Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK3724

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200.027.492/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding vonnia op tegenspraak ingevolge art. 79 (oud) Rv overgangsrecht. Toepassing art. 339 (oud) Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 17 november 2009

Zaaknummer 200.027.492/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

hierna te noemen [appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

toevoeging,

advocaat: mr. H.A. de Boer, kantoorhoudende te Sneek,

tegen

Nationale Nederlanden Financiële Diensten B.V.,

hierna te noemen Nationale Nederlanden,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

advocaat: mr. J.H. van der Meulen, kantoorhoudende te Joure.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 28 februari 2001 en 23 mei 2001 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 27 februari 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 23 mei 2001 met dagvaarding van Nationale Nederlanden tegen de zitting van 17 maart 2009. Het petitum luidt als volgt:

"1. [appellant] alsnog te ontheffen van de veroordeling tegen hem bij het vonnis d.d. 23 mei 2001 uitgesproken dan wel dit vonnis te vernietigen.

2. alsnog Nationale Nederlanden Financiële Diensten B.V. in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen.

3. met veroordeling van Nationale Nederlanden Financiële Diensten B.V. in de kosten van onderhavige procedure, een en ander voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad."

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"te beslissen overeenkomstig de eis in de appèldagvaardig."

Bij memorie van antwoord is door Nationale Nederlanden verweer gevoerd met als conclusie:

"[appellant] niet ontvankelijk te verklaren in het door hem ingesteld hoger beroep althans, subsidiair, dat hoger beroep ongegrond te verklaren, en [appellant] te veroordelen tot betaling aan Nationale Nederlanden van de kosten van deze procedure in hoger beroep, gevallen aan de zijde van Nationale Nederlanden, welke kostenveroordeling zal worden berekend conform het gebruikelijke liquidatietarief. Nationale Nederlanden vordert dat de kostenveroordeling rentedragend en uitvoerbaar bij voorraad zal zijn."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft één grief opgeworpen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van [appellant]

1. Het hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 23 mei 2001. Na die datum is bij wet van 6 december 2001 (stb. 2001, 580) met ingang van 1 januari 2002 het huidige artikel 140 Rv ingevoerd, waarin kort gezegd is geregeld dat het onderhavige vonnis waarvan beroep als een vonnis op tegenspraak moet worden beschouwd. Op grond van die bepaling staat daartegen volgens het thans geldende recht voor de bij verstek veroordeelde [appellant] zonder meer hoger beroep open. Echter, ingevolge het toepasselijke overgangsrecht blijft het recht zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van genoemde wet van toepassing. Dat betekent dat het vonnis slechts ten aanzien van [appellant] geacht kan worden op tegenspraak te zijn gewezen indien overeenkomstig het bepaalde in artikel 79 (oud) Rv het verstek aan [appellant] als niet verschenen partij is betekend, gevolgd door hernieuwde oproeping van in beginsel alle partijen.

2. Uit het zich in het dossier bevindende audiëntienblad van de rechtbank Leeuwarden blijkt dat de zaak ter zitting van 8 november 2000 is verwezen naar de rol van 6 december 2000 voor het oproepen van de niet verschenen [appellant]. Bij exploot van 8 december 2000 is [appellant] vervolgens opgeroepen om ter zitting van 20 december 2000 te verschijnen. Blijkens het tussenvonnis van 28 februari 2001 is hij ook toen niet in rechte verschenen. Nu hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 79 (oud) Rv, dient het vonnis waarvan beroep geacht te worden tegen [appellant] op tegenspraak te zijn gewezen.

3. Het hoger beroep is op 27 februari 2009 ingesteld. Daarmee is de termijn van het toepasselijke artikel 339 (oud) Rv overschreden. [appellant] kan om die reden niet in zijn hoger beroep worden ontvangen. Hij zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 1 punt). Voor zover Nationale Nederlanden heeft gevorderd dat de kostenveroordeling rentedragend is, vindt haar vordering geen steun in het recht.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van 23 mei 2001;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Nationale Nederlanden tot aan deze uitspraak op € 419,= aan verschotten en € 894,= aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Wind, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 november 2009 in bijzijn van de griffier.