Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK6897

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
17-12-2009
Zaaknummer
24-001558-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2008:BD3549, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP4647, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP4647
Herziening: ECLI:NL:HR:2016:513, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft een "cold case" zaak uit 1996/1997 van de politie Groningen. De verdachte heeft destijds een bericht van niet verdere vervolging ontvangen van het openbaar ministerie. Nadat vanaf eind 2004 is gebleken van nieuwe bezwaren tegen de verdachte, is opnieuw vervolging ingesteld. Thans volgt in hoger beroep berechting van delicten die zich in december 1996 hebben afgespeeld, bestaande in doodslag, gepleegd tegen zijn vrouw, alsmede brandstichting, gepleegd om de sporen van die doodslag te verhullen. Het hof legt ter zake van die delicten een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001558-08

parketnummer eerste aanleg: 18-030571-04

Arrest van 17 december 2009 van het gerechtshof Leeuwarden, meervoudige strafkamer,

op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 10 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren in 1965 te [plaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadslieden, mr. E.J. de Mare en

mr. W.F. de Haan, advocaten te Groningen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 20 november 2008, 30 juni 2009 en 3 december 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ter terechtzitting van 30 juni 2009 heeft de verdediging - vooralsnog - geen afstand gedaan van de op die terechtzitting gehoorde getuige-deskundige Bouwmeester en heeft de advocaat-generaal - vooralsnog - geen afstand gedaan van de op die terechtzitting gehoorde getuige [getuige 1], in die zin dat Bouwmeester, respectievelijk [getuige 1] - vooralsnog - beschikbaar dienden te blijven ten behoeve van de beantwoording van mogelijke aanvullende vragen.

Ter terechtzitting van 3 december 2009 is noch door de verdediging, noch door de advocaat-generaal verzocht om Bouwmeester, respectievelijk [getuige 1] nader te horen.

Op grond hiervan gaat het hof er van uit dat de verdediging Bouwmeester niet nader wenste te horen en daarmee afstand heeft gedaan van de getuige-deskundige Bouwmeester.

Evenzo gaat het hof er van uit dat de advocaat-generaal [getuige 1] niet nader wenste te horen en daarmee afstand heeft gedaan van de getuige [getuige 1].

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde en hem ter zake van het onder 1 subsidiair,

2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het in beslag genomen voorwerp zal verbeurdverklaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 december 1996 te [pleegplaats], althans in de gemeente [gemeente], opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (met een hard voorwerp) op het hoofd geslagen en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (rechter)hals(helft) gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 december 1996 te [pleegplaats], althans in de gemeente [gemeente], opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] (met een hard voorwerp) op het hoofd geslagen en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (rechter)hals(helft) gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 11 december 1996 te [pleegplaats], althans in de gemeente [gemeente], opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in (een gedeelte van) die woning brand gesticht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met het lichaam van [slachtoffer], althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die woning aanwezige goederen en/of een of meer belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die woning en/of percelen aanwezige personen (onder meer [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2]), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2005 tot en met 21 december 2005, in de gemeente [gemeente 2], althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de SNS Bank heeft bewogen tot

- de afgifte van geldbedragen van 5830,76 euro en 50,00 euro, in elk geval (een) geldbedrag(en), ten gunste van [betrokkene] (via deurwaarderskantoor Jongerius te Amersfoort), in elk geval ten gunste van een ander, en/of

- het teniet doen van een inschuld groot 5830,76 euro en 50,00 euro, in elk geval (een) inschuld(en), welke verdachte had bij genoemde [betrokkene] (wegens aankoop van een auto (merk [automerk]),

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- een auto (merk [automerk]) gekocht bij die [betrokkene] en/of die [betrokkene] medegedeeld dat hij, verdachte, het verschuldigde bedrag voor die auto vanwege een probleem met zijn, verdachtes, bank, de SNS bank, niet (gelijk) kon betalen en/of waardoor verdachte een schuld had/kreeg bij die [betrokkene], en/of (vervolgens)

- die [betrokkene] medegedeeld dat hij, verdachte, bij die bank beschikte over (een) spaarrekening(en) waarop voldoende geld stond om de auto te kunnen betalen en/of dan de inschuld die verdachte had bij die [betrokkene] teniet kon doen, en/of (vervolgens)

- die [betrokkene] medegedeeld dat het bedrag op genoemde spaarrekening(en) voor langere periode vast stond en/of dan een boete moest betalen van 2000 euro, en/of (vervolgens)

- die [betrokkene] voorgesteld om via een inassobureau beslag te laten leggen op genoemde rekening(en) en/of geld, en/of (vervolgens)

- zich samen met die [betrokkene] naar deurwaarderskantoor Jongerius begeven en/of (vervolgens)

- verzwegen dat hij, verdachte, niet langer de voogdij over zijn, verdachtes, minderjarige kinderen had en/of derhalve niet gerechtigd was tot het onttrekken van gelden aan de rekeningen van zijn kinderen en/of verzwegen dat hij, verdachte, alleen na toestemming van de bijzonder curator kon beschikken over de rekeningen van zijn minderjarige kinderen, en/of

- aan een medewerker van genoemd kantoor medegedeeld dat [betrokkene] als eisende partij een vordering had op verdachte, als gedaagde partij, en/of (vervolgens)

- aan die medewerker medegedeeld dat zijn, verdachtes, minderjarige kinderen (een) rekening(en) hadden bij de SNS bank, die op zijn, verdachtes, naam zou(den) staan en/of dat het geld wat op die rekening(en) stond van hem en zijn vrouw was en/of dat genoemde rekening(en) geblokkeerd waren in verband met problemen tussen hem, verdachte, en de SNS bank en/of dat na gewezen vonnis beslag kon worden gelegd op gelden van genoemde rekening(en), en/of (vervolgens)

- krachtens een executoriale titel d.d. 16 november 2005, executoriaal beslag laten leggen op gelden van genoemde rekening(en), waardoor genoemde SNS Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of het teniet doen van bovengenoemde inschuld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van het hof van 20 november 2008 zijn door de verdediging preliminaire verweren gevoerd, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Het hof heeft die preliminaire verweren verworpen bij tussenarrest van 4 december 2008.

Mr. De Mare heeft het hof ter terechtzitting van 3 december 2009 verzocht die preliminaire verweren als opnieuw ter zitting gevoerd en herhaald te beschouwen, opdat de beslissing van het hof daarop als onderdeel van het eindarrest in de zaak kan worden gezien.

Naar het oordeel van het hof berust deze zienswijze van de raadsman op een onjuiste lezing, dan wel miskenning van het bepaalde in de artikelen 283, eerste lid en 322, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering, welke artikelen ingevolge het bepaalde in artikel 415, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing zijn op de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep.

Nu op grond van genoemde wetsartikelen de eerdere beslissing van het hof op de preliminaire verweren, neergelegd in het tussenarrest van 4 december 2008, in stand blijft, zal het hof het verzoek van de raadsman om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, afwijzen.

Mr. De Mare heeft voorts ter terechtzitting van het hof van 3 december 2009 ook op een andere grond bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Hiertoe is aangevoerd dat de wijze waarop de politie het onderzoek in de zaak van de verdachte heeft uitgevoerd in meerdere opzichten, zoals genoemd in de beide door de verdediging overgelegde pleitnota's, een zo ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid dient te volgen. Dit aangezien sprake is van een - aan het openbaar ministerie toe te rekenen - handelen van de politie waardoor doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling tekort is gedaan, aldus de verdediging.

Met betrekking tot dit verweer overweegt het hof het volgende.

De door de verdediging aangevoerde punten houden zakelijk weergegeven het verwijt in dat er in diverse stadia van het onderzoek sprake is geweest van een verregaande tunnelvisie van en aanhoudende tegenwerking door de politie, gericht op het veroordeeld krijgen van de verdachte.

Ter onderbouwing van zijn conclusie noemt de raadsman dat er sprake is geweest van bewuste misleiding, manipulatie, het weglaten van essentiële informatie uit het politie-onderzoek en het verdraaien van feiten. Meer concreet benoemt de raadsman de moeizame wijze waarop de beschikking is verkregen over het werkjournaal van het Regionaal Bijstands Team, de wijze waarop een getuige is verhoord die anoniem wenste te blijven en het weigeren van het laten horen als getuige van ene [getuige 2], destijds werkzaam bij de CIE.

Het hof stelt vast dat de door de raadsman aangehaalde voorbeelden van meer recente datum zijn, te weten vanaf het voorjaar 2009. Het hof stelt voorts vast dat het werkjournaal voorafgaande aan de (inhoudelijke) zitting van 30 juni 2009 door de verdediging is ingezien en aan het dossier is toegevoegd. Daarbij is van belang op te merken dat een werkjournaal kan worden betiteld als een intern werkdocument van de politie dat in de regel geen deel uitmaakt van het strafdossier.

Ook stelt het hof vast dat een door de verdediging aangedragen getuige die anoniem wenste te blijven, is gehoord.

Dat de advocaat-generaal heeft geweigerd een medewerker van de CIE als getuige te laten horen bij de rechter-commissaris kan - retrospectief bezien - als juist worden geduid.

Ter zitting van het hof op 3 december 2009 immers heeft de advocaat-generaal een brief van 20 november 2009 overgelegd, waarin de CIE officier van justitie heeft verklaard dat de betreffende getuige in de door de verdediging genoemde periode geen informatie heeft gegeven aan de CIE in de onderhavige strafzaak. Overigens heeft de verdediging het hof niet verzocht op dit punt ter zitting een getuige te laten verklaren.

Tot slot is het hof van oordeel dat er in deze zaak bij de politie en het openbaar ministerie geen sprake is geweest van tunnelvisie. Ter illustratie wijst het hof op het proces-verbaal van 14 februari 2005, waarin verslag wordt gedaan van en antwoord wordt gegeven op de achttien vragen die de verdachte aan het onderzoeksteam heeft gesteld.

Bovenstaande neemt niet weg dat het totale vooronderzoek op technisch-, en in mindere mate op tactisch, gebied bepaald geen schoonheidsprijs verdient. Belangrijker is echter dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte door feilen in het politie-onderzoek in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Dit leidt tot de conclusie dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Omstandigheden die op dit punt tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn het hof niet gebleken.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak ter zake van feit 1 primair en feit 3

Het hof acht - evenals de advocaat-generaal en de verdediging - niet bewezen hetgeen onder

1 primair aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht - evenals de verdediging - niet bewezen hetgeen onder 3 aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Het strafdossier bevat, mede bij gebreke van een aangifte door de SNS Bank, geen bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden bewezen dat de verdachte de SNS Bank heeft bewogen tot de afgifte van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Van een oplichtingsmiddel jegens de SNS Bank is niet gebleken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde

Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde reeds langdurig gokverslaafd was. Diverse personen uit de directe familie- of kennissenkring van de verdachte hebben verklaringen afgelegd met als inhoud en/of strekking dat het gokgedrag van de verdachte problematisch was, in die zin dat er sprake was van casinoverboden en/of financiële problemen. Voorts hebben diverse personen uit de directe familie- of kennissenkring van de verdachte verklaard dat [slachtoffer], de vrouw van de verdachte, op de hoogte was van het gokgedrag van de verdachte in het verleden en dat zij dat gokgedrag toen ten strengste had afgekeurd en niet had toegestaan.

Enkele personen uit de directe familie- of kennissenkring van de verdachte hebben tenslotte verklaard dat [slachtoffer] tegen hen heeft gezegd dat zij zou gaan scheiden van de verdachte wanneer zij er achter zou komen dat hij weer gokte en dat [slachtoffer] niet wist dat de verdachte in 1996 weer het casino bezocht.

Op 11 december 1996 is er aan het einde van de middag een onverwachte, toevallige ontmoeting geweest tussen de verdachte en [slachtoffer], in de parkeergarage van het casino in Groningen, waarna beiden, ieder in hun eigen auto, naar hun woning in [pleegplaats] zijn gegaan.

Door [getuige 3], een vriendin van [slachtoffer] die bij deze ontmoeting aanwezig was, is op

14 december 1996 verklaard dat de verdachte bij die ontmoeting ander gedrag vertoonde dan normaliter, en dat zij uit de reactie van [slachtoffer] kon opmaken dat [slachtoffer] duidelijk teleurgesteld was de verdachte daar toen tegen te komen.

Op 11 december 1996, omstreeks 19.45 uur à 20.00 uur heeft [getuige 4], een medewerkster van de kapsalon van [slachtoffer] in Assen, gebeld naar de huistelefoon van de verdachte en heeft hem, in een volgens haar rustig verlopen en kort gesprek, verteld over een (hevige) woordenwisseling die zij die middag op het werk had gehad met [betrokkene 2], de bedrijfsleider van die kapsalon. De verdachte heeft hierop tegen [getuige 4] gezegd dat hij de volgende dag op deze kwestie terug zou komen. Vervolgens heeft, zo verklaard hij, de verdachte besloten om [betrokkene 2] die avond nog te bezoeken en is naar diens woning in [woonplaats betrokkene 2] gereden.

Het is voor het hof een groot vraagteken waarom het telefoongesprek tussen de verdachte en [getuige 4] voor de verdachte aanleiding is geweest om nog dezelfde avond de autorit naar [woonplaats betrokkene 2] te maken, nu dat telefoongesprek op zich geen dringende aanleiding lijkt te hebben kunnen vormen voor deze actie van de verdachte.

Ook blijft het gissen waarom de verdachte, alvorens van huis te vertrekken, in verband met de geruime afstand die hij naar de woning van [betrokkene 2] moest afleggen, geen telefonisch contact heeft opgenomen met hem, teneinde na te gaan of hij thuis zou zijn en om hem van zijn voorgenomen komst op de hoogte te brengen.

Opmerkelijk is voorts dat de verdachte, die als rayonvertegenwoordiger in kappersartikelen veelvuldig in de noordelijke provincies op pad was, heeft verklaard dat hij niet goed wist hoe hij naar [woonplaats betrokkene 2] moest rijden en dat hij aanvankelijk verkeerd gereden is, waardoor zijn autorit naar [woonplaats betrokkene 2] geruime tijd in beslag heeft genomen. Opvallend acht het hof ook dat, waar de verdachte zegt de weg te zijn kwijtgeraakt, hij niet op dat moment vanuit zijn auto telefonisch contact opneemt met [betrokkene 2], maar in plaats daarvan de weg gaat vragen in een cafetaria.

Opmerkelijk is ook nog dat de verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij [betrokkene 2] niet thuis aantrof in [woonplaats betrokkene 2], daar ruim anderhalf uur voor de woning heeft gewacht, dan wel heeft rondgereden in de buurt, in afwachting van de thuiskomst van [betrokkene 2].

Eén en ander kan - gelet op het onder 1 en 2 ten laste gelegde - voeding geven aan de gedachte dat de verdachte zich hiermee een alibi voor de avond van 11 december 1996 heeft willen verschaffen en daartoe tijdsverloop heeft gecreëerd.

Vervolgens is de verdachte op een gegeven moment onverrichterzake teruggereden naar zijn woning in [pleegplaats]. Bij zijn woning aangekomen, heeft de verdachte volgens zijn eigen verklaring de auto de oprit opgereden en is hij uit zijn auto gestapt, waarna hij rook uit de woning zag komen. Hierop heeft de verdachte volgens zijn eigen verklaring zijn auto met draaiende motor en ontstoken verlichting laten staan en heeft hij zijn sleutelbos, met daaraan de sleutel van de voordeur van de woning, in het contactslot laten zitten en is hij met zijn mobiele telefoon het toenmalige alarmnummer 06-11 gaan bellen. De verdachte is daarbij gedurende enige tijd bij zijn woning vandaan gelopen, naar zijn zeggen omdat hij om hulp wilde vragen. De verdachte heeft vervolgens een juist passerende bus laten stoppen, zonder contact te maken met de chauffeur en hem om hulp te vragen. Toen de verdachte - staande bij de bus - contact kreeg met een medewerker van de alarmcentrale, heeft de verdachte volgens die medewerker verteld dat er drie mensen in de woning aanwezig waren en dat hij de woning niet binnen kon omdat de voordeur helemaal in brand stond.

Ook dit gedrag van de verdachte roepen naar het oordeel van het hof vraagtekens op.

Waarom heeft de verdachte de motor van zijn auto laten draaien en de verlichting van zijn auto laten branden toen hij de oprit was opgereden en uitgestapt? Waarom heeft de verdachte zijn sleutelbos, met daaraan de sleutel van de voordeur van de woning, in het contactslot van zijn auto laten zitten? Op grond waarvan heeft de verdachte verondersteld dat zijn vrouw en twee kinderen nog in de woning aanwezig waren en wellicht al niet de woning hadden verlaten? En waarom heeft de verdachte in het eerste geval niet onmiddellijk geprobeerd de woning in te gaan, om te proberen zijn vrouw en twee kinderen uit de woning te halen? Waarom heeft de verdachte, op het moment dat hij de buschauffeur tot stoppen had gebracht, die buschauffeur in het geheel niet om hulp gevraagd? Waarom heeft de verdachte niet om hulp geroepen, om buurtbewoners te alarmeren teneinde hulp te mobiliseren? Waarom heeft de verdachte aan de alarmcentrale gemeld dat hij de woning niet binnen kon omdat de voordeur helemaal in brand stond op een moment waarop de verdachte dat volgens zijn eigen verklaring nog helemaal niet geconstateerd had?

Eén en ander kan - gelet op het onder 1 en 2 ten laste gelegde - voeding geven aan de gedachte dat de verdachte hiermee heeft geprobeerd de indruk te wekken dat hij eerst aankwam bij zijn woning nadat de brand in zijn woning reeds was gesticht en dat hij tijdsverloop heeft gecreëerd, teneinde die brand voldoende tot ontwikkeling te laten komen.

Vervolgens is de verdachte zijn woning in gegaan, terwijl er op de begane grond brand was.

De verdachte heeft verklaard dat op dat moment de voordeur van de woning deels open stond. Het is de verdachte gelukt zijn kinderen in veiligheid te brengen.

Het is opmerkelijk dat de verdachte hierbij - volgens zijn eigen verklaring - de beide kinderen één voor één in veiligheid heeft gebracht, in plaats van beide kinderen tegelijk, en dat hij daarbij ook nog eens eerst het kind dat zich het dichtst in de buurt van de door de verdachte gebruikte uitgang bevond in veiligheid heeft gebracht en daarna het kind dat zich het verst van die uitgang bevond en dat hij pas daarna voor het eerst om hulp heeft geroepen.

Ook hier rijst de gedachte dat de verdachte hiermee heeft geprobeerd tijdsverloop te creëren, teneinde de brand verder tot ontwikkeling te laten komen voordat anderen ter plaatse zouden komen.

Het is - gelet op de omstandigheid dat zijn woning in brand stond, zijn vrouw nog in de woning moest zijn en niet te vinden was - eveneens opmerkelijk dat de verdachte zowel op zijn buurman, als op de commandant van de brandweer, die beiden kort na de melding van de brand aan de alarmcentrale ter plaatse waren, een rustige indruk maakte.

Bij een in de nacht van 11 op 12 december 1996 ingesteld nader onderzoek door de brandweer en de politie in de woning van de verdachte is na enige tijd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] aangetroffen. Het stoffelijk overschot bevond zich - zo is uit later onderzoek gebleken - onder de restanten van een metalen stellingkast, op de vloer van het kantoorgedeelte in de woning. Dit kantoor bevond zich - bezien vanaf de buitenzijde van de voordeur van de woning - schuin links van de voordeur van de woning.

In dat kantoorgedeelte was tevens een kluis, waarvan de kluisdeur openstond, met de sleutels van de kluis in het slot. In die kluis - waarin zich volgens de verdachte een geldbedrag van

Fl. 340.000,- tot Fl. 360.000,- heeft bevonden - werden geen restanten van enige kluisinhoud aangetroffen.

Uit een op 12 december 1996 ingesteld technisch onderzoek naar de oorzaak van de brand en naar het brandbeeld in de woning van de verdachte is gebleken dat de brand zich heeft beperkt tot de hal achter de voordeur en het links van de hal gelegen kantoorgedeelte en dat een technisch verklaarbare oorzaak van het ontstaan van de brand kan worden uitgesloten.

Uit onderzoek van enkele in het kantoorgedeelte genomen brandmonsters is gebleken van de aanwezigheid van een brandversnellend middel, te weten motorbenzine. Onder meer op restanten van de kleding waarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] was gekleed, is eveneens motorbenzine aangetroffen.

Uit het op 26 februari 1997 opgemaakte verslag van de sectie op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] blijkt dat er sprake is van een breuklijn rechts in de schedel en van een bloeding aan de voorkant onder het harde hersenvlies. Deze letsels zijn het gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd, zoals het slaan met een hard voorwerp. Daarnaast blijkt uit dat verslag van een scherprandige klieving van de rechter halsslagader, met een rafelige klieving van het strottenhoofd. Deze verwondingen laten zich aanzien als letsels die kunnen worden veroorzaakt door het snijden met een scherp voorwerp.

De beschreven letsels zouden zonder meer tot de dood hebben geleid.

Voorts blijkt uit dat verslag dat er weliswaar aanwijzingen zijn dat [slachtoffer] niet meer leefde op het moment dat de brand uitbrak, maar dat niet met zekerheid uitgesloten kan worden dat de verbranding bij leven heeft plaatsgehad en dat de dood daarna is ingetreden door de brandletsels en de daarmee gepaard gaande traumatische shock.

Uit het strafdossier, zoals dat in de loop der jaren is ontstaan, blijkt dat de verdachte niet consistent heeft verklaard over zijn eigen lezing van de gebeurtenissen op de avond van

11 december 1996, ook niet in de periode vlak na de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Voorts stelt het hof vast dat uit de verhoren blijkt dat de verdachte gaandeweg steeds meer zijn medewerking aan het onderzoek door de politie heeft geweigerd. Deze houding valt niet goed te begrijpen, tegen de achtergrond van het door de verdachte ingenomen standpunt dat hij onschuldig is.

In die houding van de verdachte lijkt wel te passen het gegeven dat hij meerdere keren een ander of anderen aanwijst als degene of degenen die (mogelijk) verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Nader onderzoek door de politie naar de mogelijke betrokkenheid van een ander of anderen heeft echter telkens geen concreet resultaat opgeleverd, in die zin dat niet aannemelijk is geworden dat een ander of anderen dan de verdachte verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting.

Tijdens de behandeling van de strafzaak in hoger beroep heeft de verdachte op 30 juni 2009 zich op het standpunt gesteld dat andere personen, te weten [persoon 1] en één of twee anderen, onder wie mogelijk [persoon 2] en/of [persoon 3], verantwoordelijk zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Het hof heeft deze stellingname van de verdachte (nader) laten onderzoeken. Mede uit dit nadere onderzoek komt het volgende naar voren.

Na op 10 juni 2008 door de rechtbank te Groningen te zijn veroordeeld, bij welke gelegenheid de gevangenneming van de verdachte is bevolen, was de verdachte in de periode van 12 juni 2008 tot 12 september 2008 ingesloten in de penitentiaire inrichting Ter Apel.

In deze periode, te weten op 17 juli 2008, heeft de verdachte telefonisch contact gehad met

mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen en kantoorgenoot van de beide raadslieden van de verdachte.

Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft mr. D.C. Keuning de verdachte op 21 juli 2008 bezocht in de penitentiaire inrichting in Ter Apel. De verdachte heeft toen aan

mr. D.C. Keuning verteld dat hij in de penitentiaire inrichting een medegedetineerde had ontmoet die heel veel wist te vertellen over de werkelijke toedracht van de dood van [slachtoffer].

De verdachte heeft daarbij de naam [persoon 1] genoemd. Mr. D.C. Keuning heeft daarop besloten de zaak te laten rusten totdat de raadsman van de verdachte, mr. E.J. de Mare terug zou zijn van vakantie.

[persoon 1] heeft op 7 augustus 2008 telefonisch contact opgenomen met de hem bekende verbalisant [verbalisant 1] en heeft [verbalisant 1] verteld dat hij belastende informatie had over een medegedetineerde, te weten de verdachte [verdachte].

Op 14 augustus 2008 heeft [persoon 1] vervolgens een verkennend gesprek met de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gevoerd. De inhoud van dat gesprek is neergelegd in een verslag.

Naar aanleiding hiervan heeft de politie [persoon 1] op 20 augustus 2008 verhoord, van welk verhoor een videoregistratie is vervaardigd.

Tijdens dat verhoor heeft [persoon 1] verklaard dat hij tijdens zijn detentie door [verdachte] is benaderd met het verzoek om tegen een forse financiële beloning een scenario met betrekking tot de gewelddadige dood van [slachtoffer] naar buiten te brengen. [persoon 1] en [verdachte] hebben daarop samen een scenario ontwikkeld dat inhield dat een inmiddels overleden junk/inbreker, genaamd [persoon 4], samen met [persoon 1] de woning van [verdachte] was binnengedrongen en [slachtoffer] had gedwongen de kluis te openen, waarna het geld uit de kluis was gehaald en [slachtoffer] door [persoon 4] was vermoord, waarna [persoon 4] brand had gesticht om sporen te wissen. Dat verhaal zou volgens [persoon 1] door hem aan de raadsman van [verdachte] moeten worden verteld. [persoon 1] zou voor zijn rol binnenkort reeds een voorschot van € 3.500,- ontvangen via een broer van [verdachte].

[persoon 1] heeft voorts verklaard door [verdachte] te zijn benaderd en aanvankelijk meegegaan te zijn in diens voorstel, waarna beiden een gedetailleerd scenario hebben uitgewerkt, gebaseerd op informatie uit het strafdossier dat in het bezit was van [verdachte].

[persoon 1] zou op een gegeven moment echter in gewetensnood zijn gekomen en daarom de politie hebben benaderd.

Op 10 september 2008 heeft [persoon 1] vervolgens - conform zijn volgens hem met [verdachte] besproken plan - een verklaring afgelegd ten overstaan van de verdediging.

Deze verklaring van [persoon 1] is vastgelegd op briefpapier van het kantoor van de verdediging en is door [persoon 1] ondertekend.

In een proces-verbaal van bevindingen van 19 november 2008 heeft verbalisant [verbalisant 2] uiteengezet wat de achtergrond van laatstgenoemde handelwijze van [persoon 1] zou zijn geweest. Kort gezegd zou [persoon 1] zijn dubbelrol hebben volgehouden totdat hij was overgeplaatst en daarmee veilig was voor mogelijke wraakacties van [verdachte] jegens hem. [persoon 1] heeft dit nadien bevestigd.

Op 30 september 2008 heeft verbalisant [verbalisant 2] via een redactiemedewerker van het TV-programma Peter R. de Vries, misdaadverslaggever, vernomen dat [persoon 1] hen had benaderd met informatie over het plan van [verdachte].

In een gesprek op 1 oktober 2008 heeft Peter R. de Vries aan verbalisant [verbalisant 2] meegedeeld dat [persoon 1] hem had verteld over de inhoud van het plan van [verdachte] en dat [persoon 1] had gezegd dat hij zijn moeder had opgedragen een aan hem beloofd voorschot van

€ 2.500,- op te halen bij een broer van [verdachte].

Verificatie van dit laatste gegeven bij de ex-vriendin van [persoon 1] en de ouders van [persoon 1] heeft uitgewezen dat op 5 september 2008 een broer van [verdachte], [broer van verdachte]

€ 2.500,- aan de ex-vriendin van [persoon 1] heeft overgedragen.

De verdachte heeft ontkend dat hij op eigen initiatief [persoon 1] heeft benaderd en voorgesteld een scenario op te stellen met als doel de indruk te wekken dat een ander of anderen verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting. De broer van de verdachte heeft ontkend geld te hebben overgedragen.

Nader onderzoek door de politie naar de mogelijke betrokkenheid van [persoon 1] en een ander of anderen, onder wie [persoon 2] heeft geen concreet resultaat opgeleverd, in die zin dat niet aannemelijk is geworden dat een ander of anderen dan de verdachte verantwoordelijk is/zijn voor de dood van [slachtoffer] en de brandstichting.

Ter terechtzitting van het hof op 3 december 2009 heeft de verdachte naar aanleiding van het nadere onderzoek verklaard dat [persoon 1] en één of twee anderen in zijn woning zijn geweest, maar hij niet met zekerheid kan zeggen wie. Volgens de verdachte hebben [persoon 1] en [persoon 2] er achter gezeten.

Gelet op al het bovenstaande - in onderling verband en onderlinge samenhang bezien - zijn er sterke aanwijzingen aanwezig dat de verdachte verantwoordelijk is voor de gewelddadige dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Het hof stelt voorts vast dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad om die beide delicten te begaan.

Niet ondenkbaar is dat er in de avond van 11 december 1996 in de woning van de verdachte sprake is geweest van een escalerende ruzie tussen de verdachte en [slachtoffer], wellicht over het gokgedrag van de verdachte. Eén en ander kan er, zonder nader bewijs, echter niet toe leiden het wettig en overtuigend bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde aanwezig te achten.

Door de ontwikkelingen in de strafzaak in de fase van het hoger beroep en de daaruit voortvloeiende (nadere) onderzoeksresultaten wordt dit echter anders.

Het betreft dan de rol van [persoon 1] zoals hij in het onderzoek naar voren komt vanaf juni 2009. De verdediging heeft - kort samengevat - omstandig betoogd dat de verklaringen van [persoon 1] niet betrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Het hof verwerpt dit verweer om navolgende redenen.

Het hof acht de verklaringen van [persoon 1], waar hij heeft verklaard dat hij tijdens zijn detentie door de verdachte is benaderd met het verzoek om tegen een forse financiële beloning een scenario betreffende de gewelddadige dood van [slachtoffer] naar buiten te brengen en dat hij op dat verzoek is ingegaan, wèl geloofwaardig. Het hof stelt voorts vast dat in dit verband een aan [persoon 1] beloofd voorschot van € 2.500,- is opgehaald bij een broer van [verdachte] in diens winkel te [plaats]. Verificatie van dit laatste gegeven door de politie heeft een zodanige bevestiging, bestaande in gedetailleerde informatie omtrent die geldoverdracht, opgeleverd dat er geen twijfel over bestaat dat die geldoverdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Het hof stelt voorts vast dat uit de verklaringen van [persoon 1] blijkt dat de verdachte tegenover [persoon 1] heeft bekend verantwoordelijk te zijn voor de gewelddadige dood van [slachtoffer] en de brandstichting. Het gedetailleerde scenario betreffende de toedracht daarvan, dat door de verdachte en [persoon 1] gezamenlijk is uitgewerkt en dat door [persoon 1] naar buiten moest worden gebracht en dat ook daadwerkelijk door [persoon 1] naar buiten is gebracht, te weten zowel naar de verdediging van de verdachte als naar de politie, is dan ook naar het oordeel van het hof (mede) gebaseerd op daderkennis van de verdachte. Het hof acht daarbij met name het volgende van belang:

- uit het verslag van het verkennend gesprek dat [persoon 1] op 14 augustus 2008 heeft gevoerd met de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blijkt dat [persoon 1] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

"Uiteindelijk heeft [verdachte] mij verteld dat hij [slachtoffer] had doodgeslagen met een klap op haar achterhoofd. Voor dat doel had hij een broodplank gebruikt.

Ook vertelde hij details, zoals de plaatsen waar benzine was uitgegoten in het kantoortje.

Hij instrueerde mij om te zeggen dat [slachtoffer] al vóór 22.00 uur doodgemaakt was, want uit het dossier was gebleken dat een telefoontje op dat tijdstip al onbeantwoord was gebleven."

- uit het proces-verbaal van verhoor van [persoon 1], welk verhoor op 20 augustus 2008 plaatsvond, blijkt dat [persoon 1] heeft verklaard, zakelijk weergegeven:

"Op een gegeven moment kwam [verdachte] met de opmerking dat hij iemand zocht die inmiddels dood was. Toen ik hem vroeg waarom, antwoordde hij: dan kan ik hem de schuld geven.

Ik heb toen de naam [persoon 4] genoemd. (…)

We (het hof begrijpt: de verdachte en [persoon 1]) hadden een gesprek over TNO en de mogelijkheid dat hij toch veroordeeld zou worden. Hij zocht een alternatief. Zeg maar: iemand die dood was en die de schuld kon krijgen. (…)

Later in de gesprekken merkte [verdachte] op dat ikzelf eigenlijk een hele sterke en stabiele persoon was (…)

Toen vroeg hij mij: Wil jij dat niet doen? (…)

Toen heb ik gezegd: Ik wil wel kandidaat zijn om het in scène te zetten dat ik het gedaan heb. (…) Hij zei dat het goed was, jij kunt het wel sterk overbrengen. (…)

[verdachte] zei dat ik moest vertellen dat ze gekleed was in een rok en dat ze haar kleding had omgewisseld, dat er een mouwophouder was en dat er een ijzeren rek over haar heen gegooid was. Hij vertelde dat er een wond was op haar achterhoofd en een snee in haar nek. (…)

Alles wat ik weet, heb ik uit de mond van [verdachte] gehoord. (…)

Ik zeg nu gewoon wat ik moest zeggen. Nou, we zijn om elf uur dus gekomen. We gingen via de voordeur. [slachtoffer] deed open. We namen haar mee in de woonkamer. [slachtoffer] werd daar vastgehouden door [persoon 4] en ik ging het huis doorzoeken. [verdachte] heeft voor dat doel voor mij een plattegrond van het huis getekend, want op dat moment beschikte hij nog niet over het dossier. Met een wenteltrap ging je naar boven, daar lagen de kinderen. Wat ook belangrijk was, dat er een zwart bankstel was, dat moest ik onthouden. En dat ik naar boven was geweest, dat ik de kinderen zag liggen, dat ik via de badkamer naar zolder kon. Dat bij binnenkomst door de voordeur gelijk links het kantoor was waar zich om de hoek de kluis bevond. Dat moest ik vertellen. En dan de sleutels. Later hebben we daar een fout in gemaakt want ik ben ook bij de advocaat van [verdachte] geweest. Deze vroeg me ook waar de sleutels waren aangetroffen. Ik moest van [verdachte] zeggen dat deze in het potje lagen in de woonkamer. Maar achteraf bleek deze aan de sleutelbos te hebben gezeten. Dat heeft [verdachte] gecorrigeerd, dat ik dat anders moest vertellen. We zaten dus binnen en zogenaamd moesten we haar mishandelen. Daarna moesten we haar meenemen naar de kluis. Die moest ze opendoen. Toen ze die open had gedaan had [persoon 4] haar een klap op haar hoofd gegeven. We hebben benzine moeten gooien. We moesten benzine halen uit het busje.

Er was benzine gevonden in bepaalde hoeken van het kantoortje. Om het verhaal te bekrachtigen moesten we benzine gooien. We hebben het in de fik gestoken, om de sporen uit te wissen. (…)

[verdachte] zei tegen mij dat hij het had gedaan en dat hij mij bepaalde informatie kon vertellen die alleen de dader kan weten. (…)

[verdachte] is later teruggekomen op het tijdstip van het onbeantwoord gebleven telefoontje.

Dat zou niet om 22.00 uur, maar om 23.00 uur zijn geweest. (…)

[verdachte] vroeg of ik met zijn advocaat wilde praten. (…)

De instructies van [verdachte] aan mij waren om de advocaat te overtuigen."

Gelet op al het bovenstaande - in onderling verband en onderlinge samenhang bezien - acht het hof bewezen dat de verdachte verantwoordelijk is voor de gewelddadige dood van [slachtoffer] en de brandstichting.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en

2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair.

hij omstreeks 11 december 1996 te [pleegplaats] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een hard voorwerp op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij omstreeks 11 december 1996 te [pleegplaats] opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een gedeelte van die woning brand gesticht, ten gevolge waarvan die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die woning aanwezige goederen en levensgevaar voor in die woning aanwezige personen ([minderjarige 1] en/of [minderjarige 2]) te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 subsidiair en

2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 subsidiair -

doodslag;

2 -

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar voor anderen te duchten is.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn vrouw op gewelddadige wijze om het leven gebracht en heeft (vervolgens) brand gesticht in de echtelijke woning. Ten tijde van de brandstichting waren zijn beide nog erg jonge kinderen (slapend) in de woning aanwezig. Daarmee heeft de verdachte ook voor zijn kinderen een levensgevaarlijke situatie gecreëerd. Bovendien heeft de verdachte, door zijn vrouw om te brengen, zijn kinderen van hun moeder beroofd.

De verdachte heeft geweigerd de verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen en daarvoor verantwoording af te leggen. De brand is kennelijk gesticht met de bedoeling om sporen van het misdrijf te wissen. Tengevolge van de brandstichting is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] zeer ernstig verminkt.

Door het plegen van deze delicten heeft de verdachte aan de nabestaanden onnoemelijk veel leed toegebracht, welk leed ter zitting op indringende wijze naar voren is gekomen door de inhoud van de schriftelijke slachtofferverklaring. Mede door het langdurige tijdsverloop voordat het tot nieuwe ontwikkelingen in deze zaak en (uiteindelijk) tot een berechting is gekomen, zal er bij de nabestaanden langdurig grote onbekendheid en onzekerheid zijn geweest over wat er zich nu precies heeft afgespeeld in de woning van de verdachte in de avond en nacht van 11 op 12 december 1996. Voor een deel zal die onbekendheid en onzekerheid ook blijvend zijn, zolang de verdachte geen volledige openheid van zaken wenst te geven. Ook dit rekent het hof de verdachte zwaar aan.

De verdachte heeft er niet voor teruggedeinsd zijn vrouw om het leven te brengen en zijn beide kinderen in gevaar te brengen. Hij heeft bovendien diverse keren op berekenende wijze getracht anderen als de daders of mogelijke daders van die delicten aan te wijzen, om zodoende de verdenking op anderen te laden en aan zijn bestraffing te ontkomen.

Daarmee heeft de verdachte zich in de ogen van het hof neergezet als een kille, niets ontziende persoon. De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof meerdere keren een enigszins gelaten indruk gemaakt. Hij vestigt de indruk niet al te zeer gebukt te gaan onder de ernst van de delicten waarvan hij wordt verdacht.

De achtergrond van deze misdrijven en het motief van de verdachte laten zich, bij gebreke van enige concrete informatie of aanwijzingen daarover, slechts raden.

Doodslag en brandstichting zijn beide ernstige delicten die een voor de rechtsorde schokkend karakter dragen en leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Ter zake van dergelijke delicten kan het hof onder de genoemde omstandigheden ter vergelding slechts een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 oktober 2008 blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, zij het dat hij wel is veroordeeld ter zake van andersoortige strafbare feiten.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en met hetgeen daaromtrent uit het over de verdachte door het Pieter Baan Centrum opgemaakte rapport van 20 november 2009 en overigens uit het strafdossier is gebleken.

Naar het oordeel van het hof is hier sprake van zeer ernstige delicten, waarvoor - uit het oogpunt van normhandhaving en tevens ter vergelding van het leed dat de nabestaanden is aangedaan - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur noodzakelijk en geboden is.

De rechtbank heeft voor de bewezen verklaarde feiten, inbegrepen de oplichting als opgenomen onder feit 3, een gevangenisstraf opgelegd van twaalf jaren. De advocaat-generaal heeft voor deze feiten een gevangenisstraf gevorderd van vijftien jaren.

Het hof overweegt dat er niet alleen sprake is van twee - in samenhang bezien - gruwelijke feiten. Het hof stelt tevens vast dat de verdachte bereid is geweest tot het uiterste te gaan, door, nadat hij door de rechtbank was veroordeeld, op zoek te gaan naar iemand die tegen betaling van geld bereid was de bewezen verklaarde feiten op zich te nemen. Aldus heeft de verdachte geprobeerd zijn vrijheid te kopen. Deze houding rekent het hof de verdachte aan. Vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren noodzakelijk acht. Daaraan doet de vrijspraak voor het onder feit 3 ten laste gelegde niet af. Dit geldt eveneens voor de ouderdom van de bewezen verklaarde feiten.

Teruggave van het in beslag genomen voorwerp

Het in beslag genomen voorwerp, te weten een [automerk], met kenteken [kenteken], heeft betrekking op het onder 3 ten laste gelegde, ter zake waarvan de verdachte zal worden vrijgesproken. Gelet op die vrijspraak zal het hof gelasten dat dit voorwerp wordt teruggegeven aan de verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 1 primair en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van

vijftien jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van een [automerk], met kenteken [kenteken].

Dit arrest is aldus gewezen door mr. S.H. Wachter, voorzitter, mr. H.J. Deuring en

mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.