Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1462

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
24-000034-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

120 uur werkstraf subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken welke van belang waren voor de hoogte van verdachtes AOW-uitkering en ter zake van opzetheling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000034-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-656171-06

Arrest van 27 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 21 december 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1933] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. M.L. Stroink, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen met een proeftijd van twee jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot 13 juli 2006 in de

gemeente [gemeente 1], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) in strijd met

een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te

weten artikel 49 van de Algemene Ouderdomswet (AOW), opzettelijk heeft

nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit

kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte

wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang

waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten verdachtes en/of verdachtes mededaders AOW-uitkering, dan wel voor de hoogte of de duur van die een verstrekking, te weten verdachtes AOW-uitkering of tegemoetkoming, immers heeft verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met haar mededader, althans alleen, opzettelijk nagelaten om tijdig en/of onverwijld uit eigen beweging de Sociale Verzekeringsbank (SVB) er van op de hoogte te stellen dat verdachte een gemeenschappelijke huishouding voerde, althans samenwoonde, met [medeverdachte] (met wie verdachte eerder gehuwd was geweest) op (wisselend) verdachtes adres en/of het adres van die [medeverdachte], althans dat die [medeverdachte] zijn hoofdverblijf had op verdachtes adres en/of (wisselend) dat verdachte haar hoofdverblijf had op het adres van die [medeverdachte];

2 primair

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot 13 juli 2006 in de

gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van de woning van [medeverdachte] aan de [adres] te [gemeente 2] en/of de in

die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas, water en elektriciteit, en

althans opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat die

woning en/of voorzieningen en/of eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk

werd(en) betaald van een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW),

welke door [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde,

althans waar verdachte haar hoofdverblijf had - door het opzettelijk nalaten

om verplichte informatie mede te delen aan de Sociale Verzekeringsbank, in elk

geval door enig misdrijf was/waren verkregen, hebbende verdachte aldus

(telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed

voordeel getrokken;

2 subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot 13 juli 2006 in de

gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van de woning van [medeverdachte] aan de [adres] te [woonplaats] en/of de in

die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas, water en elektriciteit, en

althans eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd,

terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die woning en/of

voorzieningen en/of eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werd(en)

betaald van een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW), welke door

die [medeverdachte] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde, althans waar

verdachte haar hoofdverblijf had - door het opzettelijk nalaten om verplichte

informatie mede te delen aan de Sociale Verzekeringsbank, in elk geval door

enig misdrijf was/waren verkregen,

hebbende verdachte aldus (telkens) uit de opbrengst van enig door misdrijf

verkregen goed voordeel getrokken terwijl verdachte redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

in welke tenlastelegging een wijziging is aangebracht, die de eerste rechter heeft toegelaten.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1

zij in de periode van 1 oktober 2000 tot 13 juli 2006 in de gemeente [gemeente 1], meermalen, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 49 van de Algemene Ouderdomswet (AOW), opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit

kon strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van de hoogte van een verstrekking, te weten verdachtes AOW-uitkering, immers heeft verdachte telkens opzettelijk nagelaten om

tijdig en onverwijld uit eigen beweging de Sociale Verzekeringsbank (SVB)

er van op de hoogte te stellen dat verdachte een gemeenschappelijke huishouding voerde met [medeverdachte] (met wie verdachte eerder gehuwd was geweest) op (wisselend) verdachtes adres en het adres van die [medeverdachte];

2 primair

zij in de periode van 1 oktober 2000 tot 13 juli 2006 in de gemeente [gemeente 2], telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning van [medeverdachte] aan de [adres] te [woonplaats] en de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas, water en elektriciteit, wetende dat die woning en voorzieningen geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW), welke door [medeverdachte]

- met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door het opzettelijk nalaten om verplichte informatie mede te delen aan de Sociale Verzekeringsbank, hebbende verdachte aldus telkens opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1: in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de hoogte van een verstrekking, meermalen gepleegd,

2 primair: opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Het hof acht bewezen dat verdachte gedurende een periode van bijna 6 jaar een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met [medeverdachte]. Verdachte ontving gedurende diezelfde periode een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet voor ongehuwden.

Verdachte heeft opzettelijk nagelaten dit te melden aan de Sociaal Verzekeringsbank.

Indien verdachte dit wel had gedaan, zou dit vermoedelijk van invloed zijn geweest op de hoogte van zijn uitkering. Verdachte heeft op die wijze een oneigenlijk gebruik gemaakt van het sociaal zekerheidsstelsel.

Daarnaast heeft het hof gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 16 juli 2009. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke dan wel andere feiten.

Het hof neemt bij de strafoplegging als uitgangspunt de landelijke richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude waarbij als uitgangspunt het bruto benadelingbedrag waarvan de sociale dienst opgave heeft gedaan moet worden genomen.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken, kan naar het oordeel van het hof volstaan worden met het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf zoals hierna te noemen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 227b en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van honderdtwintig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. H. Kalsbeek, in tegenwoordigheid van G.G. Eisma als griffier, zijnde mr. H. Kalsbeek buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.