Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1191

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
24-001293-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van het feit omschreven in artikel 64, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990, terwijl dit feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken met een proeftijd van twee jaren en een boete van € 5.000,-, subsidiair te vervangen door zestig dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-2376

Uitspraak

Parketnummer: 24-001293-07

Parketnummer eerste aanleg: 19-993031-06

Arrest van 22 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 4 mei 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1968] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.G.F.A. Janssen, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 10.000,00, subsidiair 100 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

[verdachte] op of omstreeks 7 juli 2004, althans in of omstreeks juli 2004, in de gemeente [gemeente], althans in Nederland, terwijl genoemde besloten rechtspersonen ingevolge de artikelen 58 tot en met 62 van de Invorderingswet 1990 verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan,

opzettelijk deze, te weten:

a) een (kopie) factuur, geadresseerd aan [bedrijf], gedagtekend 4 augustus 2003, met een factuurbedrag van Euro 11.804,80 en als omschrijving (zakelijk weergegeven) 640 manuren week 28, 29, 30 en 31 (4 man x 4 weken);

en/of

b) een (kopie) factuur, geadresseerd aan [bedrijf], gedagtekend 1 september 2003, met een factuurbedrag van Euro 10.948,- en als omschrijving (zakelijk weergegeven) 8 maanden huur over januari 2003 tot en met augustus 2003 en 8 maanden stroom/gas en water,

in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, zulks terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig wordt ingevorderd, hebbende dat valse en/of vervalste hierin bestaan, dat die facturen/factuur geheel fictief waren/was, althans dat de omschrijving(en) van het geleverde op die facturen/factuur niet overeenkwam met het werkelijk geleverde, zulks terwijl hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

[verdachte] op 7 juli 2004, in de gemeente [gemeente], terwijl genoemde rechtspersoon ingevolge de artikelen 58 tot en met 62 van de Invorderingswet 1990 verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk deze, te weten:

a) een kopie factuur, geadresseerd aan [bedrijf], gedagtekend 4 augustus 2003, met een factuurbedrag van Euro 11.804,80 en als omschrijving (zakelijk weergegeven) 640 manuren week 28, 29, 30 en 31 (4 man x 4 weken)

en

b) een kopie factuur, geadresseerd aan [bedrijf], gedagtekend 1 september 2003, met een factuurbedrag van Euro 10.948,- en als omschrijving (zakelijk weergegeven) 8 maanden huur over januari 2003 tot en met augustus 2003 en 8 maanden stroom/gas en water,

in valse vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld, zulks terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting wordt ingevorderd, hebbende dat valse hierin bestaan, dat die facturen geheel fictief waren, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Ontslag van rechtsvervolging of vrijspraak

De raadsman heeft betoogd dat het hof zijn cliënt dient te ontslaan van rechtsvervolging.

Daartoe heeft hij aangevoerd dat artikel 62 van de Invorderingswet niet gebruikt mag worden waarvoor het in deze zaak is gebruikt. Conform de leidraad Invordering 1990 dient dit artikel voor het inwinnen van informatie vooraf. In ieder geval heeft de raadsman aan zijn betoog de conclusie verbonden dat niet bewezen kan worden dat zijn cliënt de verklaring bij het derdenbeslag van 14 mei 2004 onjuist heeft ingevuld, aangezien hij daarin slechts een voornemen tot verrekening heeft vermeld. De ten laste gelegde artikelen uit de Invorderingswet zouden niet zijn bedoeld om de genoemde verklaring achteraf te verifiëren.

Het hof kan de raadsman niet volgen in zijn betoog.

Ten laste is gelegd - kort gezegd - dat de rechtspersoon [verdachte] op 7 juli 2004 opzettelijk twee valse facturen beschikbaar heeft gesteld (aan de Belastingdienst), terwijl verdachte opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever was van die rechtspersoon. De tenlastelegging doelt blijkens de tekst en het daaronder vermelde op artikel 64, tweede lid, onder c, van de Invorderingswet 1990, strafbaar gesteld in artikel 65 tweede lid van voornoemde wet.

Het gaat de steller van die tenlastelegging dus niet om de inlichtingen die zijn gegeven op de "Verklaring bij derdenbeslag", maar om de gegevens die verdachte namens de rechtspersoon bij zijn brief van 7 juli 2004 heeft verstrekt, te weten de twee in de tenlastelegging genoemde facturen.

Omdat verdachte namens de rechtspersoon in voornoemde verklaring had gewezen op nog te verrekenen nota's, heeft de ontvanger schriftelijk verzocht om een overzicht van die nota's. Daarop heeft verdachte namens de rechtspersoon de betreffende nota's overgelegd. Omdat die nota's volgens het openbaar ministerie vals zijn, is het misdrijf van artikel 64, tweede lid, onder c, van de Invorderingswet 1990 ten laste gelegd.

Het hof vermag niet in te zien waarom artikel 62 van de Invorderingswet dan wel de genoemde leidraad in dezen de strafbaarheid van het feit of van verdachte zou opheffen. Het hiervoor overwogene leidt evenmin tot de conclusie dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het beroep wordt dan ook verworpen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Opzettelijk het feit begaan, omschreven in artikel 64, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggever van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan een opzettelijke overtreding van de Invorderingswet 1990. Verdachte heeft door valse facturen ter beschikking te stellen aan de belastingdienst getracht onder een derdenbeslag uit te komen.

Hij wilde het op deze manier doen voorkomen dat hij nog iets te verrekenen had met [bedrijf] en dat de belastingdienst niet bij hem moest zijn als ze nog iets in te vorderen had van [bedrijf]. Verdachte zou hiermee bewerkstelligen dat er te weinig belasting werd ingevorderd. Door aldus te handelen heeft verdachte bovendien het vertrouwen dat de ontvanger der belastingen in bepaalde geschriften moet kunnen stellen, geschaad.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een uittreksel uit het algemeen documentatieregister, d.d. 25 juni 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld.

Alles overwegende en gezien de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd ziet het hof geen aanleiding anders te oordelen dan de politierechter. De straf die in eerste aanleg aan verdachte is opgelegd is passend en geboden en oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf is noodzakelijk, mede om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw met criminele activiteiten bezig te houden.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 64 en 65 van de Invorderingswet 1990, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier weken;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

een geldboete van vijfduizend euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zestig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. A.J. Rietveld, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde mr. Koers, voornoemd, buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.