Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1908

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
BK 1777/02 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM6731, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag naar een te hoog belastbaar inkomen is berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2595

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: nr. 1777/02 30 oktober 2009

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen/kantoor Heerenveen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Belanghebbende heeft voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) voor het jaar 1997 een aangifte ingediend naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.106. De inspecteur heeft met dagtekening 24 november 2000 een aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 41.427.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 8 augustus 2002 het vastgestelde belastbare inkomen gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), dat op 17 september 2002 ter griffie van het hof is ingekomen. De gronden van het beroep (met bijlagen) zijn op 4 december 2008 ontvangen. De inspecteur heeft op 3 februari 2009 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de tweede meervoudige belastingkamer van 11 mei 2009, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren belanghebbende en namens de inspecteur mr. A. Het onderzoek ter zitting is vervolgens gesloten.

1.5 Zoals ter zitting afgesproken heeft belanghebbende na de zitting aan de inspecteur stukken toegezonden. Zijn reactie op die stukken en de stukken zelf heeft de inspecteur bij brief d.d. 29 mei 2009 aan het hof gestuurd. Een afschrift van laatstgenoemde brief is naar belanghebbende gestuurd. Vervolgens heeft belanghebbende op 1 juli 2009 opnieuw stukken ingezonden met een begeleidende brief. Een afschrift van die brief en van de voormelde stukken is naar de inspecteur gestuurd. Als reactie daarop heeft de inspecteur op 17 september 2009 aan het hof een brief gezonden. Een afschrift daarvan is aan belanghebbende gestuurd.

1.6 Op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hof het onderzoek heropend. De zaak is opnieuw mondeling behandeld ter zitting van 30 september 2009. Aldaar zijn verschenen dezelfde personen als ter zitting van 11 mei 2009. Ter zitting heeft belanghebbende - zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur - drie stukken overgelegd. Afschriften daarvan heeft de inspecteur ter zitting gekregen. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

1.7 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Het hof stelt op grond van de stukken en op grond van het verhandelde ter voormelde zittingen als tussen partijen niet in geschil dan wel door één der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende, geboren op .. mei 19.. en gehuwd met B, was met ingang van december 1995 in loondienst werkzaam als directeur/werknemer van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V.. Op 28 maart 1997 is deze vennootschap failliet verklaard. Naast loon uit dienstbetrekking heeft belanghebbende in het onderhavige jaar een uitkering van het GAK genoten. Belanghebbende heeft in het jaar 1994 ook een uitkering van het GAK genoten, dit in verband met zijn dienstbetrekking bij D B.V.. Deze op de voet van de Ziektewet in het jaar 1994 uitbetaalde uitkering bedroeg f 30.523.

2.2 In zijn aangifte IB/PV 1997 heeft belanghebbende het privé-gebruik auto berekend op ƒ 2.275 (ƒ 45.000 x 20% x 91/360) en tot zijn inkomsten uit arbeid gerekend. Het totale bedrag van de giften heeft belanghebbende berekend op ƒ 5.685, waarvan ƒ 5.000 in de vorm van bloeddonatie. Aan premies lijfrente heeft belanghebbende in zijn aangifte IB/PV 1997 onder andere een bedrag van ƒ 15.321 afgetrokken. Dit betreft de premie voor de lijfrentepolis met nummer 000000, zijnde een pensioenverzekering bij E N.V..

2.3 Het hof heeft ten aanzien van belanghebbende uitspraak gedaan op 17 november 2006 onder nummer 851/00. Deze uitspraak betreft de aanslag in de IB/PV voor het jaar 1996. In die uitspraak is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in 1996 voor de - ten behoeve van de onder 2.2 vermelde lijfrentepolis - verschuldigde premies door belanghebbende aan de verzekeringsmaatschappij E (per kas) is voldaan. Het hof heeft de door belanghebbende beoogde aftrek van die premies niet toegestaan. Tegen deze utspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie in zijn arrest van 10 oktober 2008, nr. 43.783, ongegrond verklaard.

2.4 De inspecteur heeft op het voor het jaar 1997 aangegeven belastbare inkomen in de IB/PV de volgende correcties aangebracht:

Het aangegeven belastbare inkomen ƒ 21.106

minder aftrek giften ƒ 5.000

geen aftrek premie lijfrentepolis ƒ 15.321

Het vastgestelde belastbare inkomen ƒ 41.427

Met dagtekening 24 november 2000 is aan belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd, berekend naar het bovenstaande belastbare inkomen.

2.5 In het jaar 1997 heeft belanghebbende bij F N.V. een polis afgesloten onder polisnummer 000001. Hiervoor is een premie betaald van f 27.916. Deze pensioenverzekering vloeit voort uit de arbeidsovereenkomst van belanghebbende met C B.V. en is gesloten ter uitvoering van een door deze werkgever aan belanghebbende gedane pensioentoezegging. Uit hoofde daarvan zijn de Regelen Verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en Spaarfondsenwet op deze verzekering van toepassing. De polis betreft een zogenaamde C-polis.

2.6 De premie van de onder 2.5 vermelde pensioenverzekering vormt de overdrachtswaarde (afkoopwaarde) van de door belanghebbende bij F N.V. afgesloten levensverzekering met polisnummer 000002. Deze verzekering is wegens overdracht op 1 augustus 1997 beëindigd. De voor de onder 2.5 genoemde verzekering verschuldigde premie is door F N.V. intern overgeboekt.

2.7 Het onzuivere inkomen van belanghebbendes echtgenote over het jaar 1997 bedraagt f 44.150. Indien belanghebbende geheel in het ongelijk wordt gesteld ter zake van de premieaftrek, bedraagt zijn onzuivere inkomen over het jaar 1997 f 59.583.

3. Geschil en de standpunten van partijen

3.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslag naar een te hoog belastbaar inkomen is berekend. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de inspecteur ontkennend.

3.2 Ter zitting van 11 mei 2009 voert belanghebbende aan dat de door hem voor het onderhavige jaar gewenste premieaftrek niet de lijfrentepolis met nummer 000000 betreft (zie 2.2 en 2.3), maar de lijfrentepolis met polisnummer 000001 afgesloten bij F N.V. (zie 2.5). Hiervoor is in 1997 een premie betaald van f 27.916, welk bedrag aan premieaftrek belanghebbende voor 1997 voorstaat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij na de zitting van 11 mei 2009 en ter zitting van 30 september 2009 nadere stukken overgelegd. Belanghebbende stelt dat de door hem in 1997 afgesloten polis bij F N.V. met polisnummer 000001 leidt tot een aftrekbaar bedrag aan premie van f 27.916. De premie is voldaan door de interne overboeking van de overdrachtswaarde/afkoopsom van de door belanghebbende bij F N.V. afgesloten levensverzekering met polisnummer 000002 (zie 2.6). Naar belanghebbende stelt ter zitting van 30 september 2009 is de voor die levensverzekering (met polisnummer 000002) verschuldigde premie voldaan door aanwending daartoe van de in 1994 ontvangen ziektewetuitkering van het GAK.

Daarnaast claimt belanghebbende alsnog aftrek van buitengewone lasten voor een bedrag van ƒ 6.068,13. Zijn grieven inzake de verrekening van de op de onderhavige aanslag verschuldigde bedragen, inzake de toepassing van een autokostenfictie van 20% en inzake de gift in de vorm van een bloeddonatie heeft belanghebbende ter zitting van 11 mei 2009 laten varen.

3.3 De inspecteur acht de aangebrachte correcties juist. Met betrekking tot het door belanghebbende geclaimde premiebedrag van f 27.916 stelt de inspecteur dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat die premie aftrekbaar is. De inspecteur stelt zich daarbij - onder verwijzing naar een op 27 augustus 2009 plaatsgevonden telefonisch gesprek met een medewerker van F N.V. - op het standpunt dat de afgekochte levensverzekering (zie 2.6) een fiscaal gefacilieerde pensioenpolis moet zijn geweest (wellicht een B-polis). Het per 1 augustus 1997 oversluiten van een B-polis naar een C-polis heeft volgens de inspecteur voor belanghebbende geen fiscale gevolgen. Indien de afgekochte pensioenpolis niet fiscaal gefacilieerd is, dan stelt de inspecteur zich op het standpunt dat een deel van de afkoopsom volgens de saldo-methode belast moet worden en dat het maximale bedrag aan aftrekbare premie in 1997 op de voet van artikel 45a, eerste tot en met derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) f 23.712 bedraagt.

In verband met een door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst geeft de inspecteur in zijn brief van 29 mei 2009 aan - nadat hij op die overeenkomst door het hof ter zitting van 11 mei 2009 was gewezen - dat het belastbare inkomen IB/PV voor het jaar 1997 van belanghebbende moet worden verminderd tot op f 39.527.

3.4 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1 Naar het oordeel van het hof rust op belanghebbende de last aannemelijk te maken dat de premie van de door hem in 1997 afgesloten lijfrentepolis met polisnummer 000001 als premie in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en letter g, van de Wet kan worden aangemerkt en dat die premie door belanghebbende is voldaan. Ten bewijze hiervan heeft belanghebbende de onder 3.2 vermelde stukken overgelegd. De inspecteur heeft deze bewijzen onvoldoende geacht (zie 3.3).

4.2 Als reactie op het verweer van de inspecteur dat de afgekochte levensverzekering met polisnummer 000002 een fiscaal gefacilieerde pensioenpolis moet zijn geweest (wellicht een B-polis), stelt belanghebbende dat de in 1994 op de voet van de Ziektewet ontvangen uitkering van het GAK is aangewend als premie voor de levensverzekering met polisnummer 000002. Het verweer van de inspecteur dat in 1997 een fiscaal gefacilieerde polis is doorgeschoven naar de onder 2.2 vermelde C-polis snijdt volgens belanghebbende geen hout. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende zijn stelling dat de in 1994 op de voet van de Ziektewet ontvangen uitkering van het GAK is aangewend voor de premiebetaling voor de levensverzekering met polisnummer 000002, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt. Het hof merkt hierbij op dat de ziektewetuitkering in 1994 is ontvangen en - naar blijkt uit één van de door belanghebbende op 1 juli 2009 overgelegde stukken - de levensverzekering met polisnummer 000002 pas op 1 september 1995 is afgesloten. Ook anderszins is gesteld noch aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de premie voor de levensverzekering met polisnummer 000002 uit eigen geldmiddelen heeft voldaan. Gelet op het gemotiveerde verweer daartegen (zie 3.3) acht het hof het evenmin aannemelijk dat de levensverzekering met polisnummer 000002 een zogenaamde niet fiscaal gefacilieerde polis is geweest.

4.3 Gelet op het onder 4.2 vermelde, is het hof van oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in de op hem onder 4.1 weergegeven rustende bewijslast. In zoverre is het beroep ongegrond.

4.4 De door belanghebbende geclaimde aftrek aan buitengewone lasten ten bedrage van f 6.068,13 leidt evenmin tot een gegrondverklaring van belanghebbendes beroep. Het voormelde bedrag overschrijdt namelijk niet de daartoe in de Wet gestelde drempel van 12,2 percent van het gezamenlijke onzuivere inkomen van belanghebbende en zijn echtgenote (zie 2.7).

4.5 Gelet op het onder 3.3 vermelde met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst wordt belanghebbende ten dele in het gelijk gesteld. De slotsom is dat het beroep (ten dele ) gegrond is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht aangezien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld ter zake van een punt dat hij niet zelf heeft aangevoerd.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag IB/PV 1997 tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van f 39.527; en

gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem in beroep betaalde griffierecht van € 29 vergoedt.

Aldus vastgesteld op 30 oktober 2009 door mr. G.M. van der Meer, voorzitter, mr. F.J.W. Drion en prof.dr. J.J.M. Jansen, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier mr. K. de Jong-Braaksma en ondertekend door voornoemde voorzitter en griffier.

Op 4 november 2009 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.