Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK3696

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
107.002.023/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot herstel (alsnog onderheien garagevloer)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 17 november 2009

Zaaknummer 107.002.023/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M. Sanna, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

toevoeging,

advocaat: mr. J.J. Achterveld, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 2 september 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan de hem bij bedoeld tussenarrest geboden mogelijkheid om tegenbewijs te leveren als in dat arrest aangegeven, heeft [appellant] een drietal getuigen doen horen, te weten [getuige 1], [getuige 2] en [vader appellant] (de vader van [appellant].

In aansluiting op de hiervoor bedoelde enquête heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, welke is geschorst en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Vervolgens heeft een voortzetting van de comparitie van partijen plaatsgevonden, ter gelegenheid waarvan zijdens [appellant] een productie is overgelegd. Van deze voortgezette comparitie van partijen is eveneens proces-verbaal opgemaakt. Beide processen verbaal bevinden zich bij de processtukken.

[geïntimeerde] heeft niet gevraagd om tegen het door [appellant] bijgebrachte bewijs, alsnog bewijs in contra-enquête te mogen leveren, maar heeft - evenals [appellant] -

wederom de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

Voorts met betrekking tot grief IV:

1. Het hof is van oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd het van hem verlangde tegenbewijs te leveren. De getuige [vader ap[appellant] heeft weliswaar verklaard dat de garantie enkel de fundering betreft die wij (naar het hof begrijpt: partij [appellant]) hebben gemaakt buiten het bestek om en dat dat ook zo tegen [geïntimeerde] is gezegd, doch deze getuige staat daarin alleen, nog daargelaten dat het hier een verklaring van de vader van partij [appellant] betreft welke - gelet op de familierelatie en de betrokkenheid bij de onderhavige zaak - met de nodige omzichtigheid moet worden gehanteerd. Bovendien heeft de getuige [getuige 1] verklaard dat de garantieverklaring niet in details is besproken en dat hij zich ook niet kan herinneren dat de garantie beperkt is.

2. Grief IV treft derhalve geen doel.

Voorts met betrekking tot grief V en met betrekking tot grief VI:

3. Tijdens de eerste comparitie van partijen is in overleg met partijen afgesproken dat [appellant] in overleg met [geïntimeerde] een herstelplan zou doen opstellen voorzien van een kostenbegroting. [appellant] heeft aan die afspraak voldaan door ter gelegenheid van de voortgezette comparitie een herstelplan met een kostenbegroting over te leggen. Een en ander is bij [geïntimeerde] niet op bezwaren gestuit.

4. Mede in het licht van hetgeen de getuige [vader appellant] heeft verklaard ("In beide gesprekken is de bouwgesteldheid in [plaats] niet aan de orde geweest. Daar was ook geen reden toe omdat er op dat moment niets aan de hand was. Inmiddels manifesteren zich overigens in [plaats] wel wat problemen.") begrijpt het hof uit het overgelegde herstelplan dat de conclusie van het rapport [persoonsnaam] ("Middels de visuele bouwtechnische inspectie is ernstige schade-indicatie waargenomen aan de nieuw aangebouwde garage. Dit is mogelijk het gevolg van een onvoldoende funderingsconstructie ... De garage had op basis van sonderingsberekening nr. 3 tot ca. 14 m diepte gefundeerd moeten worden.") op zich niet langer ter discussie staat en dat er sprake is van toenemende problemen met de garagevloer (verzakking), zodat herstel noodzakelijk is. Dat blijkt overigens ook al uit hetgeen [appellant] in de toelichting op grief VI heeft gesteld. De strekking van die grief is dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat de problemen (mede) zijn veroorzaakt door [geïntimeerde] zelf, nu in de garage een plafond is aangebracht, de wanden zijn betimmerd en de vloer te zwaar is belast (door daarop een zware werkbank en een grote hoeveelheid kranten en foldermateriaal te plaatsen).

5. Daargelaten dat [geïntimeerde] heeft betwist dat zij de vloer onevenredig heeft belast, is het hof van oordeel dat een garagevloer, die in beginsel geschikt moet zijn een auto te dragen, ook bestand moet zijn tegen het plaatsen van een werkbank en pakken kranten en/of foldermateriaal. Het hof tekent daarbij aan dat de rechtbank (onder 6.6 van het beroepen vonnis) heeft overwogen dat [appellant] van het (voorgenomen) gebruik van de garage op de hoogte was en heeft nagelaten [geïntimeerde] ter zake te waarschuwen. Tegen die overweging richt de grief zich niet. De stelling dat [appellant] ter zake wel een waarschuwing richting Orie heeft doen uitgaan, oordeelt het hof niet relevant, nu niet is gesteld of gebleken dat Orie die eventuele waarschuwing aan [geïntimeerde] (de contractspartij van [appellant]) heeft doorgegeven of had moeten doorgeven.

6. Hetgeen hiervoor is overwogen, geldt evenzeer voor het aanbrengen van een plafond en betimmering van de wanden van de garage. Het daarvoor normaliter gebruikte materiaal is niet van een zodanig gewicht dat een garagevloer daarvan gaat verzakken. Dat het in casu gebruikte materiaal extra belastend was en/of dat [appellant] op dit punt een waarschuwing heeft doen uitgaan, is gesteld noch gebleken.

7. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod zal derhalve, als niet ter zake doende, worden gepasseerd en de grieven falen.

Met betrekking tot grief VII:

8. De grief houdt in dat [geïntimeerde] het vermeende gebrek bij de oplevering had kunnen en moeten opmerken en dat zij derhalve [appellant] thans niet meer voor de vermeende gebreken aansprakelijk kan stellen.

9. Wat er van de aan de grief ten grondslag gelegde stelling ook zij, in het licht van de gegeven garantie voor onbepaalde tijd mist deze elke relevantie.

10. De grief snijdt geen hout.

Met betrekking tot grief VIII:

11. De grief richt zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de kosten welke [geïntimeerde] heeft gemaakt in verband met het opstellen van het rapport [persoonsnaam].

12. Mede in het licht van hetgeen het hof hiervoor met betrekking tot de grieven V en VI heeft overwogen, onderschrijft het hof hetgeen de rechtbank op dit punt (onder 6.8 van het beroepen vonnis) heeft overwogen en merkt de betreffende kosten aan als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6: 96 lid 2 onder b BW.

13. De grief faalt.

Met betrekking tot de grieven IX en X:

14. De grieven missen zelfstandige betekenis en delen het lot van de overige grieven.

Met betrekking tot de vermeerdering van eis:

15. [geïntimeerde] heeft haar eis in hoger beroep in die zin vermeerderd dat de in eerste aanleg gevorderde en toegewezen veroordeling tot nakoming van de garantieverklaring wordt versterkt met een dwangsom van € 500,-- voor elke dag dat [appellant] geen gevolg geeft aan de betreffende veroordeling vanaf de dag van het wijzen van arrest, alsmede voor iedere dag waarop de betreffende werkzaamheden na ommekomst van een termijn van drie maanden na het starten van die werkzaamheden niet zijn voltooid. [appellant] heeft weliswaar aangegeven de werkzaamheden te zullen verrichten als hij daartoe mocht worden veroordeeld, doch zulks laat onverlet dat de gevorderde versterking met een dwangsom voor toewijzing in aanmerking komt, mede gelet op het tijdsverloop sinds de oplevering en de toenemende verzakkingsproblemen. Wel zal het hof bepalen dat [appellant] de werkzaamheden zal dienen te beginnen op een termijn van drie maanden na betekening van het in deze te wijzen arrest, zodat [appellant] de werkzaamheden tijdig kan inplannen en eventueel benodigde (bouw)vergunningen kunnen worden verkregen. Het hof acht bovendien termen aanwezig de te verbeuren dwangsommen te maximeren tot € 25.000,--.

De door [appellant] terecht gemaakte opmerking dat hij voor de uitvoering van de werkzaamheden mede afhankelijk is van de medewerking van [geïntimeerde] vindt voldoende uitwerking in het dictum zoals dat hierna wordt gegeven. Mocht [geïntimeerde] die medewerking immers niet (ten volle) verlenen dan geraakt [appellant] niet in gebreke.

De slotsom.

16. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, waarbij het hof aantekent dat nakoming van de garantieverklaring kan geschieden door uitvoering van het herstelplan zoals dat door [appellant] in hoger beroep is overgelegd. De betreffende veroordeling zal worden versterkt met dwangsommen als nader aan te geven. [appellant] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: 3 punten tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 4 april 2007 waarvan beroep;

bepaalt voorts dat [appellant] een dwangsom van € 500,-- per dag verbeurt voor elke werkbare dag dat hij in gebreke blijft een aanvang te maken met de herstelwerkzaamheden, te rekenen vanaf drie maanden na betekening van dit arrest;

bepaalt tevens dat [appellant] een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij na ommekomst van 60 werkbare dagen, nadat een aanvang is gemaakt met de herstelwerkzaamheden, in gebreke blijft het werk naar behoren op te leveren;

maximeert de te verbeuren dwangsommen op een bedrag van € 25.000,--;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 300,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan de griffier dient te worden voldaan

€ 225,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter en mrs. Kuiper en Breemhaar, raden en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 17 november 2009 in bijzijn van de griffier.