Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1329

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
107.002.610/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil over huurachterstand sexclub. Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 27 oktober 2009

Zaaknummer 107.002.610/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. A.H. Punt-Koopmans, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. N.H.M. Poort, kantoorhoudende te Heerenveen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op14 augustus 2003, 23 maart 2004, 14 september 2004, 28 juni 2005, 23 augustus 2005, 23 januari 2007, 9 oktober 2007 en 6 februari 2008 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Heerenveen, verder aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 24 april 2008 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het eindvonnis van 6 februari 2008 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 7 mei 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te vernietigen het vonnis dat de Kantonrechter Leeuwarden op 6 februari 2008 heeft gewezen, onder zaak-/rolnummer 133456/ CV EXPL 03-1186

de in conventie toegewezen vorderingen af te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en appel"

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van [appellant] verwerpt, en het vonnis/de vonnissen waarvan beroep, bekrachtigt, eventueel onder verbetering van gronden, met veroordeling van [appellant] in (ook) de kosten van het hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken, voor zover voor de beoordeling van dit hoger beroep van belang.

1.1. Tussen partijen is op 1 december 2001 een huurovereenkomst tot stand gekomen waarbij [appellant] van [geïntimeerde] huurde de seksclub "Love Inn", gelegen aan de [adres] te [plaats]. De huur werd gesloten voor de tijd van vijf jaar. De huur is na 1 december 2006 niet voortgezet.

1.2. De huurprijs bedroeg aanvankelijk hfl 7.500,-- en laatstelijk € 3.403,35 per maand.

1.3. Het schriftelijke huurcontract bevat in artikel 13 de verplichting van de huurder om een bankgarantie van hfl 50.000,-- te stellen.

1.4. Bij het einde van de huurovereenkomst had [appellant] de huur over de maanden april tot en met juni 2003 - tot een totaal bedrag van € 10.714,00- niet voldaan. Over de navolgende periode tot 1 december 2008 zijn acht maanden huur onbetaald gebleven, tot een totaalbedrag van € 27.248,40.

1.5. [appellant] heeft in 2001 een hem toebehorende woning verkocht. Uit die verkoopopbrengst heeft notariskantoor Oosterhesselen rond 21 december 2001 een bedrag groot hfl 287.500,-- aan [geïntimeerde] uitbetaald ten titel van aflossing lening.

De procedure in eerste aanleg, voor zover relevant in hoger beroep.

2. [geïntimeerde] heeft betaling van de huurachterstanden gevorderd. [appellant] heeft zich beroepen op betaling dan wel verrekening. Volgens hem is de betaling van een deel van de verkoopopbrengst van zijn woning om fiscale redenen vermomd als betaling van een lening en omvatte deze betaling, behalve de overname van inventaris en goodwill, de betaling van een waarborgsom van hfl 50.000 en de vooruitbetaling van 3 maanden huur ad hfl 22.500,--.[geïntimeerde] heeft dit betwist en heeft een schuldbekentenis van [appellant] d.d. 9 november 2001 in het geding gebracht.

2.1. De kantonrechter heeft [appellant] belast met het bewijs dat hij de huur over de maanden april tot en met juni 2003 door middel van vooruitbetaling had voldaan.

Nadat getuigen zijn gehoord heeft de kantonrechter een deskundigenbericht gelast naar de echtheid van de handtekening van de schuldbekentenis van [appellant] d.d. 9 november 2001.

2.2. De deskundige heeft geoordeeld dat de handtekening met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een echte handtekening van [appellant] is.

De kantonrechter heeft, met gebruikmaking van deze conclusies, geoordeeld dat

[appellant] niet in zijn bewijs is geslaagd en hij heeft bij eindvonnis de vorderingen tot betaling van de achterstallige huur (en incassokosten en rente) toegewezen.

De beoordeling van de grieven.

3. Met grief 1 komt [appellant] op tegen de beoordeling van het geleverde bewijs, zoals dat heeft plaatsgevonden in het tussenvonnis van 9 oktober 2007 en de daaruit voortvloeiende beslissingen in het eindvonnis.

Tegen de bewijsopdracht als zodanig en de daaraan ten grondslag gelegde bewijslastverdeling zijn geen grieven gericht.

3.1. [appellant] betwist in de eerste plaats de juistheid van de conclusie van de door de kantonrechter ingeschakelde schriftkundige [deskundige 1]. De deskundige heeft uitgebreid gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat de handtekening, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, een echte handtekening van [appellant] is. De tegenwerpingen van [appellant] dat deze handtekening afwijkt van zijn "normale handtekening" wordt in het rapport voldoende weersproken. [appellant] heeft geen rapport overgelegd dat zijn opvatting steunt. He hof acht nog wel van belang dat ook [geïntimeerde] een partijdeskundigenrapport van de schriftkundige [deskundige 2] in het geding heeft gebracht, die - met minder vergelijkingsmateriaal - tot de conclusie kwam dat de handtekening waarschijnlijk van [appellant] is.

Het hof komt, met betrekking tot de echtheid van de handtekening, dan ook niet tot een andere conclusie dan de kantonrechter.

3.2. [appellant] heeft voorts geopperd dat het mogelijk een echte handtekening van hem is, maar dat hij deze niet onder de schuldbekentenis heeft geplaatst. Volgens [appellant] laat het deskundigenrapport de mogelijkheid open dat het om een gemanipuleerde, bijvoorbeeld ingekopieerde, handtekening gaat.

Dit verwijt ontbeert feitelijke grondslag. De deskundige [deskundige 1] schrijft in 4.1 van zijn deskundigenbericht: "Uitgesloten is dat de betwiste handtekening door 'listige kunstgrepen'(zoals knippen, plakken, printen, fotokopiëren, scannen, bewerken met een fotobewerkingsprogramma en dergelijke) is gemonteerd."

3.3. Ook het verwijt dat de kantonrechter er kennelijk impliciet van is uitgegaan dat artikel 157 Rv, tweede lid, van toepassing is, mist feitelijke grondslag. [appellant] had te bewijzen dat hij drie maanden huur vooruit heeft betaald. De kantonrechter heeft overwogen dat zijn partijgetuigenverklaring, tezamen met twee van-horen-zeggen-verklaringen van twee andere getuigen in technische zin voldoende zijn om dit bewijs geleverd te achten, doch dat daartegenover de verklaring van [geïntimeerde] en het door hem overgelegde schriftelijke bewijs in de vorm van de schuldbekentenis en de afrekening van de notaris staan. Nadat de echtheid van de handtekening onder de schuldbekentenis was vastgesteld, heeft de kantonrechter het door [geïntimeerde] geleverde tegenbewijs zodanig sterk geoordeeld, dat [appellant] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd. De kantonrechter heeft zich er - gelet op de formulering van de bewijsopdracht - terecht niet over uitgelaten of de schuldbekentenis als zodanig dwingend bewijs oplevert.

Ook dit argument van [appellant] scoort niet.

3.4. Tenslotte tracht [appellant] de bewijswaardering van de kantonrechter aan te tasten. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter het voorhanden zijnde bewijs op juiste wijze heeft afgewogen. Het door [geïntimeerde] geleverde tegenbewijs is zodanig sterk dat dit de verklaring van [appellant], die slechts door de auditu-verklaringen wordt ondersteund, voldoende ontzenuwt. [appellant] heeft ook geen afdoende verklaring gegeven waarom hij - hoewel hij in zijn lezing in december 2001 reeds de huur over de maanden april tot en met juni 2003 zou hebben betaald, hetgeen op zijn minst opmerkelijk mag heten - zich pas in de procedure op deze vooruitbetaling heeft beroepen, nadat hij aanvankelijk de non-betaling van de huurtermijnen over de maanden april-juni 2003 nog had gerechtvaardigd met een beroep op gebreken in het gehuurde.

3.5. De eerste grief faalt in alle onderdelen.

4. Grief 2 ziet op de achterstallige acht maanden huur. De grief klaagt er terecht over dat de kantonrechter het beroep op verrekening met de waarborgsom niet expliciet heeft verworpen.

Het hof overweegt dat tussen partijen vaststaat dat niet een waarborgsom in de vorm van een bankgarantie, als in artikel 13 van het huurcontract gestipuleerd, door [appellant] is afgegeven. De stelling van [appellant] is dat hij hfl 50.000,-- contant heeft betaald uit de verkoop van zijn woning. Dit bedrag zou zijn begrepen in het onder 1.5 bedoelde bedrag van hfl 287.500,--. Ten aanzien van die stelling geldt verder hetzelfde als ten aanzien van de volgens [appellant] vooruitbetaalde drie maanden huur. De bewijswaardering is dan ook geen andere, zodat het hof op dit punt tot het oordeel komt dat het verrekeningsverweer niet opgaat.

4.1. De grief leidt dan ook niet tot vernietiging van het vonnis.

5. [appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen, in het bijzonder door het horen van de al in eerste aanleg gehoorde getuigen. Hij heeft evenwel niet aangegeven wat deze getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al in eerste aanleg hebben gedaan. Het hof zal dit bewijsaanbod dan ook passeren als onvoldoende gemotiveerd.

De slotsom

6. Het hof zal het vonnis waarvan beroep, met verbetering van gronden betreffende de verwerping van het verrekeningsverweer, bekrachtigen en [appellant], als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het hoger beroep veroordelen, voor wat het geliquideerde salaris van de advocaat betreft te begroten op 1 punt naar tarief III.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 254,-- aan verschotten en € 1.158,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en verklaart deze kostenverdeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en De Hek, raden,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 27 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.