Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BL6074

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
200.039.183
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Vrijstelling of ontheffing (150, lid 2, WVW 1994) en gevolg van verschil voor de verkeershandhaving. Sanctie opgelegd voor overtreden ‘voorschriften ontheffing’ (feitcode K145A). Betrokkene beschikt over een vrijstelling ex 147 WVW 1994. Geen rechtsgrond voor opgelegde sanctie, nu een feitcode voor het overtreden ‘voorschriften vrijstelling’ ontbreekt. Strafbaar feit.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 146, geldigheid: 2009-11-18
Wegenverkeerswet 1994 147, geldigheid: 2009-11-18
Wegenverkeerswet 1994 148, geldigheid: 2009-11-18
Wegenverkeerswet 1994 150, geldigheid: 2009-11-18
Wegenverkeerswet 1994 177, geldigheid: 2009-11-18
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 2, geldigheid: 2009-11-18
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2009-11-18
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2009-11-18
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2009-11-18
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5, geldigheid: 2009-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.039.183

18 november 2009

CJIB 79123928354

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 7 juli 2009

betreffende

[betrokkene]. (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [vestigingsplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], gevestigd te [vestigingsplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 november 2009.

De betrokkene is verschenen bij gemachtigde, vertegenwoordigd door [gemachtigde], operationeel directeur. De gemachtigde is bijgestaan door mr. R.M. Dessaur, advocaat te Amsterdam.

Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. G.J. Heidema.

Beoordeling

1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van de betrokkene gesteld dat zij niet is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 7 juli 2009.

2. Bij de stukken van het geding bevindt zich echter een afschrift van een aan de gemachtigde van de betrokkene gerichte brief van de griffier van de rechtbank van 3 juni 2009 waarbij de gemachtigde wordt medegedeeld dat het door haar ingestelde beroep zal worden behandeld ter zitting van 7 juli 2009 en dat de gemachtigde daar desgewenst kan verschijnen voor het geven van een nadere toelichting. Die brief is gericht aan het door de gemachtigde in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie vermelde adres, te weten Postbus [nummer], [postcode] [vestigingsplaats].

Mede in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de desbetreffende oproeping als onbestelbaar is teruggezonden en dat de stukken ook overigens niets behelzen waaruit kan volgen dat die oproeping de gemachtigde niet heeft bereikt, houdt het hof het ervoor dat de gemachtigde de oproeping heeft ontvangen. Dit bezwaar treft derhalve geen doel.

3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “handelen in strijd met aan ontheffing verbonden voorschrift niet m.b.t. de begeleiding of vakbekwaamheid (feitcode K145A)”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 oktober 2008 om 13:20 uur op het Rhijnspoorplein te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-ABC-0].

4. De gemachtigde van de betrokkene heeft zakelijk weergegeven aangevoerd dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Zij beschikte op het tijdstip van de gedraging over een aan het voertuig verbonden "Vrijstelling RVV 1990", hetgeen meebrengt dat het haar is toegestaan het voertuig onder de aan de vrijstelling verbonden voorschriften op het trottoir te parkeren. De werkzaamheden ten behoeve waarvan zij over de vrijstelling kan beschikken, houden in dat met behulp van de in het voertuig aanwezige apparatuur metrostations worden schoongemaakt. Daartoe wordt het voertuig geparkeerd op een trottoir in de directe omgeving van het metrostation. Gedurende de tijd waarin de schoonmaakwerkzaamheden worden uitgevoerd, is het voertuig onbemensd. De vrijstelling was goed zichtbaar achter de ruit van het voertuig aangebracht en er is ook overigens niet in strijd gehandeld met de aan de vrijstelling verbonden voorschriften.

5. De verbalisant heeft de oplegging van de sanctie toegelicht in een ambtsedige verklaring d.d. 13 januari 2009. Die houdt - voor zover hier van belang - het volgende in: "Ik, verbalisant, trof het voertuig op het trottoir aan en ik, verbalisant, zag dat achter het voorruit van het genoemde voertuig een Vrijstelling R.V.V. 1990, afgegeven door het GVB (gemeentelijk vervoersbedrijf Amsterdam) zichtbaar aanwezig was. Van deze vrijstelling mag slechts onder voorschriften gebruik gemaakt worden. De genoemde voorschriften staan op de achterzijde van de verstelling (het hof leest: vrijstelling) vermeld. De betrokkene heeft zich niet gehouden aan het op de achterzijde vermelde voorschrift 1. Voorschrift 1 houdt in: Van de beschikking mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de onmiddellijke uitvoering van de genoemde werkzaamheden noodzakelijk is, derhalve indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de beschikking redelijkerwijs niet konden worden uitgevoerd. Tijdens mijn waarneming, minimaal 18 minuten, voorafgaande aan het opmaken van de aankondiging van beschikking heb ik geen activiteiten met of aan het voertuig waargenomen. Uit het feit dat tijdens mijn waarneming geen activiteiten met of aan het voertuig zijn uitgevoerd kan ik opmaken dat het gebruik van de vrijstelling niet noodzakelijk was om de onmiddellijke werkzaamheden waar de betrokkene mee bezig was uit te kunnen voeren."

6. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) kan een administratieve sanctie worden opgelegd ter zake van de in deze bepaling bedoelde bijlage omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), de Provinciewet of de Gemeentewet. De bijlage bij de WAHV bevat een limitatieve opsomming van gedragingen, waaronder de gedraging met feitcode K145A.

7. Het hof stelt vast dat de beschikking is opgelegd ter zake van de gedraging "handelen is strijd met een aan een ontheffing verbonden voorschrift". In het onderhavige geval is echter geen sprake van een ontheffing maar van een vrijstelling, namelijk van een op de voet van artikel 147, eerste lid, van de WVW 1994 door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan het GVB in Amsterdam verleende vrijstelling van -onder meer- het bepaalde in artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990. Van deze vrijstelling mag -zo is niet in geding- de gemachtigde van de betrokkene gebruik maken ten behoeve van het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden voor het GVB.

8. De gedraging waarop de feitcode K145A betrekking heeft vindt haar grondslag in artikel 150, tweede lid, van de WVW 1994. In dat artikellid is bepaald dat het verboden is te handelen in strijd met de aan een vrijstelling of ontheffing verbonden voorschriften. "Handelen in strijd met een aan een vrijstelling verbonden voorschrift" is echter niet vermeld in de limitatieve opsomming van gedragingen in de bijlage bij de WAHV en kan -ook gezien het verschil in reikwijdte tussen -voor zover hier van belang- de artikelen 146 en 147 van de WVW 1994 enerzijds en de artikelen 148 en volgende van die wet anderzijds- niet worden gelijkgesteld met "handelen in strijd met aan een ontheffing verbonden voorschrift", dat wel als gedraging in de bijlage bij de WAHV is opgenomen. De overtreding van artikel 150, tweede lid, van de WVW 1994 -voor zover betrekking hebbende op een vrijstelling- is strafbaar gesteld in artikel 177, eerste lid, onder a, van die wet.

9. Een en ander betekent dat de rechtsgrond voor de inleidende beschikking ontbreekt. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.

10. Dit brengt mee dat het hof niet toekomt aan bespreking van de overige, inhoudelijke, gronden van het beroep.

11. Voor vergoeding van proceskosten ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen in aanmerking de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep, overeenkomstig het daarvoor geldende forfaitaire tarief, alsmede de reiskosten van de vertegenwoordiger van de gemachtigde, overeenkomstig het in artikel 11, eerste lid, sub c, van het Besluit tarieven in strafzaken voorgeschreven tarief, te weten de reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse.

12. In verband met de vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen de volgende proceshandelingen in aanmerking: repliek (0,5 punt) en verschijnen ter zitting (1 punt). Het hof waardeert het gewicht van de zaak als gemiddeld (1 punt). Dat brengt mee dat het bedrag van 1,5 x 1 x € 322,- = € 483,- voor vergoeding in aanmerking komt. In verband met de reiskosten van de vertegenwoordiger van de gemachtigde komt het bedrag van € 39,50 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 21 januari 2009, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 79123928354 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de gemachtigde op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 90,-, door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd.

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de gemachtigde van de betrokkene, ter hoogte van € 522,50.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.