Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK5528

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
WAHV 200.020.543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Sanctie ter zake van rechts inhalen waar dat is verboden. Het verhogen van de snelheid en het daardoor voorbij rijden van een voertuig op de linkerrijstrook is inhalen in de zin van art. 11, lid 1, RVV 1990. Sanctie terecht opgelegd. Vernietiging andersluidende beslissing van de kantonrechter.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14, geldigheid: 2009-10-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2009-10-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/112
Module Verkeer 2009/170

Uitspraak

WAHV 200.020.543

8 oktober 2009

CJIB 69112951781

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 31 oktober 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam genomen beslissing gegrond verklaard en de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “rechts inhalen waar dat is verboden”, welke gedraging zou zijn verricht op 23 oktober 2007 om 20.27 uur op de Rijksweg A20 te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB].

2. De kantonrechter heeft het door de betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking vernietigd. Hetgeen de betrokkene heeft gesteld, leidt naar het oordeel van de kantonrechter tot de conclusie dat er gerede twijfel aan de waarneming van de verbalisant is ontstaan. Derhalve heeft de kantonrechter geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

3. De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, is de officier van justitie van mening dat de betrokkene - anders dan de stelling dat de verrichte handeling niet als rechts inhalen kan worden gekwalificeerd - onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven te twijfelen aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Nu de betrokkene niet betwist op de genoemde locatie het voertuig van de verbalisant rechts te zijn gepasseerd en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat - op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 13 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) - rechts mocht worden ingehaald en zulks evenmin uit het dossier blijkt, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat genoegzaam is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het voorgaande is de officier van justitie van mening dat de beslissing van de kantonrechter vernietigd dient te worden en het beroep van de betrokkene ongegrond dient te worden verklaard.

4. Allereerst bevreemdt het de betrokkene dat er namens de officier van justitie hoger beroep is ingesteld. Tijdens de zitting van de kantonrechter is de vertegenwoordigster van de CVOM in de gelegenheid gesteld de zaak mondeling toe te lichten. Destijds was zij echter beperkt in haar toelichting en/of onderbouwing. Naar de mening van de betrokkene is het achteraf alsnog terugkomen op de uitspraak van de kantonrechter zeer tegenstrijdig, nu zij de haar gegeven mogelijkheid de zaak mondeling toe te lichten niet gebruikt heeft.

5. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 17 oktober 2008 heeft de vertegenwoordigster van de CVOM ter zitting aangegeven dat zij niet meegaat in het verhaal zoals door de betrokkene naar voren is gebracht. Voorts heeft zij gesteld dat de betrokkene reed met een geschatte snelheid van 120 kilometer per uur. Nu rechts inhalen niet is toegestaan, heeft zij zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de betrokkene zijn snelheid diende aan te passen, zodat hij vervolgens links kon inhalen. Derhalve kan het hof de betrokkene niet volgen in zijn stelling dat de vertegenwoordigster van de CVOM slechts beperkt gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om ter zitting van de kantonrechter een nadere toelichting te geven.

6. De beslissing van de kantonrechter stemt niet overeen met het standpunt dat de vertegenwoordigster van de CVOM ter zitting naar voren heeft gebracht. Nu op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep voor de officier van justitie openstaat en het hoger beroep binnen de beroepstermijn is ingesteld, kan het hof de betrokkene evenmin volgen in zijn stelling dat de vertegenwoordigster van de CVOM tegenstrijdig heeft gehandeld door achteraf alsnog terug te komen op de uitspraak van de kantonrechter.

7. Voorts ontkent de betrokkene de gedraging te hebben verricht. Hij voert daartoe het volgende aan. Vanaf Hoek van Holland richting Dordrecht wordt op de A20 ter hoogte van hectometerpaal 32,3 het einde van de 80-kilometerzone aangegeven. De daarna geldende maximum toegestane snelheid is 100 kilometer per uur. Uit ervaring van de betrokkene blijkt dat in een 80-kilometerzone veel voertuigen naast elkaar rijden, omdat dezelfde snelheid wordt aangehouden. Dit was naar zijn mening in onderhavige zaak ook het geval. Bij het bereiken van hectometerpaal 32,3 heeft de betrokkene zijn snelheid verhoogd richting de toegestane maximale snelheid van 100 kilometer per uur. Nu hij zijn snelheid eerder heeft verhoogd dan het links naast hem rijdende voertuig is hij van mening dat hier geen sprake is van inhalen. Daarbij merkt hij nog op dat de door de verbalisant genoemde snelheid niet op een juiste wijze is geconstateerd en niet correct is. Gelet op het voorgaande is de betrokkene van mening dat de kantonrechter het beroep terecht gegrond heeft verklaard.

8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

9. Bij de stukken van het geding bevindt zich een kopie van de aankondiging van beschikking. De daarop vermelde ambtsedige verklaring van de verbalisant houdt - zakelijk weergegeven - in dat hij heeft geconstateerd dat op 23 oktober 2007 om 20.27 uur de bestuurder van een grijze Honda Prelude met het kenteken [AB-00-AB] op de A20 te Rotterdam bij hectometerpaal 32,3 niet links inhaalde. Daarnaast heeft de verbalisant op de aankondiging van beschikking onder meer nog de volgende opmerking geplaatst:

"Op genoemd tijdstip reed ik verbalisant op de A20 rechts, komende uit de richting van Hoek van Holland en gaande richting Dordrecht. Ter hoogte van hmp (het hof leest: hectometerpaal) 32,3 reed ik op de meest linker rijstrook. Op het moment dat ik van rijstrook wilde wisselen en mijn voertuig zijdelings verplaatste werd ik rechts ingehaald, waardoor ik terug moest sturen. Voertuig reed dus op de middelste rijstrook. Geschatte snelheid 120 km/h (…)."

10. De gedraging, zoals onder 1. omschreven, betreft een overtreding van artikel 11, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 11, eerste lid, RVV 1990 houdt in:"Inhalen geschiedt links."

11. Anders dan de kantonrechter ziet het hof in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de waarneming van de verbalisant. Het door de betrokkene aangevoerde stemt immers grotendeels en in essentie overeen met de verklaring van de verbalisant. Nu door de betrokkene niet is bestreden dat hij - rijdend op de middelste rijstrook - naast een op de linkerrijstrook rijdend voertuig heeft gereden en hij zijn snelheid heeft verhoogd waardoor hij het op de linkerrijstrook rijdende voertuig voorbij is gereden, is het hof van oordeel dat er in onderhavige zaak sprake is van 'inhalen' zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, RVV 1990. Derhalve is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. De omstandigheid dat de betrokkene niet met een snelheid van 120 kilometer per uur heeft gereden, maar zich heeft gehouden aan de ter plaatse geldende (verhoogde) maximumsnelheid, leidt niet tot een ander oordeel en brengt evenmin mee dat de opgelegde sanctie gematigd dient te worden.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot de slotsom dat de kantonrechter ten onrechte het beroep gegrond heeft verklaard. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie alsnog ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Sekeris en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.