Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BL5987

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-11-2009
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
WAHV 200.022.903
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene vervoert zand op niet afgedekte aanhangwagen. Sanctie van € 240,- ter zake van “met een voertuig rijden, terwijl de losse lading die mogelijk van het voertuig kan vallen niet deugdelijk is afgedekt.” Gelet op de toelichting bij artikel 5.18.6 VR is niet van belang of er daadwerkelijk lading van de wagen is gevallen. Sanctie terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Voertuigreglement 5.1.2, geldigheid: 2009-11-09
Voertuigreglement 5.18.6, geldigheid: 2009-11-09
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4, geldigheid: 2009-11-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.022.903

9 november 2009

CJIB 59118259521

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht

van 5 januari 2009

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Utrecht genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 240,- opgelegd ter zake van “met een voertuig rijden, terwijl de losse lading die mogelijk v/h voertuig kan vallen niet deugdelijk is afgedekt”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 mei 2008 om 12.20 uur op de Rijksweg A27 te Vianen.

2. Niet in geding is dat de betrokkene op tijdstip en plaats als voornoemd heeft gereden met een aanhangwagen waarvan de lading niet was afgedekt. De gemachtigde ziet echter niet in hoe een berg zand - of een deel daarvan - van het voertuig kan zijn gevallen, nu de verbalisant enkel heeft verklaard dat er zand uit het voertuig waaide. In dat geval is de wind de oorzaak en niet de ontbrekende afdekking.

3. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 5.1.2 in samenhang met artikel 5.18.6, tweede lid, van het destijds geldende Voertuigreglement (VR).

Artikel 5.1.2 VR - voor zover hier van belang - luidde:

“Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden (…), indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”

Artikel 5.18.6 VR, tweede lid, luidde:

“Losse lading ten aanzien waarvan het gevaar bestaat dat deze of delen daarvan tijdens het rijden van het voertuig vallen, moet deugdelijk zijn afgedekt.”

4. De toelichting op artikel 5.18.6 VR houdt voor zover hier van belang het volgende in: "Nieuw is het bepaalde in het tweede lid met betrekking tot het vervoer van losse lading. Dit lid bevat de verplichting om losse lading die van het voertuig kan vallen deugdelijk af te dekken. Gedacht dient daarbij te worden aan lading als zand, grint of puin. De wijze van afdekken is afhankelijk van de soort lading die wordt vervoerd. Zo zal voor grof puin een net voldoende zijn, terwijl zand een dekzeil zal vereisen."

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in de bij de stukken van het geding aanwezige kopie van de aankondiging van beschikking houdt - naast de in de beschikking vermelde datum, tijd, plaats en het kenteken van het voertuig - onder meer het volgende in:

“Ik zag dat betrokken bedrijfsauto een meerassige aanhangwagen voortbewoog. Ik zag dat in de aanhangwagen een berg zand lag. Ik zag dat het zand uit de aanhangwagen waaide door de zijwind en de hobbels in de weg. Ik zag dat het overige verkeer ruim afstand hield van betrokken combinatie. (…) Verklaring betrokkene: 'ik dacht dat het zo wel even kon'.”

6. Gelet op de verklaring van de verbalisant en de omstandigheid dat namens de betrokkene niet is bestreden dat hij zand vervoerde dat niet was afgedekt, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Immers, uit artikel 5.18.6 VR en de daarbij behorende toelichting volgt dat reeds een sanctie kan worden opgelegd indien het gevaar bestaat dat de lading van het voertuig valt. Of er daadwerkelijk lading van de wagen is gevallen is in zoverre niet van belang. Derhalve is het hof van oordeel dat de sanctie terecht aan de betrokkene is opgelegd.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.