Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BL6975

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
200.018.303
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie ter zake van niet dragen autogordel. Uitzondering voor taxichauffeurs niet van toepassing als personen worden vervoerd op contractbasis en tegen vast tarief. Omissie in de wet: artikel 59, lid 6, RVV 1990 verwees naar het verkeerde lid van artikel 84 Wet Personenvervoer 2000.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4
Wet personenvervoer 2000 84
Wet personenvervoer 2000 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.018.303

9 december 2009

CJIB 116747128

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 28 oktober 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”, welke gedraging zou zijn verricht op 27 februari 2008 om 14.40 uur op de Wibautstraat te Amsterdam.

2. Namens de betrokkene wordt niet bestreden dat de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de autogordel, maar wordt aangevoerd dat de betrokkene klanten tegen vergoeding vervoerde in zijn taxi. In dat geval is hij uitgezonderd van de gordelplicht. Anders dan de verbalisant verklaart, heeft de betrokkene bij staandehouding niet verklaard dat hij de gordel wel om had. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de gemachtigde van de betrokkene een rittenstaat overgelegd, alsmede de email die de betrokkene aan de gemachtigde heeft verzonden daags na ontvangst van de inleidende beschikking.

3. Uit de door de betrokkene overgelegde rittenstaat volgt dat met de taxi met het kenteken [00-AB-AB] een taxirit is gereden door de betrokkene op 27 februari 2008 van 14.32 uur tot 14.45 uur. Als startpunt van de rit is genoteerd Hotel [naam]. In de kolom ritprijs en fooien staat vermeld "vaste prijs hotel".

4. In het hiervoor vermelde mailbericht, gedateerd 17 april 2008, schrijft de betrokkene het volgende aan de gemachtigde, voor zover van belang:

“Ik werd aangehouden op de Wibautstraat voor gordelcontrole. De agent verwees mij naar het niet-dragen van mijn gordel. Ik vertelde hem dat het NIET verplicht was wanneer een klant aanwezig is. Hij vroeg mij dan waarom de meter niet aan stond. Ik antwoordde dat het een afgesproken rit via een hotel was en dus de meter hoefde niet aan te staan. (…)

Hij vertelde dat hij niks van wist en bekeurde mij toch.

Ik werk vaak met hotels OP CONTRACT BASIS voor ritten waar de prijs van tevoren afgesproken zijn. In zulke gevallen het aanzetten van de meter is NIET verplicht.”

5. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in:

“De gordel hing ongebruikt langs de deurstijl. (…) Naam van ambtenaar 1: [verbalisant 1] (…) Verklaring betrokkene: "Ik had wel mijn gordel om."”

7. In het aanvullend proces-verbaal d.d. 17 maart 2009 verklaren verbalisant [verbalisant 1] [dienstnummer verbalisant 1] en [verbalisant 2] ([dienstnummer verbalisant 2]) onder meer het volgende:

“Wij, verbalisanten hebben de zaak doorgenomen. (…) Verder kunnen wij verbalisanten u verklaren, dat gezien het tijdsbestek wat is verstreken de overtreding gepleegd op 27 februari 2008 te weten het niet dragen van de autogordel niet meer met zekerheid voor ons kunnen halen. Ik, verbalisant [dienstnummer verbalisant 1] kan u wel verklaren dat wij bestuurders van taxi's, die personen dan wel klanten vervoeren hiervoor GEEN bekeuring geven. Vervolgens verklaren wij, verbalisanten dat de overtreding is geconstateerd door 2 verbalisanten te weten samen met verbalisant [dienstnummer verbalisant 2], welke ook de verbalisant van staandehouding is en de verklaring te weten "ik had wel mijn gordel om" van betrokkene op de beschikking heeft genoteerd. Ik, verbalisant [dienstnummer verbalisant 2] kan me niet meer voorstellen dat het onderwerp KLANTEN tijdens het uitschrijven van de bekeuring aan de orde is geweest, want dan had betrokkene hiervoor geen bekeuring gekregen van verbalisanten. Wij verbalisanten blijven zodoende ons vasthouden aan de gegevens welke staan op de kennisgeving van bekeuring”.

8. Niet in geschil is dat de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de autogordel. Twistpunt is of de betrokkene al dan niet klanten vervoerde in zijn taxi en om die reden was uitgezonderd van de voor hem geldende gordelplicht. Uit het zaakoverzicht van het CJIB volgt niets betreffende de aanwezigheid van klanten in de taxi ten tijde van de gedraging. In het aanvullend proces-verbaal verklaren de verbalisanten dat zij zich de situatie niet meer kunnen herinneren. De verbalisanten geven daarbij wel aan dat in het geval er zich klanten in de taxi bevonden zij geen sanctie hadden opgelegd, maar die stelling berust op een algemeenheid en niet op concrete wetenschap van dit geval. De betrokkene en diens gemachtigde hebben daarentegen consistent en gemotiveerd verklaard dat er sprake was van vervoer van klanten in de taxi. Die stelling hebben zij onderbouwd met een rittenstaat.

Gelet hierop acht het hof het aannemelijk dat ten tijde van de gedraging personen tegen vergoeding in de taxi werden vervoerd.

9. Anders dan de betrokkene en diens gemachtigde aanvoeren, houdt het voorgaande echter niet in dat de betrokkene was uitgezonderd van de gordelplicht. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

10. Artikel 59, eerste lid, eerste volzin, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), zoals dat gold ten tijde van de gedraging, houdt het volgende in:

“Bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers maken gebruik van de voor hen beschikbare autogordel.”

11. Artikel 59, zesde lid, RVV 1990, zoals dat gold ten tijde van de gedraging, houdt het volgende in:

“Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en het vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, tweede lid, van die wet (…).”

12. Artikel 84, tweede lid en derde lid, Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000), zoals dat gold ten tijde van de gedraging, houdt het volgende in:

“2. De regeling kan voorschriften bevatten omtrent een toe te passen maximumtarief.

3. De regeling heeft geen betrekking op tarieven voor taxivervoer dat wordt verricht ter uitvoering van een schriftelijke overeenkomst waarbij gedurende een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgelegd tarief.”

13. Het hof houdt het ervoor dat de verwijzing naar artikel 84, tweede lid, WPV 2000 in artikel 59 zesde lid, RVV 1990 berust op een omissie en de wetgever bedoeld heeft te verwijzen naar het derde lid van artikel 84 WPV 2000. Het hof baseert dit op het navolgende.

14. Artikel 84, tweede lid, WPV 2000, zoals dat geldig was tot 20 september 2006, houdt het volgende in:

“Het maximumtarief geldt niet indien schriftelijk een tarief wordt overeengekomen voor het gedurende een bepaalde periode meermalen verrichten van taxivervoer.”

15. Artikel 59, zesde lid, RVV 1990, zoals dat geldt vanaf 1 mei 2009, houdt het volgende in:

“Het eerste lid voor zover dat op bestuurders betrekking heeft en vierde lid gelden niet tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000 en tijdens vraagafhankelijk openbaar vervoer in taxi's, anders dan in de gevallen waarin een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 84, derde lid, van die wet (…).”

In de Nota van Toelichting bij de wijziging van artikel 59 RVV 1990 wordt hierover het volgende opgemerkt (Stb. 2008, 90, p. 16):

“Door de wijziging van artikel 84 van de Wet personenvervoer 2000 klopte de verwijzing in artikel 59, zesde lid, naar het contractvervoer in betrokken artikellid niet meer. Die omissie is nu hersteld.”

16. In beginsel is de stelling van de betrokkene en diens gemachtigde juist dat de bestuurder geen gebruik hoeft te maken van de gordel als tegen vergoeding passagiers worden vervoerd in de zin van de WPV 2000. Op grond van het vorenstaande samenstel van regels geldt die uitzondering echter niet als taxivervoer wordt verricht op basis van een schriftelijke overeenkomst waarbij gedurende een bij die overeenkomst vastgestelde periode meermalen taxivervoer wordt verricht tegen een in die overeenkomst vastgesteld tarief. In het hierboven vermelde mailbericht schrijft de betrokkene dat hij op contractbasis werkt voor hotels waarbij een vast tarief wordt gerekend. Gelet hierop was de betrokkene derhalve niet uitgezonderd van de gordelplicht, ongeacht of hij passagiers in zijn taxi vervoerde.

17. Nu de verbalisanten verklaren dat de betrokkene geen gebruik maakte van de gordel en de betrokkene dat ook heeft erkend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Derhalve heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard, zodat het hof die beslissing van de kantonrechter zal bevestigen.

18. Nu de bestreden beslissing niet wordt vernietigd, ziet het hof geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Het hof zal het kostenverzoek daarom afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.