Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2869

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
24-002182-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doorrijden na een aanrijding. Werkstraf van 40 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-002182-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-605269-08

Arrest van 11 november 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 20 augustus 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. F.H.J. van Gaal, advocaat te Wijchen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en tot een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - ten laste gelegd, dat:

2.

hij op of omstreeks 7 oktober 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te speken van het ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat schade en/of letsel aan een ander was toegebracht.

Verdachte en de inzittenden van de door hem bestuurde auto hebben - toen verdachte achteruit reed - een klap gehoord en gemerkt dat de auto van achteren omhoog ging. Zij dachten op dat moment dat verdachte een stoeprand langs de kant van de weg had geraakt. Verdachte en zijn passagiers hebben geen schade aan de fiets van aangever [slachtoffer] of letsel bij hem waargenomen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte is in zijn auto, met daarin vier passagiers, in de nacht van 7 oktober 2007 over de [straat] te [plaats] gereden na een avondje uit. Verdachte heeft verklaard dat het die nacht mistig was. Op de [straat] fietsten op dat moment, komende vanuit de tegenovergestelde richting, drie personen. Eén van die fietsers, aangever [slachtoffer], heeft verklaard dat verdachte hem rakelings passeerde. [slachtoffer] reageerde daarop door zijn middelvinger naar verdachte op te steken. [slachtoffer] en de twee andere fietsers, [betrokkene 1] en [betrokkene 2], zijn vervolgens doorgefietst.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij boos was, omdat [slachtoffer] zijn middelvinger naar hem opstak. Verdachte heeft daarna zijn auto in de achteruit gezet en is achteruit gereden om verhaal te halen bij [slachtoffer].

Twee van de vier inzittenden van de auto hebben verklaard dat verdachte snel achteruit reed. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte in hun richting reed. Zowel verdachte als de inzittenden van de auto hebben verklaard dat zij vervolgens een klap hoorden en merkten dat de auto ergens tegenaan was gereden, omdat de auto bewoog c.q. van achteren omhoog ging. [slachtoffer] heeft verklaard dat het achterwiel van zijn fiets tijdens het achteruitrijden door verdachte werd geraakt, waardoor het wiel dubbel klapte en [slachtoffer] ten val kwam, waarbij hij zijn knie kneusde.

Verdachte is na de aanrijding in de auto blijven zitten zonder te onderzoeken wat de aard van de aanrijding was en of er schade was ontstaan. Daarna is hij weggereden. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij niet verder kon fietsen vanwege zijn kapotte achterwiel. Verdachte is - nadat hij een passagier thuis had afgezet - over de [straat] teruggereden, alwaar hij [slachtoffer] op het wegdek zag staan. Verdachte is gestopt en heeft [slachtoffer] toegesproken. Getuige [betrokkene 2] heeft op dat moment gehoord dat tegen verdachte is gezegd dat de fiets van [slachtoffer] kapot was. Verdachte is daarna wederom weggereden.

Het hof acht de verklaringen van de drie fietsers over de toedracht van de aanrijding betrouwbaar. Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen, is verdachte in het donker en met een enigszins beperkt zicht vanwege mist met een relatief hoge snelheid achteruit gereden in de richting van de aldaar fietsende [slachtoffer]. Gelet op deze omstandigheden had verdachte op het moment waarop hij een klap hoorde en voelde dat de auto ergens tegenaan was gereden de plicht een onderzoek in te stellen naar de aard van de aanrijding en de eventuele schade. Verdachte heeft dat nagelaten en is doorgereden. Korte tijd later is verdachte via dezelfde weg teruggereden. Aldaar trof hij [slachtoffer] aan, die op het wegdek stond, omdat hij niet verder kon fietsen.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij op dat moment niet heeft gezien dat de fiets van [slachtoffer] kapot was ongeloofwaardig, te meer nu getuige [getuige] (inzittende van de auto van verdachte) ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij drie fietsen op het wegdek heeft waargenomen toen verdachte was teruggereden naar [slachtoffer]. Nu voorts uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat tegen verdachte op dat moment is gezegd dat de fiets van [slachtoffer] kapot was en verdachte desondanks is weggereden, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat hij schade en/of letsel had toegebracht aan [slachtoffer].

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

hij op 7 oktober 2007 te [plaats], gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Verdachte is strafbaar. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aanwezig.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich te [plaats] in de nacht van 7 oktober 2007 schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte, die bijna een aanrijding had met een fietser, is daarna snel achteruit gereden in de richting van die fietser. Verdachte was boos, omdat de fietser zijn middelvinger naar hem had opgestoken. Tijdens het achteruitrijden heeft verdachte het achterwiel van de fiets geraakt, waardoor het achterwiel van de fiets dubbel klapte en de fietser is komen te vallen. De fietser heeft daarbij zijn knie gekneusd. Verdachte is weggereden na de aanrijding. Toen verdachte even later weer over dezelfde weg terugreed en stopte bij de fietsers, heeft hij zich niet bekommerd om het slachtoffer, terwijl hij moet hebben gezien dat diens fiets kapot was, hetgeen hem ook werd meegedeeld. Door aldus te handelen heeft verdachte de fietser niet in de gelegenheid gesteld om hem als veroorzaker van de schade daarvoor aansprakelijk te stellen.

Uit een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 juli 2009 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op de aan verdachte te wijten gedragingen waardoor de schade en het letsel voor het slachtoffer zijn ontstaan en gelet op het feit dat verdachte is doorgereden terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat hij schade c.q. letsel aan het slachtoffer had toegebracht, acht het hof de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde werkstaf een passende bestraffing. Het hof neemt daarbij enerzijds in ogenschouw dat verdachte, als bestuurder van een auto, schade en letsel heeft toegebracht aan een relatief kwetsbare verkeersdeelnemer, te weten een fietser en anderzijds dat verdachte zich kennelijk heeft laten leiden door misplaatste boosheid.

Mede gelet op het voorgaande acht het hof - anders dan de rechtbank - een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier maanden passend en geboden. Nu verdachte zich niet eerder heeft schuldig gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit zal het hof - mede om de kans op recidive te verkleinen - deze ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 1 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van veertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden;

beveelt dat de bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. S.H. Wachter en mr. G.J. Niezink, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier, zijnde mr. G.J. Niezink buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.