Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2764

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
24-002640-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Salduz-verweer. Minderjarige verdachte niet gewezen op recht op rechtsbijstand vóór en tijdens politieverhoren. Het hof is van oordeel dat de betreffende verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs. 2. Derdenwerking Salduz. De verklaringen van de medeverdachte, ten aanzien van wie eenzelfde vormverzuim is begaan, kunnen in beginsel worden gebezigd voor het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De ratio daarvan is daarin gelegen dat verdachte in beginsel geen beroep toekomt op schending van normen, voor zover die normen jegens een ander dan verdachte zijn geschonden. Schutznormvereiste.

3. RuneScape-zaak: diefstal (met geweld) van virtuele voorwerpen. Het hof is van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van diefstal als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Als gevolg van de digitalisering van de maatschappij is een virtuele realiteit ontstaan, die niet in alle opzichten kan worden afgedaan als louter illusie, ten aanzien waarvan het plegen van strafbare feiten niet mogelijk zou zijn.

Veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie, met bijzondere voorwaarde, en werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002640-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-676124-07 en 17-675514-08

Arrest van 10 november 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van

21 oktober 2008 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 17-676124-07 en

17-675514-08 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven en een overtreding veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het in zaak A, onder

1 primair en 2, en voor het in zaak B ten laste gelegde zal veroordelen tot een maand jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, waaraan de bijzondere voorwaarde dient te worden verbonden dat verdachte zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen, te geven door de jeugdreclassering. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 uur vervangende hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Het hof zal - in navolging van de rechtbank en gehoord de advocaat-generaal en de raadsman - de thans ter beoordeling staande feiten opvatten als zijnde ten laste gelegd als primair diefstal met geweld en subsidiair mishandeling en/of bedreiging, alle in vereniging gepleegd. Aan verdachte is, met inachtneming van het vorenstaande, ten laste gelegd dat:

Zaak A

1.

hij op of omstreeks 06 september 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (virtueel) amulet en/of een masker, (en/of) (dan wel) items/coins ((zijnde) (virtuele) voorwerpen en/of (virtueel) geld) van het (online) (computer)spel genaamd RuneScape), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (de account van) [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] (meermalen en/of met kracht) (met (een) tot vuist(en) gebalde hand(en)) op/tegen het hoofd en/of de ribben en/of (elders) tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of die [slachtoffer 1] (meermalen en/of met kracht) tegen de borstkas en/of de benen en/of (elders) tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of op (de borstkas en/of de heupen en/of de zijkant van de ribben, althans het lichaam van) die [slachtoffer 1] is/zijn gaan staan en/of (een) mes(sen) in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gehouden en/of met (een) mes(sen) zwaaiende en/of stekende en/of heen en weer makende en/of slingerende bewegingen (voor/ten overstaan van die [slachtoffer 1]) heeft/hebben gemaakt en/of met (een) mes(sen) over de schouder(s) van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gesneden en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben toegevoegd de woorden "ik maak je dood", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of die [slachtoffer 1] (in zijn/een stoel) achterover heeft/hebben getrokken en/of naar de grond heeft/hebben gewerkt/geduwd en/of (de nek van) die [slachtoffer 1] in een wurggreep heeft/hebben genomen; en/of in het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geknepen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat:

hij op of omstreeks 06 september 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (meermalen en/of met kracht) (met (een) tot vuist(en) gebalde hand(en)) op/tegen het hoofd en/of de ribben en/of (elders) tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of (meermalen en/of met kracht) tegen de borstkas en/of de benen en/of (elders) tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of op de borstkas en/of de heupen en/of de zijkant van de ribben, althans het lichaam is/zijn gaan staan en/of (in zijn/een stoel) achterover heeft/hebben getrokken en/of naar de grond heeft/hebben gewerkt/geduwd en/of in een wurggreep heeft/hebben genomen en/of in het hoofd heeft/hebben geknepen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

hij op of omstreeks 06 september 2007 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn/haar mededader(s) opzettelijk dreigend (een) mes(sen) in de richting (van het lichaam) van die [slachtoffer 1] gehouden en/of met (een) mes(sen) zwaaiende en/of stekende en/of heen en weer makende en/of slingerende bewegingen (voor/ten overstaan van die [slachtoffer 1]) gemaakt en/of met (een) mes(sen) over de schouder(s) van die [slachtoffer 1] gesneden en/of die [slachtoffer 1] toegevoegd de woorden: "ik maak je dood", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 september 2007 tot en met 21 februari 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], als een jongere die (geboren op

22 maart 1993 en aldus) de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt en die als leerling van een school, te weten de Openbare Scholengemeenschap [naam] is ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, die school na inschrijving geregeld te bezoeken;

Zaak B

hij op of omstreeks 13/14 april 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan de [adres]) heeft weggenomen een of meer laptop(s) en/of een playstation en/of een of meer spel(len) en/of een gsm en/of een (digitale) camera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereikt heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Bespreking van de gevoerde verweren ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

[naam]

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting - zakelijk weergegeven - een beroep gedaan op de jurisprudentie van het EHRM van 27 november 2008 in de zaak Salduz tegen Turkije, welke door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 30 juni 2009 in grote lijnen analoog is "vertaald" naar de Nederlandse rechtspraak. In de onderhavige zaak is de minderjarige verdachte - in strijd met de hiervoor genoemde jurisprudentie - niet gewezen op zijn recht op rechtsbijstand tijdens de politieverhoren. Evenmin is aan verdachte de mogelijkheid geboden om, voorafgaand aan die verhoren, een raadsman te consulteren. Van belang is voorts dat verdachte de ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaringen in een later stadium - ter terechtzitting in eerste aanleg en herhaald ter terechtzitting van het hof - goeddeels heeft ingetrokken. De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een zodanig ernstig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs, dat verkregen is door middel van de politieverhoren. Aangezien eenzelfde schending van artikel 6 van het EVRM heeft plaatsgevonden ten aanzien van de (minderjarige) medeverdachte kan - gelet op de derdenwerking die volgens de raadsman van genoemd artikel uitgaat - diens verklaring evenmin worden gebezigd voor het bewijs in de zaak tegen deze verdachte. De raadsman verzoekt het hof daarom verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig bewijs.

De beoordeling door het hof

Het hof stelt vast dat verdachte op 7 september 2007 om 10.45 uur buiten heterdaad is aangehouden ter zake van de hierboven weergegeven feiten. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte die dag voor de eerste maal is verhoord om 13.00 uur, dat hij om 13.37 uur ten tweeden male is verhoord en om 15.45 uur in verzekering is gesteld. Uit de schriftelijke weergave van de verhoren is af te leiden dat verdachte is gewezen op zijn zwijgrecht. Niet blijkt dat hij is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand, voorafgaand aan en tijdens die verhoren, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is gebeurd.

Verdachte heeft ten overstaan van verbalisanten bekennende verklaringen afgelegd. Vaststaat dat hij die dag op enig moment is bezocht door een piketadvocaat. Het formulier "verklaring optreden piket" voorziet evenwel niet in de vermelding van een tijdstip van dat optreden. Nu andersluidende gegevens omtrent deze gang van zaken ontbreken, houdt het hof het ervoor dat verdachte de piketadvocaat niet heeft gesproken vóór de zojuist genoemde verhoren.

Verdachte heeft na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting zijn proceshouding gewijzigd en verklaard dat hij tegenover de politie niet de waarheid heeft gesproken.

Met betrekking tot de jurisprudentie van het Europese hof, waarop door de verdediging een beroep is gedaan, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009 (LJN: BH3079) het volgende overwogen, zakelijk weergegeven:

De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden aan artikel 6 EVRM een aanspraak kan ontlenen om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor uitdrukkelijk dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen zoals door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Het voorafgaande ziet zowel op aangehouden strafrechtelijk volwassenen als op aangehouden strafrechtelijk jeugdigen. Opmerking verdient dat voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie.

Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Met betrekking tot het rechtsgevolg dat aan dit verzuim moet worden verbonden stelt de Hoge Raad in voornoemd arrest het navolgende, zakelijk weergegeven: "Op grond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat in gevallen waarvan hier sprake is een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarom zal, mede gelet op de overwegingen van het EHRM, na een daartoe strekkend verweer bedoeld vormverzuim in de regel dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen."

Het vorenstaande dient naar het oordeel van het hof tot de conclusie te leiden dat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre gehonoreerd.

Dit ligt anders waar het gaat om het gebruik in de zaak tegen verdachte van de door de medeverdachte [medeverdachte] bij de politie afgelegde verklaringen, ten aanzien van wiens rechtspositie eenzelfde vormverzuim is begaan. Naar het oordeel van het hof volgt uit artikel 6 van het EVRM noch uit de hiervoor aangehaalde uitspraken dan wel uit enige andere jurisprudentie, dat afgeweken zou moeten worden van het zogeheten Schutznormvereiste. De ratio daarvan is daarin gelegen dat verdachte in beginsel geen beroep toekomt op schending van normen, voor zover die normen jegens een ander dan verdachte zijn geschonden. Anders dan door de raadsman is betoogd is door het jegens [medeverdachte] begane vormverzuim naar het oordeel van het hof geen inbreuk gemaakt op rechtens te respecteren belangen van verdachte.

Hieruit volgt dat de door medeverdachte [medeverdachte] ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaringen in beginsel als getuigenverklaringen kunnen worden gebezigd voor het bewijs dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen.

Ten overvloede overweegt het hof dat de schending van de norm van tijdige voorziening van rechtsbijstand, voorafgaand aan en (hier) tijdens het verhoor, als zodanig niet meebrengt dat de door de verdachte afgelegde verklaring niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

II. Is een virtueel voorwerp een goed?

Het standpunt van de verdediging

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich, tezamen met een ander, als speler van het online computerspel "RuneScape", een door aangever in dat spel verworven amulet en masker wederrechtelijk (en met geweld) heeft toege-eigend. De raadsman heeft onder meer betoogd - zakelijk weergegeven - dat een virtueel amulet en een virtueel masker niet kunnen worden beschouwd als "een goed" in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Het goed is niet alleen tastbaar noch stoffelijk, maar heeft - in tegenstelling tot bijvoorbeeld elektriciteit - ook geen waarde in het economisch verkeer. Nu het bestanddeel "een goed" volgens de raadsman niet kan worden bewezen, moet verdachte worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De beoordeling door het hof

Aangevers en verdachten zijn allen fervent speler van het wereldwijde online computerspel RuneScape. Spelers maken daartoe door middel van een persoonlijk account een alter ego aan, via welke zij activiteiten van diverse aard kunnen ontplooien, vaardigheden ontwikkelen, kunnen vechten tegen en communiceren met medespelers en individuele opdrachten kunnen uitvoeren. Zij behalen daarmee punten en verdienen "items", zoals de hier in het geding zijnde virtuele amulet en het masker. Aan verdachte en zijn medeverdachte is primair diefstal (met geweld) van deze virtuele goederen ten laste gelegd.

Het hof dient thans de vraag te beantwoorden of een virtueel voorwerp een goed is in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. De gedachte dat aan de eis van stoffelijkheid moet zijn voldaan wil een goed binnen de reikwijdte van genoemd artikel vallen is reeds sedert het Elektriciteitsarrest uit 1921 verlaten. Dat elektriciteit een vermogensobject met een gebruikswaarde betrof - en betreft - werd door de Hoge Raad destijds van grotere betekenis geacht voor het antwoord op de vraag of het al dan niet om een voor diefstal vatbaar goed ging, dan het onstoffelijke karakter ervan.

Gaandeweg is in de jurisprudentie ook het economisch waardebegrip steeds verder gerelativeerd en gesubjectiveerd. Relevant is vooral of het goed voor de bezitter ervan waarde heeft. In de thans ter beoordeling staande zaak is evident dat het bezit van de virtuele goederen en te behalen punten uiterst begerenswaardig is voor aangever, verdachte en zijn medeverdachte. De - destijds 13-jarige - aangever heeft in dit verband verklaard, zakelijk weergegeven: "Ik ben erg rijk op RuneScape en omdat ik rijk ben, ben ik ook heel sterk. Ik ben heel sterk met verschillende wapens en bijna niet te verslaan. Vanwege mijn grote bezit op RuneScape verander ik bijna iedere drie dagen mijn wachtwoord, omdat ik bang ben dat iemand mij "hackt". De medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard: "Ik had al meer geld en punten als [slachtoffer 1] (de aangever), maar ik wilde nog wel meer geld en punten hebben. [verdachte] (verdachte) wilde dat ook wel."

Hieruit kan worden afgeleid dat voor aangever, verdachte en zijn medeverdachte hun in het spel opgebouwde bezittingen reële waarde hebben, die hen kan worden afgenomen. Het hof stelt vast dat het hier gaat om in de loop van het spel ontstane waarden, die door inspanning en tijdsinvestering zijn verworven of zijn te verwerven.

Het hof komt op grond van een en ander tot de conclusie dat redelijke wetsuitleg meebrengt, dat de hier bedoelde virtuele voorwerpen worden aangemerkt als een goed in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Relevant is voorts dat de spelregels van RuneScape niet voorzien in een wijze van verwerving van deze goederen als in casu is geschied. De wegnemingshandeling is gepleegd buiten de context van het spel. Het gaat derhalve niet om virtuele handelingen binnen een virtuele wereld, maar om feitelijke handelingen waardoor een virtuele wereld wordt beïnvloed.

III. Is voldaan aan de overige voorwaarden voor strafbaarheid in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht?

Een volgende stelling van de verdediging is dat er geen sprake is van eigendom noch van bezit van de betreffende virtuele goederen, doch slechts van een gebruikersrecht van het spel RuneScape. Het veranderen van virtuele eigenaar brengt geen verandering in eigendomsrechten in de fysieke wereld. Het spel, en alles wat daar binnen gebeurt, behoort toe en blijft toebehoren aan de eigenaar ervan, te weten Jagex Ltd. in het Verenigd Koninkrijk.

Op deze wijze geeft de verdediging naar het oordeel van het hof een te beperkte invulling aan het begrip 'toebehoren' in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt vast dat aangever binnen het spel de feitelijke en exclusieve heerschappij had over de goederen. Alleen hij kon, door in te loggen op zijn RuneScape-account, bij de door hem verworven amulet en het masker komen en daarover beschikken. In strafrechtelijke zin behoorden de in het geding zijnde goederen toe aan aangever. Hij is door de diefstal getroffen in het ongestoorde genot van de beschikkingsmacht die hij bij uitsluiting van een ander over die goederen had.

Dat het spel RuneScape vanzelfsprekend een eigenaar en/of beheerder heeft, acht het hof in het verband van deze strafzaak niet relevant. Zo is een paspoort onbetwist eigendom van de Staat der Nederlanden, maar kan dit document wel degelijk door middel van diefstal uit de beschikkingsmacht van de houder geraken.

Voorts stelt het hof vast dat in deze zaak is voldaan aan een andere jurisprudentiële voorwaarde voor diefstal, inhoudende dat de goederen door toedoen van verdachte uit de beschikkingsmacht van aangever moeten zijn geraakt en in die van verdachte zijn gekomen. Dit ligt anders, zo heeft de Hoge Raad uitgemaakt, ten aanzien van het ontvreemden van - bijvoorbeeld - software, computergegevens en een pincode, aangezien het goed daarbij niet uit de beschikkingsmacht van de aangever geraakt doch ongewenst ook in die van de ontvreemder. In die gevallen kan dan ook niet worden gesproken van diefstal.

Alles overziende is het hof van oordeel dat er in de thans ter beoordeling staande zaak sprake is van diefstal van een goed, als bedoeld in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts overweegt het hof dat als gevolg van de digitalisering van de maatschappij een virtuele realiteit is ontstaan, die niet in alle opzichten kan worden afgedaan als louter illusie, ten aanzien waarvan het plegen van strafbare feiten niet mogelijk zou zijn.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de aangifte, de verklaringen die medeverdachte [medeverdachte] bij de politie heeft afgelegd alsmede een deel van de door verdachte ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring van verdachte bewezen dat:

Zaak A

1.

hij op 06 september 2007 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een virtueel amulet en een masker, zijnde virtuele voorwerpen van het online computerspel genaamd RuneScape, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader die [slachtoffer 1] meermalen en met kracht met tot vuisten gebalde handen tegen het hoofd en de ribben en elders tegen het lichaam hebben geslagen en die [slachtoffer 1] meermalen en met kracht tegen de borstkas en de benen en elders tegen het lichaam hebben geschopt en op het lichaam van die [slachtoffer 1] zijn gaan staan en een mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] hebben gehouden en met messen zwaaiende en slingerende bewegingen voor die [slachtoffer 1] hebben gemaakt en die [slachtoffer 1] hebben toegevoegd de woorden "ik maak je dood", en die [slachtoffer 1] in zijn stoel achterover hebben getrokken en naar de grond hebben gewerkt en de nek van die [slachtoffer 1] in een wurggreep hebben genomen;

2.

hij in de periode van 26 september 2007 tot en met 21 februari 2008 te [plaats], als een jongere die geboren op [1993] en aldus de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt en die als leerling van een school, te weten de Openbare Scholengemeenschap [naam] is ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, die school na inschrijving geregeld te bezoeken;

Zaak B

hij omstreeks 13/14 april 2008 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres] heeft weggenomen laptops en een playstation en spellen en een gsm en een digitale camera, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A, onder 1 primair en 2, en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

Zaak A

1.

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Zaak B

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en de overtreding:

Zaak A

2.

overtreding van artikel 2, derde lid, van de Leerplichtwet 1969.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van diefstal met geweld. Tezamen met zijn medeverdachte heeft hij aangever gedwongen zijn account bij het online computerspel RuneScape te openen om aldus de weg vrij te maken voor overheveling van diens virtuele goederen naar de account van zijn medeverdachte. Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich daarbij bediend van intimidatie en geweld. Uit de aangifte komt naar voren dat aangever door verdachte en zijn medeverdachte tegen zijn wil werd meegevoerd naar de woning van een van hen beiden. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], afgelegd ten overstaan van de politie, is af te leiden dat er daarbij sprake was van een vooropgezet plan. Toen aangever weigerachtig bleek zijn goederen en punten goedschiks af te geven, hebben verdachte en zijn medeverdachte zich bediend van bedreigingen en daadwerkelijk geweld. Aangever werd geslagen en geschopt. Toen hij op de grond lag werd door verdachte en zijn medeverdachte op zijn lichaam gestaan. Voorts werd hij met keukenmessen geconfronteerd. Ook werd hem door verdachten gezegd dat ze hem dood zouden maken.

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat aangever schaafwonden en drukpijnen heeft opgelopen over zijn gehele lichaam. Voorts was er een vermoeden van inwendig letsel en inwendig bloedverlies en werden er psychische stoornissen geconstateerd. Verbalisanten relateren in een proces-verbaal van bevindingen: "Wij zagen dat [slachtoffer 1] zichtbaar pijn had en zodanig onder de indruk was van dit alles dat hij maar moeilijk zijn verhaal kwijt kon."

Het hof acht aannemelijk dat aangever nog geruime tijd de gevolgen zal ondervinden van hetgeen hem is overkomen.

De gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van het hof niet anders worden gekenschetst dan als kwetsend en respectloos. Het hof stelt vast dat verdachte maar in zeer beperkte mate zijn verantwoordelijkheid neemt en zijn aandeel reduceert tot "wat duw- en trekwerk".

Naast het onder 1 bewezen verklaarde heeft verdachte zich bovendien tezamen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak en aan overtreding van de Leerplichtwet.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 24 juli 2009, waaruit blijkt dat er - behoudens de gelijktijdig door het hof te behandelen zaak met het parketnummer 24-001875-09 - geen sprake is van eerdere of latere justitiecontacten.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft meermalen over verdachte gerapporteerd. Het hof heeft ter terechtzitting de gezinsvoogd van verdachte gehoord. Hoewel er tot enige zorg stemmende aspecten zijn in verdachtes functioneren, zijn er ook positieve ontwikkelingen te melden. Zo is zijn schoolgang verbeterd, dateert zijn laatste politiecontact van september 2008 en biedt zijn civielrechtelijke ondertoezichtstelling de nodige ondersteuning aan zowel verdachte zelf als aan zijn moeder.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte - naast een werkstraf - een voorwaardelijke jeugddetentie zal opleggen, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de jeugdreclassering. Het hof is van oordeel dat daarmee in voldoende mate recht wordt gedaan aan de ernst van met name het onder 1 primair bewezen verklaarde. Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, zal het hof de uitvoering van de bijzondere voorwaarde in handen leggen van de gezinsvoogd van de verdachte, nu meerdere hulpverlenings- en begeleidingscontacten het hof als niet wenselijk voorkomen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A, onder 1 primair en 2, en in zaak B ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 1 primair en 2 en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot jeugddetentie voor de duur van één maand;

bepaalt, dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd:

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen, te geven door zijn gezinsvoogd;

draagt de gezinsvoogd op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, dat wil zeggen: het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van tweehonderd uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door honderd dagen jeugddetentie.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. J.P. van Stempvoort buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.