Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK3583

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200.028.452
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof deelt de conclusies van de rechtbank zowel met betrekking tot het gezag over [het kind] als ten aanzien van de verzochte omgangsregeling en maakt deze conclusies tot de zijne. Het hof voegt daar het volgende aan toe. Het hof acht het aannemelijk dat bij de moeder een aanzienlijke angst voor de vader bestaat. Het hof baseert dit oordeel onder meer op de rapportage van de raad van 8 september 2008. Daarin heeft de raadsrapporteur geconstateerd dat de moeder oprecht bang is voor de vader en dat deze angst een belemmerende factor is voor de omgang tussen [het kind] en de vader. Het gesprek tussen de rapporteur en de moeder is geobserveerd en van die observatie is een verslag opgesteld. Ook de gedragsdeskundige die deze observatie heeft verricht stelt dat de angst van de moeder oprecht oogt en dat die angst zijn uitwerking zal hebben op [het kind]. Voorts grondt het hof zijn oordeel omtrent de angsten van de moeder op de gedragingen van de man. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat de vader zich zowel jegens de moeder als jegens de raad in bedreigende taal heeft geuit, hetgeen voor de raad destijds aanleiding is geweest om hiervan melding te maken bij de politie. De angsten van de moeder hebben een negatieve weerslag op [het kind]. Gelet hierop acht het hof het niet in het belang van [het kind] om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Indien een omgangsregeling wordt vastgesteld, zal [het kind] daardoor in een loyaliteitsconflict raken. Ook een omgangsregeling tussen [het kind] en de vader wordt om die reden niet in het belang van [het kind] geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 10 november 2009

Zaaknummer 200.028.452

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de vader],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. Atema, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.F. Rouwé-Danes, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 17 december 2008 heeft de rechtbank Leeuwarden het verzoek van de vader om hem en de moeder gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [naam kind] (hierna: [het kind]), geboren op [geboortedatum] te [plaats], te belasten en het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [het kind] afgewezen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de moeder de vader twee keer per jaar schriftelijk op de hoogte dient te stellen met betrekking tot de gezondheid en schoolvordering van [het kind] en daarbij telkens een recente foto van [het kind] dient te sturen en daarnaast dat de vader met Sinterklaas en de verjaardag van [het kind] een cadeau per post mag verzenden, waarna de moeder er zorg voor draagt dat dit bij [het kind] terechtkomt.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 16 maart 2009, heeft de vader verzocht de beschikking van 17 december 2008 voor wat betreft de omgangsregeling tussen de vader en [het kind] te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat er een omgangsregeling tussen de vader en [het kind] zal bestaan in dier voege dat [het kind] van vrijdagavond 19:00 uur tot zondagavond 19:00 uur bij de vader zal verblijven, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, en dat de vader gezamenlijk met de moeder met het gezag over [het kind] wordt belast.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 5 mei 2009, heeft de moeder het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

24 maart 2009 van Bureau Jeugdzorg en een brief van 30 juli 2009 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

Ter zitting van 7 oktober 2009 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader en de moeder, beiden bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is [medewerker van de raad] verschenen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Uit de affectieve relatie tussen partijen is [het kind] geboren. De vader heeft [het kind] erkend. [het kind] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder, die alleen met het gezag over haar is belast.

2. In zijn inleidend verzoek heeft de vader verzocht de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij hem te bepalen en hem alleen met het gezag over [het kind] te belasten. Subsidiair heeft hij verzocht hem en de moeder gezamenlijk met het gezag te belasten. Voorts heeft hij verzocht een omgangsregeling tussen hem en [het kind] vast te stellen indien de hoofdverblijfplaats van [het kind] niet bij hem wordt bepaald. Ter zitting in eerste aanleg heeft hij zijn primaire verzoeken ingetrokken. De subsidiaire verzoeken heeft hij wel gehandhaafd.

3. Bij beschikking van 17 december 2008 heeft de rechtbank beslist zoals hiervoor weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

Het standpunt van de vader

4. De vader stelt dat hij ten onrechte niet mede met het gezag over [het kind] is belast. Hij voert aan dat de moeder heeft medegedeeld dat zij niet wil dat de vader omgang heeft met [het kind]. Naar de mening van de vader is het juist vanwege deze onwelwillende opstelling van de moeder in het belang van [het kind] wanneer ook hij met het gezag over haar wordt belast. In het geval van gezamenlijk gezag kan immers ook de vader de belangen van [het kind] behartigen en kan hij, daar waar de moeder onverantwoordelijk gedrag aan de dag legt met betrekking tot de omgang, dit met [het kind] bespreken.

5. De vader is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte geen omgangsregeling tussen hem en [het kind] heeft vastgesteld. De vader voert daartoe aan dat de moeder bij voortduring stelt angstig voor de vader te zijn, maar dat deze angst niet objectief is vastgesteld. Naar zijn mening dient een nader onderzoek te worden ingesteld teneinde vast te stellen of de angsten door zijn gedrag zijn ontstaan. Daarnaast stelt de vader zich op het standpunt dat de raadsmedewerker inhoudelijk niets kan zeggen over de angst van de moeder, aangezien geen psychiatrisch en/of psychologisch onderzoek is ingesteld. De moeder dient zich voor haar angsten te laten behandelen, zo stelt de vader. Volgens hem heeft hij de moeder geen enkele reden gegeven om angstig voor hem te zijn en de subjectieve gevoelens van de moeder mogen dan ook niet van invloed zijn op de omgang tussen de vader en [het kind]. Naar de mening van de vader is er slechts sprake van onwil bij de moeder. De raad heeft volgens hem ten onrechte geconcludeerd dat het voor de moeder onmogelijk is om met de vader te communiceren.

6. De vader stelt voorts dat er sprake is van family life. Hij wijst daartoe op de tekening die zich in het dossier bevindt. Deze tekening heeft [het kind] voor de vader gemaakt. Daarnaast hebben [het kind] en de moeder een verjaardagskaart aan de vader gestuurd. Gelet op de inhoud daarvan kan naar de mening van de vader niet worden gesteld dat family life ontbreekt. De vader betwist dat er steeds problemen zijn geweest. De vader betwist de stelling van de moeder dat hij haar zou willen controleren. Hij wil slechts contact met [het kind]. Naar zijn mening dient een nieuw raadsonderzoek te worden verricht om te onderzoeken op welke wijze omgang kan plaatsvinden, zonder dat dit belastend is voor de moeder en [het kind].

Het standpunt van de moeder

7. Naar de mening van de moeder is het niet in het belang van [het kind] dat de vader mede met het gezag over haar wordt belast. Doordat de moeder niet met de vader kan communiceren, zal [het kind] in het geval van gezamenlijk gezag klem tussen hen raken.

8. De moeder betwist dat er sprake is van family life en dat er sprake is (geweest) van een bijzondere band tussen de vader en [het kind]. Volgens de moeder heeft de vader haar en [het kind] mondeling bedreigd. De moeder stelt dat zij haar angsten voor de vader steeds heeft verwoord. Zij wijst erop dat het advies van de raad niet alleen is gebaseerd op het relaas van de moeder, maar dat er in de rapportage ook wordt verwezen naar referenten. De moeder is dan ook van mening dat er terecht rekening is gehouden met haar angstgevoelens en dat er terecht niet op nader bewijs is aangedrongen. De raad heeft geen opdracht gekregen een psychiatrisch of psychologisch onderzoek in te stellen en heeft derhalve in de rapportage volstaan met de constatering dat de moeder oprecht bang is voor de vader. De moeder is gestart met de cursus 'Denk je sterk', maar is daarmee gestopt, omdat deze cursus niet voldoende was toegespitst op haar problemen. Zij heeft nu weer één-op-één gesprekken met de psycholoog. Ze stelt zich door die gesprekken wel wat rustiger te voelen, maar ze heeft nog steeds angst voor de vader.

9. De moeder stelt dat de vader allereerst de reden van de angst van de moeder weg moet nemen door haar en de mensen in haar omgeving met rust te laten. Naar haar mening is [het kind] de dupe van het gedrag van de vader. Volgens de moeder kan op dit moment in redelijkheid niet van haar verwacht worden dat zij openstaat voor omgang tussen de vader en [het kind]. Daarnaast is de moeder van mening dat de vader, door te stellen dat hij het onverantwoorde gedrag van de moeder met [het kind] zou willen bespreken, aangeeft de situatie niet te (kunnen) begrijpen. Indien de vader dergelijke zaken met [het kind] zou bespreken, zou zij, omdat zij volledig van de moeder afhankelijk is, nog meer klem raken tussen de ouders.

Het standpunt van de raad

10. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de beslissing omtrent het gezag en een omgangsregeling het belang van [het kind] voorop dient te staan. [het kind] maakt onderdeel uit van een systeem van personen, die angstig zijn voor de vader. Deze personen, zijnde haar moeder, haar tante en haar oma, zijn niet in staat zich tegenover [het kind] op een positieve wijze over de vader uit te laten. Aangezien [het kind] afhankelijk is van haar moeder, heeft ze voor omgang met de vader de psychologische toestemming van haar moeder nodig. Nu de moeder, vanwege de angst die zij voor de vader voelt, haar deze toestemming niet kan geven, kan [het kind] zich niet vrij voelen om op een ongedwongen wijze omgang te hebben met de vader en het leuk te vinden bij hem. [het kind] zal daarom eerst zelf voldoende weerbaar moeten worden, zodat zij in staat zal zijn zich, ongeacht de mening van de moeder, vrij te voelen in haar contact met de vader. Op dit moment heeft [het kind] echter nog een ambivalente houding ten opzichte van de vader.

11. De raad wijst erop dat de vader zich verhuld bedreigend uitlaat. Hij doet dit niet alleen ten opzichte van de moeder, maar heeft dit ook op het kantoor van de raad jegens de raadsmedewerkers gedaan. De vader dient zich te onthouden van dergelijke acties. De raad adviseert de vader om de moeder geen aanleiding meer te geven om zich angstig te voelen. Wanneer de moeder en [het kind] weerbaarder zijn door onder meer de therapie die de moeder op dit moment volgt, is er wellicht een mogelijkheid voor een nieuwe start.

12. Tenslotte is de raad van mening dat het te vroeg is om reeds nu een nieuw onderzoek te verrichten. De huidige angst van de moeder zal daardoor niet worden doorbroken en het zal niet tot nieuwe inzichten leiden.

Het oordeel van het hof

13. Het hof deelt de conclusies van de rechtbank zowel met betrekking tot het gezag over [het kind] als ten aanzien van de verzochte omgangsregeling en maakt deze conclusies tot de zijne. Het hof voegt daar het volgende aan toe. Het hof acht het aannemelijk dat bij de moeder een aanzienlijke angst voor de vader bestaat. Het hof baseert dit oordeel onder meer op de rapportage van de raad van 8 september 2008. Daarin heeft de raadsrapporteur geconstateerd dat de moeder oprecht bang is voor de vader en dat deze angst een belemmerende factor is voor de omgang tussen [het kind] en de vader. Het gesprek tussen de rapporteur en de moeder is geobserveerd en van die observatie is een verslag opgesteld. Ook de gedragsdeskundige die deze observatie heeft verricht stelt dat de angst van de moeder oprecht oogt en dat die angst zijn uitwerking zal hebben op [het kind]. Voorts grondt het hof zijn oordeel omtrent de angsten van de moeder op de gedragingen van de man. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat de vader zich zowel jegens de moeder als jegens de raad in bedreigende taal heeft geuit, hetgeen voor de raad destijds aanleiding is geweest om hiervan melding te maken bij de politie.

14. De angsten van de moeder hebben een negatieve weerslag op [het kind]. Gelet hierop acht het hof het niet in het belang van [het kind] om de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten. Indien een omgangsregeling wordt vastgesteld, zal [het kind] daardoor in een loyaliteitsconflict raken. Ook een omgangsregeling tussen [het kind] en de vader wordt om die reden niet in het belang van [het kind] geacht.

Slotsom

15. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. Idsardi, voorzitter, Rowel-van der Linde en Jonkman, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2009 in bijzijn van de griffier.