Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK8646

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
08-01-2010
Zaaknummer
BK 20/09 Inkomstenbelasting 2004
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil de waarde van de vordering op 31 december 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

nummer 09/00020

uitspraakdatum: 22 december 2009

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur),

en het incidenteel hoger beroep van

X, wonende te Z (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 februari 2009, nummer AWB 08/251, in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2004 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.527 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van

€ 14.519.

1.2. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 27 februari 2009 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de navorderingsaanslag verminderd tot nihil.

1.4. De Inspecteur heeft bij brief van 6 maart 2009, ingekomen bij het Hof op

9 maart 2009, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Tegelijkertijd heeft belanghebbende incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.6. De Inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009 te Leeuwarden. Deze zaak is gezamenlijk behandeld met de zaak met als registratienummer 09/00021. Belanghebbende is daar verschenen, alsmede de Inspecteur.

1.8. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben ten titel van geldlening diverse bedragen ingelegd bij A. Deze verplichtte zich de inleggelden te beleggen. Hij garandeerde daarbij hoge rendementen. Op de geldleningen werden rentes betaald van 36 percent per jaar tot meer dan 100 percent per jaar.

2.2. In september 2004 is de Autoriteit Financiële Markten (AFM) een onderzoek gestart, omdat A mogelijk de Wet toezicht kredietwezen had overtreden door zonder vergunning als tussenpersoon op te treden.

2.3. Begin 2005 is bij het onderzoek aan het licht gekomen dat A vanaf 2003 de ingelegde gelden niet of nauwelijks meer belegde, maar slechts aanwendde voor het uitbetalen van de gegarandeerde rendementen en hoofdsommen aan andere beleggers (een zogenoemde beleggingspiramide).

2.4. In januari en februari 2005 hebben zich nog nieuwe beleggers gemeld bij A. Met de door hen ingelegde gelden heeft hij gedurende die maanden nog hoofdsommen terugbetaald en rendementen uitgekeerd. Zo heeft A op 7 januari 2005 nog een rendement aan belanghebbende uitbetaald van € 32.480 en aan zijn echtgenote van € 800.

2.5. Vanaf maart 2005 stagneert de aanwas van nieuwe beleggers en kan A niet langer aan zijn debiteurverplichtingen voldoen. Op 15 juni 2005 is hij in staat van faillissement verklaard.

2.6. In juli 2005 heeft de AFM aangifte gedaan van de frauduleuze handelingen van A. Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 20 juli 2007 is A wegens oplichting, bedriegelijke bankbreuk, gebruik van valselijke geschriften, overtreding van de Wet toezicht kredietwezen en witwassen, strafrechtelijk veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

2.7. De vordering van belanghebbende en zijn echtgenote op A bedroeg op

1 januari 2004 € 162.000 en op 31 december 2004 € 272.500.

2.8. De Inspecteur heeft voor het jaar 2004, in overeenstemming met de aangifte, met dagtekening 8 november 2005 een aanslag inkomstenbelasting en premie inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij is voor de berekening van het inkomen uit sparen en beleggen de vordering in aanmerking genomen naar een waarde van € 162.000 per 1 januari 2004 en € 24.000 per 31 december 2004.

2.9. Bij de navorderingsaanslag over het jaar 2004 heeft de Inspecteur de vordering in aanmerking genomen naar een nominale waarde van € 162.000 per 1 januari 2004 en € 272.500 per 31 december 2004.

2.10. De Rechtbank heeft geoordeeld dat bij de waardering van de vordering op

31 december 2004 rekening moet worden gehouden met de werkelijke toestand op dat tijdstip ook al is deze naderhand pas gebleken, dat daarbij niet van belang is of belanghebbende op 31 december 2004 daarmee bekend was, dat nadien is gebleken dat A vanaf 2003 de ingelegde gelden niet of nauwelijks belegde maar slechts aanwendde voor het uitbetalen van de gegarandeerde rendementen en hoofdsommen aan andere inleggers, dat niet van belang is dat A tot en met februari 2005 nog aan zijn verplichtingen heeft voldaan, en dat de vordering derhalve terecht is gewaardeerd op (maximaal) € 24.000.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil de waarde van de vordering op 31 december 2004.

3.2. De Inspecteur heeft betoogd dat de frauduleuze praktijken van A pas in de loop van 2005 aan het licht zijn gekomen, dat deze derhalve geen invloed hebben op de waarde van de vordering op 31 december 2004, en dat de vordering derhalve voor de nominale waarde van € 272.500 in aanmerking moet worden genomen.

3.3. Belanghebbende verdedigt dat de waarde van de vordering moet worden bepaald naar de werkelijke toestand ervan op 31 december 2004, ook voorzover die pas later is gebleken. Dit brengt mee dat de frauduleuze praktijken van A, die zijn aangevangen in 2003, moeten worden meegewogen bij de waardering van de vordering. Volgens belanghebbende moet de vordering dientengevolge op nihil worden gewaardeerd.

3.4. De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat indien moet worden uitgegaan van de later gebleken toestand per 31 december 2004 - dus met in achtneming van de frauduleuze praktijken van A - niet in geschil is dat de vordering in dat geval op nihil moet worden gewaardeerd. De navorderingsaanslag is alsdan ten onrechte opgelegd.

3.5. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zijn betoog omtrent het nieuwe feit in die zin moet worden opgevat dat later gebleken feiten een rol zouden moeten spelen bij de waardering van de vordering, en dat het betoog niet moet worden opgevat als een beroep op het ontbreken van een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

4. Beoordeling van het geschil

Principaal hoger beroep

4.1. Ingevolge artikel 5.19 van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden bezittingen en schulden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 17 mei 1950, B 8821,

HR 16 januari 1974, BNB 1975/26, LJN: AX4567, HR 4 november 1981, BNB 1981/336, LJN: AW9752, en HR 22 juni 1994, BNB 1994/241, LJN: ZC5693) dient bij de waardering van een vordering per een bepaald tijdstip niet alleen rekening te worden gehouden met de waardebepalende omstandigheden die op dat moment aan de deelnemers aan het economische verkeer bekend zijn of kunnen zijn, maar ook met hetgeen na dat tijdstip bekend is geworden omtrent de destijds bestaande werkelijke toestand van de vordering. Vergelijkbare jurisprudentie is gewezen voor de waardering van andere vermogens-bestanddelen in verband met de heffing van verschillende belastingen (onder meer

HR 20 maart 1957, BNB 1957/152, LJN AY1594, en HR 7 mei 1997, BNB 1997/268,

LJN AA2069). Naar het oordeel van het Hof heeft die regel evenzeer te gelden voor de waardering van vermogensbestanddelen bij de bepaling van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen.

4.3. Het vorenstaande brengt mee dat voor de waardering per 31 december 2004 van belanghebbendes vordering op A rekening moet worden gehouden met de nadien gebleken frauduleuze praktijken van A, welke praktijken reeds in 2003 waren aangevangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering in dat geval op nihil moet worden gewaardeerd. Daaruit volgt dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd.

4.4. Op grond van het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende. Het principale hoger beroep van de Inspecteur dient ongegrond te worden verklaard.

Incidenteel hoger beroep

4.5. Belanghebbende heeft bij zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld.

4.6. Belanghebbende betoogt dat uit de omstandigheid dat de waarde van de vordering per 31 december 2004 niet overeenkomstig de aangifte op € 24.000, maar op nihil moet worden gesteld, volgt dat de primitieve aanslag over het jaar 2004 op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beoogt met deze grief, evenals met zijn betoog dat de waarde van de vordering per 1 januari 2004 op nihil moet worden gesteld, een vermindering te bewerkstelligen van de primitieve aanslag die inmiddels onherroepelijk vaststaat. Die aanslag kan in onderhavige procedure over de navorderingaanslag evenwel niet aan de orde komen.

4.7. Belanghebbendes grieven ten aanzien van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 en/of 2005 kunnen in de onderhavige procedure over de navorderingsaanslag over het jaar 2004 evenmin aan de orde komen.

4.8. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij voornoemde grieven onder 4.6 en 4.7 in onderhavige procedure behandeld wenst te zien en dat deze grieven niet als een bezwaar gericht tegen de desbetreffende aanslagen moeten worden beschouwd. Om die reden heeft het Hof afgezien van doorzending van het beroepschrift als zijnde een verkeerd ingediend bezwaarschrift aan de Inspecteur.

4.9. Belanghebbende heeft verder betoogd dat de Rechtbank hem in het gelijk heeft gesteld, maar dat desondanks de Inspecteur niet is veroordeeld in de proceskosten. Dit betoog slaagt. Nu belanghebbende ter zitting van de Rechtbank is bijgestaan door

B, de proceskosten ter zake bij belanghebbende in rekening zijn gebracht en

B

vaker tegen vergoeding rechtsbijstand aan anderen verleent, is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat de Inspecteur voor de beroepsfase in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Deze vergoeding kan op de voet van het Bpb worden gesteld op de helft van € 322 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322 en een wegingsfactor van 1), ofwel € 161. Daarbij is in aanmerking genomen dat in eerste aanleg de zaak met als registratienummer AWB 08/250 met de onderhavige zaak samenhangt. Op grond van het Bpb worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak.

4.10. Op grond van het vorenoverwogene dient het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

5.1. Wat betreft het principale hoger beroep ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb vastgesteld op € 644 (1 punt voor verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322 en een wegingsfactor van 1).

5.2. Ook wat betreft het incidentele hoger beroep ziet het Hof aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het Bpb vastgesteld op

€ 322 (1 punt voor het incidentele beroepschrift, waarde per punt € 322 en een wegingsfactor van 1).

5.3. In aanmerking wordt genomen dat de zaak met als registratienummer 09/00021 met de onderhavige zaak samenhangt. Op grond van het Bpb worden samenhangende zaken beschouwd als één zaak. Het Hof veroordeelt de Inspecteur daarom in de proceskosten voor een bedrag van de helft van € 966, ofwel € 483, aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

5.4. Het Hof ziet, anders dan belanghebbende heeft betoogd, geen aanleiding voor een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding. Blijkens HR 13 april 2007, BNB 2007/260, is er reden voor een hogere, van het forfait afwijkende kostenvergoeding indien de inspecteur een beschikking heeft gegeven terwijl duidelijk is dat die beschikking in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Het feit dat de inspecteur, zoals in het onderhavige geval, een onjuist bevonden standpunt heeft ingenomen, brengt op zichzelf niet mee dat de inspecteur een verwijt treft in bovenbedoelde zin. Naar het oordeel van het Hof kan in het onderhavige geval niet worden gezegd dat het bij voorbaat een uitgemaakte zaak was dat het standpunt van de Inspecteur onhoudbaar was. Derhalve is er geen reden voor een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding. Ook in hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding voor een andersluidend oordeel omtrent de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het principale hoger beroep van de Inspecteur ongegrond;

- verklaart het incidentele hoger beroep van belanghebbende gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644.

Deze uitspraak is gedaan te Leeuwarden door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter,

mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. N. ten Broek als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2009.

De griffier, De voorzitter,

(N. ten Broek) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 4 januari 2010

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.