaal concludeert dat nu de inleidende beschikking is verzonden naar het adres waarop de betrokkene staat geregistreerd en de brief niet als onbestelbaar retour is ontvangen, de betrokkene de inleidende beschikking zal hebben ontvangen. De betrokkene voert geen concrete omstandigheden aan waaruit het tegendeel blijkt. Nu de kantonrechter het beroep inhoudelijk heeft beoordeeld, is de betrokkene niet geschaad in zijn belangen, aldus de advocaat-generaal.

4. Het hof ziet echter wel aanleiding om de beroepsgrond te bespreken. De beroepstermijn als bedoeld in artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht is een voorschrift van openbare orde waaraan de rechter ambtshalve dient te toetsen. Gelet hierop dient het hof zelfstandig te beoordelen of het beroep bij de officier van justitie tijdig is ingesteld en of de kantonrechter daarover juist heeft beslist. Het hof overweegt als volgt.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, WAHV in verbinding met de artikelen 6:7 en 6:8 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

6. Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

7. Volgens vaste administratiefrechtelijke jurisprudentie dient, in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken.

8. Anders dan de gemachtigde stelt is er in WAHV-zaken geen sprake van een van vaste jurisprudentie van andere administratieve rechters afwijkende lijn en bewijslastverdeling. Aan de door het hof doorgaans gebezigde formulering van zijn oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de inleidende beschikking is verzonden, ligt het hierna volgende ten grondslag. Het is het hof ambtshalve bekend dat het CJIB voor de vervaardiging en aanbieding ter verzending van poststukken gebruikt maakt van de diensten van een printermailservicebedrijf. Op elektronische wijze worden dagelijks gegevens verstrekt vanuit het geautomatiseerde systeem van het CJIB aan het printermailservicebedrijf. Het aanmaken, uitdraaien op papier, voegen in een enveloppe en aanbieden aan TNT Post geschiedt ook door middel van een geautomatiseerd systeem. Het CJIB geeft de verzenddatum van de beschikking mee. De logistiek bij het printermailservicebedrijf is zodanig ingericht, dat de beschikkingen vóór de verzenddatum aan TNT Post worden aangeboden. Er is sprake van een interne kwaliteitscontrole bij het printermailservicebedrijf. Zo vindt een vergelijking plaats van het totale aantal aan TNT Post aangeboden stukken en het totale aantal door het CJIB aangeleverde zaken. Gecontroleerd wordt of hetzelfde aantal documenten wordt uitgeprint als dat aan TNT Post wordt aangeboden (Nationale Ombudsman 15 mei 2007, AB 2007, 290 en JB 2007, 159). Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat gelet op de inrichting van het aanmaak- en verzendproces de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten. Bij deze stand van zaken mag worden aangenomen dat indien in het zaakoverzicht is aangegeven dat een beschikking is verzonden, dat ook daadwerkelijk is geschied.

9. In het zaakoverzicht is vermeld dat de inleidende beschikking met dagtekening 23 maart 2008 is verzonden naar [betrokkene], [adres] [vestigingsplaats]. Dit is het adres van de betrokkene. Het ligt vervolgens -gegeven het hierboven weergegeven uitgangspunt- op de weg van de betrokkene de ontvangst van de beschikking op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Een enkele verklaring dat de betrokkene het desbetreffende stuk niet heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. Dat de gemachtigde op zijn adres poststukken heeft ontvangen die niet voor hem bestemd zijn, is daarbij niet relevant. Mede in aanmerking genomen dat uit het dossier niet blijkt dat de inleidende beschikking als onbestelbaar is teruggezonden en dat de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat deze beschikking de betrokkene niet heeft bereikt, is de betrokkene er niet in geslaagd om de ontvangst van de inleidende beschikking op geloofwaardige wijze te betwisten.

10. De beroepstermijn eindigde derhalve op 4 mei 2008. Het per faxbericht verzonden beroepschrift is gedateerd 12 juni 2008 en het is blijkens een daarop gesteld stempel eveneens op 12 juni 2008 bij de CVOM ingekomen. Het beroep is niet tijdig ingesteld.

11. Artikel 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de stelling van de betrokkene dat zij de inleidende beschikking niet heeft ontvangen evenmin leiden tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De officier van justitie heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat brengt mee dat de kantonrechter het beroep van de betrokkene ongegrond had moeten verklaren.

13. Dat heeft de kantonrechter echter niet gedaan. Deze heeft overwogen dat de officier van justitie in de administratieve beroepsfase de betrokkene wellicht had kunnen horen over de ontvangst van de beschikking dan wel in de gelegenheid had kunnen stellen om nadere gegevens te verschaffen. Nu dat niet is geschied heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie vernietigd.

14. Het hof is van oordeel dat deze redenering niet juist is. Allereerst omdat de kantonrechter, door het woord wellicht te gebruiken, geen duidelijk oordeel geeft over de handelwijze van de officier van justitie. Verder miskent de kantonrechter met deze redenering dat hij zelf dient te beoordelen of de door een betrokkene opgeworpen feiten of omstandigheden tot de conclusie nopen dat de door de officier van justitie vastgestelde termijnoverschrijding verschoonbaar is. Nu heeft de kantonrechter, terwijl hij dit zelf in het midden heeft gelaten, een inhoudelijke beoordeling gegeven van de bezwaren tegen de inleidende beschikking. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, op de voet van artikel 20d, eerste lid, WAHV, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

15. Het hof ziet in deze beslissing grond voor toekenning van een vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking, berekend als volgt: voor het hoger beroepschrift 1 punt met toepassing van de wegingsfactor 0,25 (zeer licht). Het hof zal derhalve de advocaat-generaal veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 80,50 (zijnde 1 x € 322 x 0,25).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 80,50, te betalen door de advocaat-generaal aan de gemachtigde door overboeking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Meerts te Beegden.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Heide als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.