Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2003

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
24-000870-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard is overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte heeft, terwijl hij een grote hoeveelheid alcohol op had (bloedalcoholgehalte 1.88 milligram alcohol per milliliter bloed), een ernstig verkeersongeval veroorzaakt waarbij een 33-jarige man om het leven is gekomen en een ander lichamelijk letsel heeft bekomen. De verdachte heeft niet tijdig de voor hem rijdende auto opgemerkt en heeft zijn voertuig niet tot stilstand kunnen brengen waardoor hij tegen de achterzijde van de voor hem rijdende auto is aangereden. Deze auto is vervolgens terechtgekomen op de tegemoetkomende rijstrook waar deze door een auto uit de tegenovergestelde richting is aangereden. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij in beschonken toestand is gaan rijden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt welke impact het ongeluk heeft op de nabestaanden.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en een ontzegging van de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000870-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-670489-07

Arrest van 3 november 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van

27 maart 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en dat het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid zal opleggen voor de duur van vijf jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - met inachtneming van de wijziging die de rechter in eerste aanleg heeft toegelaten - ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 30 april 2007, in de gemeente [gemeente], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, ter plaatse waar voor motorvoertuigen, in verband met wegwerkzaamheden, ter hoogte van hectometerpaal 20.1 een tijdelijke snelheidsbeperking was ingesteld van 70 km/u en welke snelheidsbeperking ter hoogte van hectometerpaal 19.7 verder werd teruggebracht naar 50 km/u, hetgeen ook middels de daarvoor bestemde borden aan weggebruikers kenbaar werd gemaakt, te rijden met een te hoge snelheid en/of niet en/of niet tijdig zijn snelheid, conform die snelheidsbeperking, terug te brengen en/of niet en/of niet tijdig een voor hem rijdende auto op te merken, welke kennelijk snelheid verminderde en/of zijn snelheid al had geminderd en/of (aldus) niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcoholhoudende drank was, waarna (vervolgens) een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die voor hem rijdende auto, bestuurd door [slachtoffer 1], tengevolge waarvan deze terecht kwam op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, en daar in botsing kwam met een naderende auto bestuurd door [slachtoffer 2], waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1]) werd gedood en/of een ander (genaamd [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde ruggenwervel en/of een breuk(je) onder in de rug, werd toegebracht, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.

hij op of omstreeks 30 april 2007, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat], ter plaatse waar voor motorvoertuigen, in verband met wegwerkzaamheden, ter hoogte van hectometerpaal 20.1 een tijdelijke snelheidsbeperking was ingesteld van 70 km/u en welke snelheidsbeperking ter hoogte van hectometerpaal 19.7 verder werd teruggebracht naar 50 km/u, hetgeen ook middels de daarvoor bestemde borden aan weggebruikers kenbaar werd gemaakt, heeft gereden met een te hoge snelheid en/of niet en/of niet tijdig zijn snelheid, conform die snelheidsbeperking, heeft teruggebracht en/of niet en/of niet tijdig een voor hem rijdende auto heeft opgemerkt, welke kennelijk snelheid verminderde en/of zijn snelheid al had geminderd en/of (aldus) niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien, waarna (vervolgens) een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die voor hem rijdende auto, bestuurd door [slachtoffer 1], tengevolge waarvan deze terecht kwam op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, en daar in botsing kwam met een naderende auto bestuurd door [slachtoffer 2], door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 30 april 2007, in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat], zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrji was, immers heeft hij, verdachte, ter plaatse waar voor motorvoertuigen, in verband met wegwerkzaamheden, ter hoogte van hectometerpaal 20.1 een tijdelijke snelheidsbeperking was ingesteld van 70 km/u en welke snelheidsbeperking ter hoogte van hectometerpaal 19.7 verder werd teruggebracht naar 50 km/u, hetgeen ook middels de daarvoor bestemde borden aan weggebruikers kenbaar werd gemaakt, gereden met een te hoge snelheid en/of niet en/of niet tijdig zijn snelheid, conform die snelheidsbeperking, teruggebracht en/of niet en./of niet tijdig een voor hem rijdende auto opgemerkt, welke kennelijk snelheid verminderde en/of zijn snelheid al had geminderd, waarna (vervolgens) een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die voor hem rijdende auto, bestuurd door [slachtoffer 1], ten gevolge waarvan deze terecht kwam op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, en daar in botsing kwam met een naderende auto bestuurd door [slachtoffer 2];

B.

hij op of omstreeks 30 april 2007, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,88 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol, per milliliter bloed bleek te zijn.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt ten laste gelegd dat hij "roekeloos" heeft gereden, aan welk begrip dezelfde betekenis toekomt als in artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet. Het hof is van oordeel dat bij de vraag of sprake is van roekeloos rijden niet alleen betekenis toekomt aan het feitelijke rijgedrag van de verdachte, maar ook aan de toestand waarin hij verkeerde ten tijde van het ongeval, indien hij zich van deze toestand op dat moment althans bewust was. Het hof is van oordeel dat hierbij in het bijzonder betekenis toekomt aan het in hoge mate onder invloed zijn van alcohol door een bestuurder van een motorvoertuig, nu algemeen bekend is dat deze toestand de rijvaardigheid ernstig ondermijnt.

Het hof is van oordeel dat verdachte roekeloos heeft gereden door te gaan rijden terwijl hij wist dat hij kort tevoren zeer veel gedronken had. Daarna heeft hij een in het donker voor hem rijdende auto, waarvan de achterlichten klaarblijkelijk goed functioneerden, ofwel pas op het allerlaatste moment opgemerkt of in het geheel niet opgemerkt. Toen hij deze auto van achteren naderde, is hij zonder althans zonder voldoende te remmen, op die voorligger gebotst. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat ter plaatse snelheidbeperkende maatregelen golden die verkeersdeelnemers verplichtten de snelheid te verminderen tot een lagere dan ter plaatse gebruikelijk was.

In het bloed van verdachte dat twee en een half uur na het ongeval is afgenomen is het zeer hoge alcoholgehalte van 1,88 microgram per milliliter bloed gemeten, welk gehalte ten tijde van het ongeval nog hoger moet zijn geweest. Door in die toestand toch te gaan rijden heeft verdachte grote risico's genomen van welke risico's hij zich bewust moet zijn geweest. Dit heeft hem er niet van weerhouden te gaan rijden. Door in die toestand ernstige verkeersfouten te maken heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan roekeloos rijgedrag.

Bewezenverklaring

Het hof acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 30 april 2007 in de gemeente [gemeente] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, ter plaatse waar voor motorvoertuigen, in verband met wegwerkzaamheden, ter hoogte van hectometerpaal 20.1 een tijdelijke snelheidsbeperking was ingesteld van 70 km/u en welke snelheidsbeperking ter hoogte van hectometerpaal 19.7 verder werd teruggebracht naar 50 km/u, hetgeen ook middels de daarvoor bestemde borden aan weggebruikers kenbaar werd gemaakt, te rijden en niet tijdig zijn snelheid, conform die snelheidsbeperking terug te brengen en niet tijdig een voor hem rijdende auto op te merken, en aldus niet in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcoholhoudende drank was, waarna vervolgens een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die voor hem rijdende auto, bestuurd door [slachtoffer 1], tengevolge waarvan deze terecht kwam op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, en daar in botsing kwam met een naderende auto bestuurd door [slachtoffer 2], waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood en een ander, genaamd [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Primair-

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Op 30 april 2007 heeft de verdachte een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. De verdachte heeft niet tijdig de voor hem rijdende auto opgemerkt. Verdachte heeft met de door hem bestuurde auto onvoldoende afstand gehouden tot zijn voorganger waardoor hij tegen de achterzijde van de voor hem rijdende auto is aangereden. Deze auto werd bestuurd door [slachtoffer 1]. Door de aanrijding is de auto van [slachtoffer 1] haaks op de rijstrook van het tegemoetkomende verkeer terecht gekomen, waarop [slachtoffer 2] die in zijn Volkswagen uit de tegenovergestelde richting kwam, tegen de rechterzijde van de auto van [slachtoffer 1] is aangereden. Ten gevolge hiervan is de toen 33-jarige [slachtoffer 1] om het leven gekomen en heeft [slachtoffer 2] lichamelijk letsel bekomen.

Verdachte is ondanks de grote hoeveelheid alcohol die hij die dag tot zich genomen had, gaan rijden. Volgens het door het NFI verrichte bloedonderzoek was het bloedalcoholgehalte van de verdachte 1.88 milligram alcohol per milliliter bloed. Het bloedonderzoek is twee en een half uur na het tijdstip waarop het ongeval plaatsvond verricht, hetgeen betekent dat het alcoholpercentage in het bloed van de verdachte nog hoger moet zijn geweest ten tijde van het ongeval. Verdachte moet zich er van bewust zijn geweest dat autorijden onder invloed van alcohol zeer ernstige gevolgen kan hebben. Dit geldt des te meer voor verdachte aangezien hij in 2000, in verband met het rijden onder invloed, de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer heeft moeten volgen.

Door zijn roekeloze rijgedrag is verdachte verantwoordelijk voor de dood van [slachtoffer 1] en voor het letsel van [slachtoffer 2] en heeft hij ook andere verkeersdeelnemers in zijn directe omgeving ernstig in gevaar gebracht. Het overlijden van [slachtoffer 1] heeft bijzonder veel verdriet teweeggebracht onder diens nabestaanden.

Het hof heeft kennis genomen van de schriftelijke slachtofferverklaring van 19 oktober 2009 van mevrouw [naam] - de verloofde van het slachtoffer [slachtoffer 1] - waarin de gevolgen van het ongeval zijn beschreven. Deze verklaring is ter terechtzitting van het hof door mevrouw [naam] voorgelezen. Uit deze verklaring blijkt dat zij het enorme verlies nog steeds niet verwerkt heeft. Ze mist haar verloofde erg en bij alles wat ze doet ervaart ze het verdriet om het verlies. Uit haar verklaring blijkt ook dat ze moeite heeft dat verdachte geen medeleven heeft getoond na het ongeval.

Het hof heeft tevens kennis genomen van de schriftelijke slachtofferverklaring van 14 oktober 2009 van de heer [naam] - de broer van het slachtoffer [slachtoffer 1]- waarin de gevolgen van het ongeval, zoals ervaren door de familie [naam], zijn beschreven. Deze verklaring is ter terechtzitting van het hof door de voorzitter voorgelezen. Uit de verklaring van de heer [naam] blijkt dat het enorme verlies nog steeds niet verwerkt is en dat met het overlijden van [slachtoffer 1] aan de nabestaanden een groot leed is toegebracht.

Uit het Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 3 juli 2009 blijkt ten nadele van de verdachte dat verdachte eerder is veroordeeld voor het rijden onder invloed.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze door hem en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht, en zoals die blijken uit het adviesrapport van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering van 15 oktober 2009. Hieruit komt naar voren dat de verdachte zich ter zake van zijn alcoholprobleem onder behandeling heeft gesteld bij de AFPN en die behandeling heeft afgerond.

Het hof heeft voorts gelet op de landelijk geldende oriƫntatiepunten straftoemeting.

Gelet op het voorgaande is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur passend en geboden is. Daarnaast dient uit het oogpunt van verkeersveiligheid aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid van langere duur te worden opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan verdachte onder primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder het primair ten laste gelegde meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaren;

ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vijf jaren.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. W. Foppen en mr. S.J. van der Woude, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier. Mr. S.J. van der Woude is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.