Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1319

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
107.002.514/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrifte, bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 27 oktober 2009

Zaaknummer 107.002.514/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

2. [appellante 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in vrijwaring,

hierna te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. P.R. van den Elst,

tegen

1. [persoonsnaam] Financiële Dienstverlening Groningen B.V., m.h.o.d.n. [persoonsnaam] Financiële Dienstverlening,

2. [geïntimeerde 2],

gevestigd, respectievelijk wonende te [plaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in vrijwaring,

hierna afzonderlijk te noemen: [persoonsnaam] Financiële Dienstverlening respectievelijk [geïntimeerde 2] en gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.V. van Ophem.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 25 november 2008 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 16 januari 2009 hebben [appellanten] een akte indiening producties - met een zevental producties, tezamen genummerd als productie 5 - ter griffie van het hof gedeponeerd, dit ten behoeve van de op 10 maart 2009 te houden enquête.

Op 10 maart 2009 is een enquête gehouden aan de zijde van [appellanten].

[geïntimeerden] hebben afgezien van contra-enquête.

Vervolgens hebben [appellanten] op 17 maart 2009 een akte indiening producties, met een tweetal producties, genummerd als productie 6, ter griffie van het hof gedeponeerd, welke akte ter rolle van 24 maart 2009 is genomen.

Vervolgens hebben [geïntimeerden] een memorie na enquête genomen en [appellanten] een antwoordmemorie na enquête.

Ten slotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij tussenarrest van 25 november 2008 is aan [appellanten] bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [geïntimeerden] met behulp van valse bescheiden een hypothecaire lening voor [appellanten] hebben aangevraagd bij ABN AMRO Hypotheken B.V.(hierna: de ABN), terwijl zij wisten, althans behoorden te weten dat die gegevens onjuist waren.

2. [appellanten] hebben ter voldoening aan de bewijsopdracht originele stukken ter griffie gedeponeerd en een drietal getuigen voorgebracht, te weten zichzelf als partijgetuigen alsmede geïntimeerde [geïntimeerde 2].

3. Met betrekking tot het bijgebrachte bewijs oordeelt het hof als volgt.

3.1 Vooropgesteld wordt dat ten aanzien van de getuigenverklaringen van [appellanten] geldt dat een verklaring van een partijgetuige omtrent de door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij die verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.

4. [appellanten] hebben bij de op 16 januari 2009 ter griffie gedeponeerde akte een brief van de ABN met originele stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat [geïntimeerden] in het kader van het aanvragen van de hypotheek aanvullende stukken aan de ABN hebben gestuurd, waaronder een werkgeversverklaring van [persoonsnaam] Bouwbedrijf, een salarisspecificatie van [persoonsnaam] Bouwbedrijf en een kopie bankafschrift van een SNS-bankrekening met rekeningnummer [nummer] t.n.v. [appellant 1].

5. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant 1] nimmer bij [persoonsnaam] Bouwbedrijf heeft gewerkt en dat de werkgeversverklaring en de salarisstrook die aan de ABN zijn toegezonden, vals zijn.

[appellant 1] dreef ten tijde van het aanvragen van de hypotheek een Tegelzetbedrijf, zoals blijkt uit het uittreksel uit het handelsregister dat als productie 1 bij dagvaarding in vrijwaring is overgelegd.

6. De getuigenverklaringen hebben geen duidelijkheid verschaft ten aanzien van de vraag hoe [geïntimeerde 2] in het bezit is gekomen van de werkgeversverklaring en de salarisstrook.

6.1 [geïntimeerde 2] heeft verklaard dat hij deze stukken in een blanco envelop in zijn brievenbus heeft aangetroffen. Daarnaast heeft [geïntimeerde 2] aangegeven dat hij op het aanvraagformulier voor de levensverzekering van de hypotheek heeft ingevuld dat [appellant 1] werkvoorbereider/calculator was. Dit deed hij naar zijn zeggen op basis van een mededeling van [appellant 1].

6.2 [appellant 1] en [geïntimeerde 2] hebben echter betwist dat [appellant 1] [geïntimeerde 2] heeft medegedeeld dat hij een vast dienstverband als werkvoorbereider/calculator had. Zij hebben benadrukt dat het [geïntimeerde 2] bekend was dat [appellant 1] zelfstandig tegelzetter was aangezien [appellant 1] jaarstukken van zijn tegelzetbedrijf naar [geïntimeerde 2] heeft gebracht en [appellante 2] een tweetal originele bankafschriften aan [geïntimeerde 2] heeft afgegeven, waarvan één van de zakenrekening van het tegelzetbedrijf. [appellanten] hebben verklaard dat de genoemde werkgeversverklaring en salarisstrook niet van hen afkomstig zijn.

7. De verklaringen van de getuigen stemmen wel overeen op het punt van de afgifte van de twee originele bankafschriften. [geïntimeerde 2] heeft dienaangaande verklaard:

Het klopt dat [appellante 2] mij twee originele bankafschriften heeft overhandigd.

8. [geïntimeerde 2] heeft voorts verklaard:

Ik weet niet of het woord zaken op de zakenrekening was weggewit. Ik weet wel dat ik dat niet heb gedaan.

8.1 Op dit punt acht het hof de getuigenverklaring van [geïntimeerde 2] niet geloofwaardig.

Daartoe wordt het volgende overwogen.

9. [geïntimeerde 2] heeft verklaard dat hij de bankafschriften naar de ABN heeft gestuurd. Uit de op 16 januari 2009 ter griffie van het hof gedeponeerde stukken blijkt dat [geïntimeerde 2] de ABN, in antwoord op haar brief van 13 juni 2006, naast de werkgeversverklaring en de salarisstrook een kopie van een bankafschrift heeft doen toekomen. Uit de datum, het rekeningnummer en volgnummer van het bankafschrift blijkt dat het hier om een kopie van de zakenrekening van het tegelzetbedrijf gaat.

9.1 De vermelding 'h/o Tegelzetbedrijf [naam appellant 1]' achter de naam [appellant 1] komt op die kopie echter niet voor, evenmin als de vermelding 'zaken' voor het woord 'rekening'.

10. [geïntimeerde 2] heeft verklaard dat hij geen medewerkers heeft, zodat van zijn verklaring de suggestie uitgaat dat [appellante 2] hem het bankafschrift in deze vorm heeft aangeleverd.

10.1 Dat is echter aantoonbaar onjuist.

Nog daargelaten dat het doorgaans in het oog zal springen wanneer op een origineel rekeningafschrift woorden zijn weggewit, uit het door [appellanten] op 17 maart 2009 ter griffie van het hof gedeponeerde originele rekeningafschrift van de zakenrekening blijkt niet dat dat stuk is bewerkt met typex of iets soortgelijks. De woorden: 'h/o Tegelzetbedrijf [naam appellant 1]' en 'zakenrekening' zijn op het origineel duidelijk leesbaar.

11. Bij memorie na enquête betwisten [geïntimeerden] dat dit de bankafschriften zijn die [appellanten] indertijd aan hen ter beschikking hebben gesteld, maar daaraan gaat het hof voorbij, nu uit de (als productie 2 bij memorie van grieven) in het geding gebrachte brieven van [geïntimeerde 2] aan de SNS-bank duidelijk blijkt dat [geïntimeerde 2] wel degelijk de beschikking had over een onbewerkt exemplaar van het rekeningafschrift van de zakenrekening.

11.1 Immers, bij brief van 19 juli 2006 - derhalve ruim een maand nadat [geïntimeerde 2] kennelijk een kopie van het gewitte rekeningafschrift aan de ABN had gestuurd - heeft [geïntimeerde 2] de door hem van [appellanten] ontvangen stukken aan de SNS-bank gestuurd. Daaronder bevinden zich het rekeningafschrift van de privérekening ten name van [appellante 2] en het rekeningafschrift van de zakenrekening van [appellant 1] h/o Tegelzetbedrijf [naam appellant 1], waarbij de volledige tekst van het rekeningafschrift leesbaar is. Het moet [geïntimeerde 2] op basis daarvan dan ook duidelijk zijn geweest dat [appellant 1] als zelfstandige een onderneming dreef.

11.2 Bovendien had [geïntimeerde 2] de SNS-bank daaraan voorafgaand op 5 juli 2006 geschreven:

Met deze brief laat ik weten dat [appellant 1] geen enkele blaam treft omtrent zijn ingeleverde bankafschrift. Het betrof een kopie bankafrekening welke van een privé rekening behoorde te zijn en niet van een zakelijk rekening. Abusievelijk is de kopie van zijn zakenrekening en niet van de privérekening bij de desbetreffende geldverstrekker terechtgekomen en dit berust op een misverstand.

11.3 [geïntimeerde 2] heeft ter gelegenheid van het getuigenverhoor geen bevredigend antwoord kunnen geven op de vraag wat hem ertoe bewoog deze brief te schrijven wanneer hij niet verantwoordelijk was voor het wegwitten van de woorden.

12. Op grond van het vorenstaand is komen vast te staan dat [appellante 2] [geïntimeerde 2] een origineel rekeningafschrift van de zakenrekening van [appellant 1] heeft overhandigd, waarop de woorden: 'h/o Tegelzetbedrijf [naam appellant 1]' en 'zakenrekening' duidelijk leesbaar waren. [geïntimeerde 2], die dit onbewerkte afschrift op 19 juli 2006 aan de SNS-bank heeft gestuurd, wist derhalve dat [appellant 1] een eigen onderneming dreef.

Desalniettemin heeft hij in het kader van de hypotheekaanvraag voor [appellanten] een bewerkte kopie van het betreffende rekeningafschrift - namelijk één waarop genoemde woorden onleesbaar waren gemaakt - aan de ABN doen toekomen, dit in reactie op de brief van de ABN van13 juni 2006.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] derhalve wisten, althans behoorden te weten dat zij met behulp van een vals rekeningafschrift een hypothecaire lening voor [appellanten] aanvroegen.

13. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellanten] door middel van de overgelegde stukken en de afgelegde getuigenverklaringen in hun onderlinge samenhang bezien, geslaagd zijn in het hen opgedragen bewijs.

Slotsom

Het vonnis van de rechtbank Groningen van 28 november 2007 waarvan beroep zal, voor zover dat is gewezen in vrijwaring, worden vernietigd.

Het hof zal de vorderingen van [appellanten] in vrijwaring alsnog toewijzen, met uitzondering van het bij memorie van grieven bij wege van vermeerdering van eis onder III gevorderde, nu dat - zoals in rechtsoverweging 2 van het tussenarrest van 25 november 2008 reeds is overwogen - zich niet verhoudt met het karakter van de onderhavige vrijwaringsprocedure.

[geïntimeerden] zullen als de in het ongelijk te stellen partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [appellanten], waarbij het geliquideerde salaris voor de advocaat in eerste aanleg wordt begroot op € 1.158,-- (2 punten, tarief III) en in hoger beroep op € 3.474,-- (3 punten, tarief III).

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 28 november 2007 waarvan beroep voor zover dat in vrijwaring is gewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk aan [appellanten] te voldoen hetgeen [appellanten] op basis van het vonnis van de rechtbank Groningen van 28 november 2007, gewezen in de hoofdzaak, aan [betrokkenen] hebben voldaan en zullen moeten voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der betaling door [appellanten] tot aan die der algehele betaling door [geïntimeerden], meer in het bijzonder een bedrag van € 27.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, een bedrag van € 2.861,90 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2007 tot aan de dag der algehele voldoening en een bedrag van € 2.964,32 (€ 1.100,- plus

€ 706,32 plus € 1.158,-) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om hetgeen [appellanten] reeds aan [geïntimeerden] hebben voldaan ter uitvoering van het vonnis in vrijwaring van de rechtbank Groningen van 28 november 2007 terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der betaling tot aan die der algehele terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk in de kosten van het geding en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] in eerste aanleg op € 705,85 aan verschotten en € 1.158,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en in hoger beroep op € 1.085,44 aan verschotten en € 3.474,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

bepaalt dat van voormelde bedragen aan griffier dient te worden voldaan € 970,44 aan verschotten en € 3.474,-- voor geliquideerd salaris voor de advocaat, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv;

verkaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Wind en Van de Veen, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 27 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.