Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK6663

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-12-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
BK 123/08 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/00123

uitspraakdatum: 11 december 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 06/2776 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 7 mei 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Assen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 9 april 2003 heeft de inspecteur aan belanghebbende ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2001 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.000. Gelijktijdig met deze aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 567.

1.2. Het tegen deze aanslag en boete ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 27 oktober 2006 gegrond verklaard. Hij heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op € 9.930. De boete heeft hij gehandhaafd op € 567.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 7 mei 2008 verzonden op 13 mei 2008, het tegen de aanslag en boete gerichte beroep ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het pro forma beroepschrift is op 20 juni 2008 bij het hof ingekomen. Op 15 juli 2008 heeft het hof een machtiging ontvangen en op 30 juli 2008 de gronden van het beroep (met bijlage). De inspecteur heeft op 28 augustus 2008 een verweerschrift ingediend. Nadien zijn van belanghebbende nog stukken ontvangen op 19 september 2008, 29 september 2009 en 20 oktober 2009.

1.5. Ter zitting van 4 november 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Op de zitting zijn verschenen namens belanghebbende zijn gemachtigde A, en namens de inspecteur de heer B. Ter zitting heeft belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende, geboren op .. oktober 19.., gaf in het jaar 2001 judolessen aan leden van judoverenigingen. Daarnaast handelde hij in judo/sportmatten en fitnessapparatuur. Deze activiteiten oefende hij uit in de vorm van een eenmanszaak.

2.2. Voor het doen van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2001 is aan belanghebbende uitstel verleend tot 1 september 2002. Op 13 september 2002 is aan belanghebbende een aanmaning gezonden tot het doen van aangifte binnen tien werkdagen na de datum van de aanmaning. Belanghebbende heeft het aangiftebiljet niet binnen de bij de aanmaning gestelde termijn ingediend. De inspecteur heeft daarom aan belanghebbende met dagtekening 9 april 2003 ambtshalve een aanslag IB/PVV voor het jaar 2001 opgelegd. Vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte, heeft de inspecteur hierbij aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 567.

2.3. Belanghebbende heeft tegen de aan hem opgelegde aanslag bij brief, ingekomen bij de inspecteur op 22 mei 2003, pro forma bezwaar ingesteld. Op het verzoek van de inspecteur om dit bezwaar te voorzien van een motivering heeft belanghebbende omstreeks 8 juli 2003 een voorlopige aangifte ingezonden. Na herhaaldelijke pogingen van de inspecteur om bij belanghebbende naar aanleiding van diens bezwaar een boekenonderzoek in te stellen en na meermalen door de inspecteur gedane verzoeken om de door belanghebbende toegezegde definitieve aangifte in te dienen, heeft belanghebbende uiteindelijk op 12 oktober 2005 het (definitieve) aangiftebiljet voor het jaar 2001 ingediend bij de inspecteur. Op 18 juli 2006 heeft belanghebbende een ordner met de administratie voor het jaar 2001 bij de inspecteur bezorgd en heeft een gesprek tussen belanghebbende en de inspecteur plaatsgevonden. Daarbij is afgesproken dat belanghebbende nog bepaalde informatie aan de inspecteur zou verstrekken. Toen de gevraagde informatie - ook na rappel van 21 augustus 2006 - niet werd ontvangen, heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 13 september 2006 meegedeeld dat hij bij de uitspraak op bezwaar de ingediende (definitieve) aangifte zal volgen met uitzondering van de daarin opgenomen zelfstandigenaftrek van € 6.084. Aangezien belanghebbende geen gebruik maakte van de hem geboden gelegenheid om op dit voorgenomen besluit te reageren, heeft de inspecteur op 12 oktober 2006 de gegevens voor de uitspraak op bezwaar verwerkt in het automatiseringssysteem.

2.4. Pas in 2006 heeft belanghebbende een urenspecificatie opgemaakt van de in het jaar 2001 bestede tijd aan werkzaamheden voor de eenmanszaak. Daarbij heeft hij geen gebruik gemaakt van primaire bescheiden zoals agenda's of lesroosters.

2.5. Belanghebbende heeft voor wat betreft de jaren 1998 en 1999 eveneens verzuimd de aangiften IB/PVV tijdig in te dienen. De inspecteur heeft aan hem voor die jaren eveneens verzuimboetes opgelegd.

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2. Daarnaast is de verzuimboete in geschil. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voldoende duidelijk is aangegeven waarom de aangifte niet tijdig kon worden ingediend zodat een boete niet op zijn plaats is. De inspecteur staat ter zitting een vermindering van de boete voor tot op een bedrag van € 226, zijnde het bedrag dat ingevolge het nieuwe Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: het BBBB) ter zake van een aangifteverzuim kan worden opgelegd.

3.3. Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3.76, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) geldt de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet. Ingevolge artikel 3.6, lid 1, van de Wet wordt onder het urencriterium verstaan: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.

4.2. Het hof stelt voorop dat het op de weg van belanghebbende ligt aannemelijk te maken dat hij in 2001 aan het urencriterium heeft voldaan. Daartoe heeft belanghebbende een urenspecificatie overgelegd, die pas in het jaar 2006 is opgemaakt. Uit deze urenspecificatie volgt dat belanghebbende gedurende het gehele jaar per dagdeel precies hetzelfde aantal minuten heeft besteed aan het geven van judolessen. Aan lesvoorbereiding, voorbereiding toernooien en evaluatie lesgeven/toernooien werd ieder dagdeel precies hetzelfde aantal minuten besteed. Aan de specificatie van deze uren liggen geen primaire bescheiden zoals agenda's of lesroosters ten grondslag. Tezamen met de tijd besteed aan in- en verkoopactiviteiten (182,76 uren) komt de urenspecificatie uit op een totaal van 1415,26 uren voor werkzaamheden besteed aan de eenmanszaak.

4.3. Het hof is van oordeel dat belanghebbende met het overleggen van deze achteraf opgemaakte globale urenspecificatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2001 ten minste 1225 uren heeft besteed aan werkzaamheden voor zijn eenmanszaak. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek. De omstandigheid dat dit gevolgen kan hebben voor belanghebbendes recht op huursubsidie, rechtvaardigt geen andere conclusie. Ook de omstandigheid dat de inspecteur op enig moment derdenonderzoeken heeft ingesteld om inzicht te krijgen in de aard van de inkomsten die belanghebbende geniet als judoleraar, kan belanghebbende niet baten. Niet gebleken is immers dat deze onderzoeken van belang waren voor de onderhavige procedure.

4.4. Ten aanzien van de verzuimboete heeft de rechtbank in haar uitspraak van 7 mei 2008 geoordeeld dat de inspecteur de verzuimboete van € 567 terecht aan belanghebbende heeft opgelegd, dat deze boete passend en geboden is en dat er geen reden is de verzuimboete te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn omdat een groot deel van de overschrijding voor rekening van belanghebbende komt (zie 2.3 hiervoor). Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en neemt de daartoe in de uitspraak van de rechtbank onder 3.4 tot en met 3.7 gebezigde gronden over en maakt die tot de zijne. Daaraan voegt het hof nog het volgende toe.

4.5. Voor een verzuimboete geldt niet het vereiste dat aan de zijde van de belastingplichtige sprake moet zijn van opzet of grove schuld, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld het opleggen van een verzuimboete achterwege dient te blijven. Van dit laatste is naar het oordeel van het hof evenwel geen sprake. De stelling in de pleitnota dat belanghebbende en/of zijn echtgenote te maken hebben met persoonlijke omstandigheden en gezondheidstechnische problemen, terwijl de gemachtigde pas in een later stadium betrokken is geraakt bij de onderhavige procedure, is onvoldoende om te concluderen dat bij belanghebbende iedere schuld ontbreekt bij de te late indiening van zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2001. Ook uit de bij de rechtbank ingediende (nadere) stukken betreffende de ziekte van belanghebbende en zijn echtgenote, kan niet worden afgeleid dat belanghebbende in het jaar 2002 niet in staat zou zijn geweest zijn aangifte tijdig in te (laten) dienen.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de inspecteur met juistheid een verzuimboete van € 567 opgelegd. Het hof zal de verzuimboete echter verminderen tot op een bedrag van € 226 overeenkomstig het door de inspecteur ingenomen standpunt (zie 3.2).

4.7. Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte in de uitspraak heeft vermeld dat belanghebbende geen afzonderlijke grieven heeft tegen de aan hem opgelegde verzuimboete (rechtsoverweging 2.5 uitspraak rechtbank). Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt echter dat deze mededeling wel is gedaan, terwijl de inspecteur dat ter zitting van het hof ook bevestigt. Het hof heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen in rechtsoverweging 2.5 van de uitspraak van de rechtbank staat vermeld.

4.8 Anders dan belanghebbende meent kan de onjuiste vermelding van een jaartal in de uitspraak van de rechtbank onder 1.2 van de feiten niet leiden tot nietigheid van de uitspraak van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof is sprake van een schrijffout en niet van een fatale, zogenaamde, vormfout.

4.9 Gelet op het onder 4.6 overwogene is het hoger beroep van belanghebbende gegrond voor zover het de hoogte van de boete betreft. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen en beslissen als hierna vermeld.

5. Proceskosten

Het hof acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het hof bepaalt de kosten ter zake van het (hoger) beroep op 2 punten voor het beroep bij de rechtbank en 2 punten voor het hoger beroep, maal wegingsfactor 0,5 (licht gewicht van de zaak) maal € 322 = € 644.

6. De beslissing

Het gerechtshof

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de boete betreft en

handhaaft de uitspraak op bezwaar voor zover het de aanslag IB/PVV 2001 betreft;

vermindert de boete tot op een bedrag van € 226;

bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem in (hoger) beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145 vergoedt; en

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in (hoger) beroep voor een bedrag van in totaal € 644.

Aldus vastgesteld door mr. G.M. van der Meer, voorzitter, mr.dr. D.V.E.M. van der Wiel en mr. F.J.W. Drion, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2009.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 16 december 2009

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.