Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK6808

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
200.026.166/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk; het begrip "redelijk loon" wordt beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 15 december 2009

Zaaknummer 200.026.166/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Bouwbedrijf [Z.] B.V.,

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [Bouwbedrijf Z.],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.A. van Beilen, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 19 september 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Bij tussenarrest van 19 september 2007 is een comparitie van partijen bevolen die op 11 december 2007 heeft plaatsgevonden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter comparitie is geen schikking bereikt.

De conclusie van de memorie van grieven tevens akte houdende tot vermeerdering van eis luidt:

"bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het op 27 juni 2007 door de Rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Sneek in conventie tussen partijen gewezen vonnis te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellante te betalen een bedrag ad € 11.500,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der inleidende dagvaarding en subsidiair tot betaling van een bedrag ad € 5.709,20, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der inleidende dagvaarding, en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord tevens houdende verzet tegen de vermeerdering va eis is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden - het beroep van appellante niet ontvankelijk althans ongegrond te verklaren en het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden van 27 juni 2007 te bekrachtigen, met veroordeling van appellante in de kosten van het hoger beroep."

Tenslotte heeft [Bouwbedrijf Z.] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[Bouwbedrijf Z.] heeft drie grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen in conventie door de rechtbank gewezen vonnis waarbij de vorderingen van [Bouwbedrijf Z.] zijn afgewezen.

2. Samenvatting van het geschil voor zover vallend binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep.

2.1. Tussen partijen is een aannemingsovereenkomst gesloten waarbij [geïntimeerde] aan [Bouwbedrijf Z.] opdracht heeft gegeven om op regiebasis een woning met loods in het plan De Ward te Bolsward zou bouwen. In de opdrachtbevestiging van 19 augustus 2002 schrijft [Bouwbedrijf Z.] aan [geïntimeerde] onder meer:

'Er is overeengekomen dat het werk zal worden uitgevoerd aan de hand van weekrapporten op basis van nacalculatie. Over de materialen berekenen we een percentage van 15% voor winst+riscio+AK kosten incl. C.A.R. verzekering voor het hele bouwwerk.'

2.2. Meteen na de oplevering ontstond er tussen partijen discussie over het antwoord op de vraag of [Bouwbedrijf Z.] aan [geïntimeerde] te veel in rekening had gebracht. Partijen hebben daarover op 26 januari 2004 overleg gevoerd.

2.3. [Bouwbedrijf Z.] heeft aan [geïntimeerde] een nota gezonden met factuurdatum 2 februari 2004 betreffende de: 'Betreft: eindafrekening bouw woning + loods.'

Deze nota vermeldt voor materiaal en werkloon (na bijtelling van 2% kredietbeperking), een totaalbedrag van € 11.730,88 (inclusief BTW).

2.4. In een brief van 26 februari 2004 schrijft [Bouwbedrijf Z.] aan [geïntimeerde], onder meer:

'Tijdens ons gesprek op 26-01-2004 over de eindafrekening van de bouw van uw woning + bedrijfsloods hebben wij het volgende afgesproken. Dat de betaling hiervan zou plaats vinden mits februari 2004. Tot nog toe hebben wij nog geen betaling of reaktie ontvangen.'

2.5. In een brief van 4 maart 2004 van [geïntimeerde] en gericht aan [Bouwbedrijf Z.], staat onder meer:

'Naar aanleiding van ons gesprek stuur ik u het overzicht met de verschillen in berekening. De facturen/overzichten zijn bijgesloten om aan te geven, waar er fouten zijn gemaakt in de berekening. Indien er nog vragen zijn ben ik bereid om de aspecten nader toe te lichten.'

Het hof overweegt hieromtrent dat [Bouwbedrijf Z.] het aanvankelijke standpunt van [Bouwbedrijf Z.] dat zij de brief van 4 maart 2004 eerst veel later heeft ontvangen als gevolg waarvan moet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd, klaarblijkelijk heeft prijsgegeven nu zij blijkens het proces-verbaal van comparitie na aanbrengen zonder kenbaar voorbehoud op deze brief is ingegaan, en heeft nagelaten deze kwestie in een grief aan het hof voor te leggen.

3. De vermeerdering van eis

De vermeerdering van eis door [Bouwbedrijf Z.] wijst het hof af. [Bouwbedrijf Z.] heeft in de dagvaarding in eerste aanleg (punt 11) onvoorwaardelijk afstand gedaan van haar vordering voor zover die hoger is dan € 5.000,--. Daarmee heeft zij niet alleen materieelrechtelijk haar vordering voor dat meerdere prijsgegeven maar staat het haar ook procesrechtelijk niet langer vrij haar eis te vermeerderen tot boven de competentiegrens van de sector kanton van de rechtbank.

4. De eerste grief

4.1. Volgens [Bouwbedrijf Z.] heeft de rechtbank ten onrechte niet aan beslissing ten grondslag gelegd dat tussen partijen op 26 januari 2006 is afgesproken dat [geïntimeerde] aan [Bouwbedrijf Z.] tegen finale kwijting een bedrag van € 11.500,87 zou betalen.

4.2. Het hof overweegt hieromtrent dat [Bouwbedrijf Z.] zich kennelijk primair baseert op de nakoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3. [geïntimeerde] heeft het bestaan van een dergelijke overeenkomst gemotiveerd betwist. Volgens hem is er wel gesproken over wat hij nog moest betalen maar heeft dat niet tot overeenstemming geleid.

4.4. Nu de vaststellingsovereenkomst de (primaire) grondslag vormt voor de vordering van [Bouwbedrijf Z.], rust op deze de verplichting feiten en omstandigheden te stellen en - bij voldoende weerspreken daarvan - te bewijzen waaruit het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst volgt.

4.5. [Bouwbedrijf Z.] heeft gesteld dat is afgesproken dat [geïntimeerde] aan haar € 11.500,87 zou betalen (€ 10.000,-- wegens onvoldane facturen en € 1.500,87 wegens rente).

4.6. [Bouwbedrijf Z.] verwijst daartoe naar haar brief van 26 februari 2004 aan [geïntimeerde]. Daarin staat dat op 26 januari 2004 is gesproken over de eindafrekening en dat deze in februari 2004 zou worden voldaan. Naar het oordeel van het hof levert deze brief echter onvoldoende bewijs van de door [Bouwbedrijf Z.] gestelde overeenkomst. Als immers op 26 januari 2004 is afgesproken dat [geïntimeerde] tegen finale kwijting een bedrag van € 11.500,87 zal betalen, is daarmee onverenigbaar dat daarop een nota d.d. 2 februari 2004 volgt met de vermelding 'eindafrekening' voor een totaal bedrag van € 11.730,85. Ook de brief van 4 maart 2004 van [geïntimeerde] aan [Bouwbedrijf Z.] waarin wordt gesproken over verschillen in berekening, kan niet bijdragen aan de conclusie dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. De inhoud van deze brief doet eerder vermoeden dat partijen er nog niet uit waren.

4.7. Overige feiten worden door [Bouwbedrijf Z.] niet gesteld. Een op dit onderwerp toegespitst en gemotiveerd bewijsaanbod wordt niet gedaan. Aan het eind van haar memorie van grieven doet [Bouwbedrijf Z.] wel een algemeen bewijsaanbod maar dit is onvoldoende specifiek en concreet.

4.8. Nu het tot stand komen van een vaststellingsovereenkomst in rechte niet is komen vast te staan, kan [Bouwbedrijf Z.] haar vordering op de rechtsgevolgen daarvan niet baseren.

4.9. De eerste grief faalt.

5. De tweede grief

5.1. De tweede grief richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat [Bouwbedrijf Z.] haar factuur (hof: de rechtbank overweegt 'facturen') niet geloofwaardig heeft onderbouwd en de fouten waarop [geïntimeerde] wijst niet gemotiveerd heeft weerlegd.

5.2. [Bouwbedrijf Z.] vordert hier (subsidiair) nakoming van de aannemingsovereenkomst.

Zij heeft onweersproken gesteld dat in het totaal voor een bedrag van € 168.264,87 is gefactureerd en dat [geïntimeerde] daarop een bedrag van € 158.264,87 heeft betaald, zodat in beginsel nog € 10.000,-- moet worden voldaan, waarvan in deze procedure ten hoogste € 5.000,-- kan worden toegewezen in hoofdsom.

5.3. [geïntimeerde] heeft echter gesteld dat aan hem ten onrechte bedragen in rekening zijn gebracht die niet gebaseerd zijn op de aannemingsovereenkomst. Volgens [geïntimeerde] gaat het om de volgende posten:

a. Te veel in rekening gebrachte bekisting € 218,00

b. Loon week 25, 27 en 44 € 1.084,00

c. Kosten voor het tekenen van kozijnen € 3.785,50

d. Raamdorpels en hoekstenen € 389,92

e. Containers (2 stuks) € 670,00

f. Houtschroeven € 470,00

g. Pallets € 294,47

h. Opslag over werk door derden € 1.380,50

i. Factuur van [H.] (wegens grondafvoer) € 1.699,50

j. Heiwerkzaamheden geen bedrag genoemd

k.Lijm- en metselwerk geen bedrag genoemd

5.4. Met betrekking tot de posten onder b, d, g en h, alsmede post f. voor een bedrag van € 465,30, heeft [Bouwbedrijf Z.] erkend dat zij deze ten onrechte aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht. Het daarmee gemoeide bedrag heeft afgerond een beloop van € 4.300,80 (inclusief BTW), gelijk ook volgt uit de berekeningen door partijen. De resterende posten a, c, e, i, j en k, alsmede post f voor een bedrag van nog € 4,70, dienen daarmee nog beoordeeld te worden. Het hof hanteert daarbij om proces-economische redenen een afwijkende volgorde waarin de genoemde posten worden beoordeeld.

5.5. Ad c. Kosten voor tekenen van de kozijnen

[Bouwbedrijf Z.] heeft voor het maken van de tekeningen voor kozijnen 153 uur in rekening gebracht. [geïntimeerde] stelt dat volstaan had kunnen worden met 40 uur. Hij wijst er op dat het ging om eenvoudige kozijnen en beperkte tekeningen.

5.6. Indien, zoals hier het geval is, geen bepaalde prijs is overeengekomen, dan is de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd (artikel 7:752 lid 1 BW). Ingeval van een overeenkomst die onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het vaststellen van een redelijke prijs, kunnen in een procedure geen hoge eisen gesteld worden aan de stelplicht van de opdrachtnemer omtrent het redelijke loon en aan de motivering door de rechter van zijn oordeel daaromtrent. De rechter zal in het algemeen kunnen volstaan met te vermelden welke omstandigheden hij naar aanleiding van het debat tussen partijen in aanmerking heeft genomen en hoe hij met inachtneming van die omstandigheden tot de bepaling van het redelijke loon is gekomen (HR 19 december 2008, RvdW 2009,82).

5.7. In de onderhavige zaak is gemotiveerd gesteld noch anderszins gebleken dat het ging om veel of complexe kozijnen of tekeningen, of dat er andere factoren waren die het grote aantal uren rechtvaardigden. Naar het oordeel van het hof valt daarom, zonder een nadere onderbouwing welke ontbreekt, niet in te zien waarom 153 uur (bijna 4 werkweken) gewerkt is aan de tekeningen. Een redelijk loon is daarom te stellen op 40 uur x € 34,50 ofwel € 1.340,--. [Bouwbedrijf Z.] heeft derhalve € 5.125,50 minus € 1.380,-- is € 3.785,50 te veel in rekening is gebracht, gelijk ook [geïntimeerde] heeft aangevoerd.

5.8. Ad. i. Factuur van [H.] (grondafvoer)

[geïntimeerde] stelt dat zij voor de afvoer van grond geen opdracht heeft gegeven, zodat kosten daarvoor (€ 1.699,50) niet aan hem kunnen worden doorberekend. Anders dan [Bouwbedrijf Z.] stelt, is het aan haar om de grondslag voor dit deel van haar vordering te bewijzen. Uit de aard van de overeenkomst vloeit niet zonder meer voort dat daaronder ook de afvoer van grond valt. Dat geldt te meer nu [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat hij heeft gezegd dat wat hem betreft de grond ook mocht blijven liggen. [Bouwbedrijf Z.] heeft niet aangeboden te bewijzen dat aan haar opdracht is gegeven om de grond af te voeren. Zij heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het [geïntimeerde] is die moet bewijzen dat [Bouwbedrijf Z.] de grond gratis mocht meenemen. Het aan het eind van de memorie van grieven gedane algemene bewijsaanbod is niet concreet en specifiek, zodat het niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen vereisten. De kosten voor grondafvoer zijn door [Bouwbedrijf Z.] ten onrechte aan [geïntimeerde] gefactureerd.

5.9. Reeds vast staat dat [Bouwbedrijf Z.] erkent dat zij € 4.300,80 (inclusief BTW) te veel in rekening heeft gebracht. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met de posten waarvan het hof in het bovenstaande heeft geoordeeld dat deze ten onrechte aan [geïntimeerde] in rekening zijn gebracht, te weten:

Kosten voor het tekenen van kozijnen € 3.785,50

Factuur van [H.] (wegens grondafvoer) € 1.699,50

€ 5.485,00

BTW (19%) € 1.042,15

€ 6.527,15

5.10. In het totaal staat thans reeds vast dat aan [geïntimeerde] een bedrag van € 10.827,95 te veel is gefactureerd. De vordering van [Bouwbedrijf Z.] (met een hoofdsom van € 10.000,-- wegens onvoldane facturen), dient daarom te worden afgewezen. De daarover gevorderde rente zal eveneens worden afgewezen. De overige betwiste posten behoeven geen nadere bespreking.

5.11. De tweede grief faalt.

6. De derde grief mist, zoals [Bouwbedrijf Z.] zelf terecht doet stellen, zelfstandige betekenis en deelt daarmee in het lot van de twee eerste grieven.

De slotsom

Het vonnis van 27 juni 2007 waarvan beroep dient, onder verbetering van gronden, te worden bekrachtigd met veroordeling van [Bouwbedrijf Z.] in de kosten van het hoger beroep (2 punten in tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [Bouwbedrijf Z.] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 251,-- aan verschotten en € 1.264,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Zandbergen en Van Rijssen, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 15 december 2009 in bijzijn van de griffier.