Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1316

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
107.001.683/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Gevolg van het niet-overleggen van stukken waarvan de overlegging door de rechter is bevolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 27 oktober 2009

Zaaknummer 107.001.683/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 21 april 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Bij het genoemde tussenarrest is [appellant] onder meer opgedragen het in een ander geding tussen partijen gewezen vonnis van 26 oktober 2004 van de kantonrechter te Leeuwarden bij akte in het geding te brengen.

[appellant] heeft vervolgens een akte genomen, waarop [geïntimeerde] met een antwoordakte heeft gereageerd.

Tenslotte hebben partijen de stukken gefourneerd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Het hof constateert dat [appellant] weliswaar in de akte heeft gesteld daarbij het dossier van het geding, in hetwelk genoemd vonnis van 26 oktober 2004 is gewezen, in het geding te brengen, maar dat de stukken van dat andere geding - en derhalve ook het genoemde vonnis van 26 oktober 2004 - niet daadwerkelijk bij die akte als productie in het geding is gebracht.

2. Het niet-voldoen aan de door het hof bij het genoemde tussenarrest gegeven opdracht is voor risico van [appellant]. Nu hij het hof niet in staat heeft gesteld om de toewijsbaarheid van zijn vordering als oorspronkelijk eiser verder te beoordelen, moet het bestreden vonnis worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief I, 1,5 pt. à € 632,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het beroepen vonnis van 7 november 2006;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 251,-- aan verschotten en € 948,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Verschuur, voorzitter, Kuiper en Breemhaar, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 27 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.