Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2197

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2009
Datum publicatie
05-11-2009
Zaaknummer
24-000982-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd en mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een werkstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis. Verwerping noodweerverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000982-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-840063-07

Arrest van 5 november 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 14 april 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 140 uren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1:

hij in of omstreeks de periode de maand maart 2006 tot en met 25 februari 2007, te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1] en/of te [plaats 2], in de gemeente [gemeente 2], opzettelijk mishandelend zijn levensgezellin, althans een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (maart 2006) heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of tegen een muur heeft geduwd en/of in/tegen de buik en/of op/tegen de rug en/of tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of (april tot en met oktober 2006) tegen/op het lichaam en/of tegen/op het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of (omstreeks 12 februari 2007) tegen/op het schouder en/of tegen/op de rug en/of tegen/op het hoofd heeft gestompt en/of bij de haren en de arm vastgepakt om die [slachtoffer 1] naar de gang de sleuren, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2:

hij op of omstreeks 25 november 2007, te [plaats 2], in de gemeente [gemeente 2], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), tegen/op de linkerkant van het gezicht, althans in het gezicht, heeft gestompt en/of tegen/op het hoofd heeft gestompt en/of die [slachtoffer 2] een (zogenoemde) kopstoot gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1

Verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op 27 februari 2007 een grotendeels bekennende verklaring afgelegd bij de politie. Ter terechtzitting van het hof d.d. 22 oktober 2009 heeft hij aangegeven dat deze verklaring deels onjuist is en dat hij deze onder druk van de verbalisanten heeft afgelegd.

Het hof overweegt, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zijn verklaring op 27 februari 2007 niet in vrijheid heeft afgelegd. Hij heeft niet of nauwelijks aan kunnen geven waaruit die druk dan zou hebben bestaan. Voor het hof staat vast dat verdachte op voornoemde datum uit eigen beweging een grotendeels bekennende verklaring heeft afgelegd. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1:

hij in de periode van maart 2006 tot en met 25 februari 2007, te [plaats 1], in de gemeente [gemeente 1] en/of te [plaats 2], opzettelijk mishandelend zijn levensgezellin [slachtoffer 1], (maart 2006) heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en tegen een muur heeft geduwd en tegen het lichaam heeft gestompt en (april tot en met oktober 2006) tegen het lichaam en/of tegen het hoofd heeft gestompt en (omstreeks 12 februari 2007) op de schouder en op de rug en op het hoofd heeft gestompt en bij de haren en de arm vastgepakt om die [slachtoffer 1] naar de gang te sleuren, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2:

hij op 25 november 2007, te [plaats 2], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), tegen de linkerkant van het gezicht heeft gestompt en tegen het hoofd heeft gestompt en die [slachtoffer 2] een (zogenoemde) kopstoot gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;

feit 2:

mishandeling.

Strafbaarheid ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van feit 2 een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij op 25 november 2007 bij thuiskomst zijn zus, zwager ([slachtoffer 2]) en hun dochtertje trof. Zij waren op dat moment bij verdachtes moeder, bij wie verdachte in huis woonde. Verdachte kreeg een woordenwisseling met zijn zwager. [slachtoffer 2] begon met het duwen van verdachte, waarna verdachte hem uit zelfverdediging heeft gestompt en een kopstoot heeft gegeven, aldus verdachte.

Uit de zich in het dossier bevindende (getuigen)verklaringen komt naar voren dat verdachte zelf de aanval heeft gezocht door [slachtoffer 2] te stompen en een kopstoot te geven. Niet aannemelijk is geworden dat hier een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer 2] aan voorafging. Er was van een noodzakelijke verdediging derhalve geen sprake. Nu een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden wordt het beroep op noodweer verworpen.

Het hof acht verdachte strafbaar, nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode maart 2006 tot en met 25 februari 2007 meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin [slachtoffer 1]. Op 25 november 2007 mishandelde hij zijn zwager [slachtoffer 2]. Hierdoor heeft verdachte pijn en letsel bij de slachtoffers veroorzaakt en de lichamelijke integriteit van de slachtoffers aangetast.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend Uittreksel uit het Justitiƫle Documentatieregister d.d. 18 augustus 2009 - eerder is veroordeeld ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de - door de advocaat-generaal gevorderde - werkstraf van 140 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden als zijnde passend en geboden, dient te worden opgelegd. De voorwaardelijke straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Het hof legt een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op dan de politierechter heeft gedaan. De door de politierechter opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand doet - mede in het licht van verdachtes strafrechtelijke verleden - onvoldoende recht aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventig dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier.