Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BL3559

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2009
Datum publicatie
01-03-2010
Zaaknummer
WAHV 200.025.538-02
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel ingetrokken. Leemte in wet. Artikel 13b WAHV analoog van toepassing. Vergoeding van kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In beginsel niet toetsen of er daadwerkelijk kosten in rekening zijn gebracht aan betrokkene. Tarief gewijzigd per 1 oktober 2009. Overgangsrecht.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13b
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2010/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.025.538/02

12 november 2009

CJIB 79119468551

Gerechtshof te Leeuwarden

Beslissing

op het verzoek om een kostenveroordeling

van

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

Het procesverloop

Op 24 december 2008 heeft de kantonrechter van de rechtbank te Roermond het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Roermond genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de WAHV, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 161,-.

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Bij brief van 30 juli 2009 heeft de griffier van het hof de advocaat-generaal verzocht om aanvullende informatie.

Bij brief van 8 september 2009 heeft de advocaat-generaal het hof bericht, dat is besloten om het hoger beroep in te trekken en dat de betrokkene hiervan in kennis is gesteld.

Bij brief van 11 september 2009 heeft het hof de gemachtigde van de betrokkene verzocht aan het hof mede te delen of de betrokkene aanspraak wenst te maken op vergoeding van proceskosten.

Bij brief van 14 september 2009 heeft de gemachtigde van de betrokkene aan het hof verzocht om een kostenvergoeding.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld op het verzoek om een kostenvergoeding te reageren. Bij brief van 18 september 2009 is van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting op het kostenverzoek in te dienen. Bij brief van 1 oktober 2009 is van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De advocaat-generaal heeft bij brief van 15 oktober 2009 op voormelde brief van de gemachtigde van de betrokkene gereageerd.

Beoordeling

1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, eerste volzin, kan de officier van justitie in geval van intrekking van het beroep omdat de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 13a WAHV in de kosten worden veroordeeld. Ingevolge artikel 20d, vierde lid, WAHV zijn de artikelen 13a en 13b WAHV van overeenkomstige toepassing in hoger beroep, met uitzondering van de laatste volzin van artikel 13b, eerste lid, WAHV.

2. In de onderhavige zaak is het openbaar ministerie niet aan de indiener van het beroepschrift tegemoetgekomen, maar heeft de kantonrechter de inleidende beschikking vernietigd. Het door de officier van justitie ingesteld hoger beroep is echter door de advocaat-generaal ingetrokken. Geen wettelijke bepaling voorziet in de mogelijkheid om in een situatie als de onderhavige de gemaakte kosten te vergoeden. Nu het onwenselijk is dat in zaken als de onderhavige gemaakte kosten van het hoger beroep niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, is het hof van oordeel dat artikel 13b WAHV in dit geval analoog van toepassing is.

3. Artikel 13a, eerste lid, laatste volzin, WAHV verklaart het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) van overeenkomstige toepassing. Derhalve zal het hof het kostenverzoek beoordelen aan de hand van de genoemde regeling.

4. Ingevolge artikel 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige of deskundige die door een partij is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij,

d. verletkosten van een partij,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

5. De gemachtigde van de betrokkene heeft verzocht om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich - naar aanleiding van de reactie op het kostenverzoek door de advocaat-generaal - op het standpunt dat het niet is vereist bewijs over te leggen van gemaakte en in rekening gebrachte kosten, aangezien het slechts gaat om het vaststellen van het aantal punten van de verrichte proceshandelingen en de daaraan verbonden forfaitaire tarieven zoals bedoeld in het Besluit. De gemachtigde van de betrokkene verzoekt het hof in de kostenveroordeling rekening te houden met de per 1 oktober 2009 gewijzigde bedragen in het Besluit.

6. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat als voorwaarde voor kostenvergoeding heeft te gelden dat de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit slechts voor vergoeding in aanmerking komt als blijkt dat er door de rechtsbijstandverlener aantoonbaar en daadwerkelijk kosten in rekening zijn gebracht bij de betrokkene. Nu dit niet is gebleken dient het verzoek om kosten te worden afgewezen, aldus de advocaat-generaal.

7. Vast staat dat in de onderhavige zaak door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

8. Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel, alsmede in de daarop gebaseerde jurisprudentie, is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht (vgl. o.m. ABRvS 23 juli 2008, LJN BD8321, te raadplegen via rechtspraak.nl).

9. In de Nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 1993, 763) is opgenomen dat de regeling betreft “een eenvoudige regeling die de justitiabele zekerheid geeft en de taak van de bestuursrechter niet onnodig verzwaart”. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het in beginsel niet op de weg van de rechter ligt om telkens te toetsen of er daadwerkelijk kosten in rekening zijn gebracht. Nu de advocaat-generaal niet heeft onderbouwd waarom in dit geval daarvan geen sprake zou zijn, ziet het hof geen aanleiding te vermoeden dat de betrokkene geen kosten heeft gemaakt voor het inschakelen van een professioneel rechtsbijstandverlener. Met name niet nu het bij het hof ambtshalve bekend is dat de gemachtigde van de betrokkene veelal procedeert op basis van het beginsel 'no cure, no pay'. Bij 'no cure, no pay' brengt de rechtsbijstandverlener een bedrag in rekening aan zijn cliënt in het geval een procedure tot succes leidt, zoals in het onderhavige geval. Dat de rechtsbijstandverlener de hoogte van dit bedrag gelijkstelt aan het bedrag van de eventuele kostenvergoeding, staat naar het oordeel van het hof niet aan toekenning van een proceskostenvergoeding in de weg (vgl. ABRvS 18 februari 2009, LJN BH3232, gepubliceerd op rechtspraak.nl, waarin de gemachtigde van de betrokkene eveneens optrad als gemachtigde). Bovendien is het niet aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de betrokkene en de gemachtigde gemaakte afspraken.

Gezien het forfaitaire stelsel in de bijlage bij het Besluit, is voorts de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte kosten moet worden toegekend, niet relevant.

10. Gelet op het voorgaande zal het hof de hoogte van de kosten vaststellen aan de hand van de bijlage bij het Besluit, waarin de kosten forfaitair zijn bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft erop gewezen dat de bedragen in de bijlage bij het Besluit zijn gewijzigd per 1 oktober 2009. Het hof merkt echter op dat die bedragen niet gelden ten aanzien van bezwaar of beroep dat is ingesteld vóór de datum van inwerkingtreding van het door de gemachtigde bedoelde besluit (zie artikel II van het Besluit, Stb. 2009, 375). Derhalve zal het hof uitgaan van de bijlage bij het Besluit zoals dat gold voor 1 oktober 2009.

In de onderhavige zaak zijn de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een verweerschrift en het indienen van een reactie op de nadere toelichting. Blijkens de bijlage bij het Besluit moet aan het indienen van een verweerschrift 1 punt en aan het indienen van een reactie nadere toelichting 0,5 punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Dit leidt tot de volgende berekening: 1,5 x € 322,- x 0,5 = € 241,50. Het hof zal derhalve de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot voornoemd bedrag. Voor zover de gemachtigde meer of anders heeft verzocht, zal het hof het kostenverzoek afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 241,50;

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. Beswerda, Sekeris en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.