Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2831

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
000414-09 I
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek tot vaststelling van de betalingsverplichting op een lager bedrag. Artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering houdt een regeling in voor de tenuitvoerlegging van de maatregel ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede lid van die bepaling strekt ertoe te beoordelen of bij de veroordeelde sprake is van betalingsonmacht die aanleiding zou moeten zijn tot matiging of kwijtschelding van het vastgestelde bedrag. 1. Anders dan de advocaat van de veroordeelde veronderstelt strekt genoemd tweede lid er derhalve niet toe om het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een nieuw feitenonderzoek, zoals door de advocaat voorgesteld en dat niet de draagkracht van de veroordeelde betreft, op een lager bedrag vast te stellen. Een dergelijk onderzoek, waarmee de advocaat herziening beoogt van de uitspraak van het hof, zou in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken. 2. In aanmerking genomen de recente datum van het arrest en de huidige en in de toekomst te verwachten verdiencapaciteit van verzoeker acht het hof het aangevoerde onvoldoende draagkrachtig om aannemelijk te maken dat verzoeker niet in staat is of zal zijn om binnen de termijn voor de verjaring van de executie de open staande vordering te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2010, 3

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking d.d. 30 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, openbare raadkamer, op het verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering betreffende de veroordeelde:

[verzoeker],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht.

De inhoud van het verzoek

Aan verzoeker is bij arrest van dit hof d.d. 20 maart 2006 een maatregel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, te weten de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag van € 205.000,- ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verzoeker vraagt primair vaststelling van de betalingsverplichting op een lager bedrag, te weten € 25.000,-, op de gronden zoals in het verzoekschrift en in de pleitnota van de advocaat van verzoeker vermeld. Subsidiair beroept verzoeker zich op betalingsonmacht.

Ontvankelijkheid van het verzoek

Voornoemd arrest van dit hof van 16 maart 2006 is op 21 augustus 2007 onherroepelijk geworden. Nu het verzoek op de voorgeschreven wijze en tijdig is ingediend, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

De behandeling in raadkamer

Het hof heeft in de openbare raadkamer van 16 oktober 2009 gehoord de advocaat-generaal, verzoeker en zijn advocaat.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de stukken, waaronder het verzoek en de op de strafzaak en de maatregel betrekking hebbende stukken.

Verzoek tot aanhouding

Het hof heeft een ter zitting gedaan verzoek van de advocaat van de veroordeelde tot aanhouding van de behandeling van het verzoek afgewezen op grond van de volgende overwegingen.

Het onderhavige verzoek is door de advocaat van verzoeker ingediend bij het hof per fax van 7 oktober 2009. Daarin is betoogd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel in werkelijkheid € 25.000,- bedraagt. Teneinde die stelling te kunnen onderbouwen wenst verzoeker een getuige te doen horen die bereid is te verklaren dat verzoeker niet 70 kilo hasj had ontvangen en verkocht, doch slechts 20 kilo voor een bedrag van € 27.000,-.

Met het oog daarop heeft de advocaat verzocht de behandeling van het onderhavige verzoek aan te houden.

Artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering houdt een regeling in voor de tenuitvoerlegging van de maatregel ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel. Het tweede lid van die bepaling strekt ertoe te beoordelen of bij de veroordeelde sprake is van betalingsonmacht die aanleiding zou moeten zijn tot matiging of kwijtschelding van het vastgestelde bedrag. Anders dan de advocaat van de veroordeelde veronderstelt strekt genoemd tweede lid er derhalve niet toe om het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een nieuw feitenonderzoek, zoals door de advocaat voorgesteld en dat niet de draagkracht van de veroordeelde betreft, op een lager bedrag vast te stellen. Een dergelijk onderzoek, waarmee de advocaat herziening beoogt van de uitspraak van het hof, zou in strijd zijn met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken.

Beoordeling van het verzoek

Artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid om, wanneer een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel is opgelegd, vermindering of kwijtschelding te vragen van het daarin vastgestelde bedrag.

Blijkens de wetsgeschiedenis behorende bij de wijziging van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering (kamerstukken II, 2001/02, 28079, nr. 3, p. 16-17) heeft voor de beoordeling van een verzoek tot vermindering of kwijtschelding te gelden dat verzoeker aannemelijk dient te maken dat hij niet (meer) in staat is de aan hem opgelegde verplichting tot betaling aan de staat te voldoen en ook in de toekomst daaraan niet zal kunnen voldoen.

Op de gronden zoals hiervoor onder het verzoek tot aanhouding zijn vermeld wijst het hof het primair gedane verzoek tot verlaging van vastgestelde bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Namens verzoeker is subsidiair aangevoerd dat zijn nettosalaris € 866,70 bedraagt en dat verzoeker nu en in de toekomst niet in staat is of zal zijn om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Ter ondersteuning daarvan heeft hij een salarisspecificatie overgelegd en gesteld dat het voor verzoeker gelet op zijn opleiding, achtergrond en leeftijd niet mogelijk is gebleken om een beter betaalde baan te krijgen.

In aanmerking genomen de recente datum van het arrest en de huidige en in de toekomst te verwachten verdiencapaciteit van verzoeker acht het hof het aangevoerde onvoldoende draagkrachtig om aannemelijk te maken dat verzoeker niet in staat is of zal zijn om binnen de termijn voor de verjaring van de executie de open staande vordering te voldoen.

Het hof zal daarom het verzoek afwijzen.

HET HOF,

BESCHIKKENDE:

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. P.W.J. Sekeris, als voorzitter, mrs. H.M. Poelman en L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Zomer als griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd.