Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0967

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-08-2009
Datum publicatie
30-12-2009
Zaaknummer
WAHV 200.019.427
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel. Sanctie ter zake van voertuig zodanig op weg laten staan dat gevaar of hinder wordt of kan worden veroorzaakt.

De betrokkene betwist gevaarzetting. Kantonrechter verklaarde beroep gegrond. Hof vernietigt beslissing kantonrechter.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/91 met annotatie van JvdH
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.019.427

21 augustus 2009

CJIB 29114396840

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

van 15 oktober 2008

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. C. Bos,

jurist bij FNV bondgenoten,

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage genomen beslissing gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Bij het verweerschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De betrokkene heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

Op 24 juli 2009 is nog een fax van de advocaat-generaal door het hof ontvangen. Deze fax is aan de betrokkene toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 augustus 2009. De betrokkene is verschenen met zijn raadsman mr. Bos. Voorts is verschenen [getuige], die ter zitting als getuige is beëdigd en een verklaring heeft afgelegd.

Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M. Heida.

Na de behandeling ter zitting heeft de voorzitter de zaak ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 75,- opgelegd ter zake van “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”, welke gedraging zou zijn verricht op 3 januari 2008 om 11.18 uur op de Provincialeweg N228 te Haastrecht met het voertuig met het kenteken [AB-00-AB].

2. De betrokkene heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij de officier van justitie en aangevoerd dat hij naast een controle auto is gestopt. Omdat er geen ander verkeer was, heeft hij geen gevaar veroorzaakt.

3. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft de betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. In het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter d.d. 15 oktober 2008 staat dat de betrokkene ter zitting niet in persoon is verschenen. Nu de betrokkene blijkens het proces-verbaal ter zitting wel een verklaring heeft afgelegd, zal het hof de aanduiding dat de betrokkene niet is verschenen opvatten als een kennelijke schrijffout. Ter zitting van de kantonrechter heeft de betrokkene onder meer aangevoerd dat hij iemand onderuit gezakt in het voertuig zag zitten. Derhalve is hij naast het voertuig gestopt om te kijken of er wat met die persoon was. Ter plaatse geldt geen stopverbod en hij heeft goed opgelet dat het overige verkeer niet werd gehinderd dan wel in gevaar zou worden gebracht.

4. De kantonrechter heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. Hiertoe is onder meer overwogen dat het dossier onvoldoende basis bevat om de verklaring van de betrokkene dat hij goed heeft gelet op hinder of gevaar te weerleggen.

5. De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld en hij stelt zich op het standpunt dat deze beslissing dient te worden vernietigd. Hiertoe wordt aangevoerd dat de betrokkene geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangedragen die aanleiding geven te twijfelen aan de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Anders dan de kantonrechter heeft overwogen, is voor de vaststelling of de gedraging is verricht niet bepalend of in onderhavig geval sprake is geweest van concreet gevaar. Gevaar is aanwezig als door de verkeersovertreding de kans op het plaatsvinden van een verkeersongeval in de gegeven situatie heel reëel is geweest. De officier van justitie verwijst hierbij naar een arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1998, LJN ZD1065 waarin is overwogen dat bij toepassing van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) het verkeersgedrag in zijn totaliteit wordt gewaardeerd en daarbij wordt getoetst of door dat gedrag de vrijheid van het verkeer wordt belemmerd of de veiligheid op de weg in gevaar wordt gebracht of redelijkerwijze in gevaar kan worden gebracht. Nu de verbalisant heeft verklaard dat ter plaatse regelmatig met snelheden boven de 100 kilometer per uur wordt gereden en het achteropkomend verkeer door de handelwijze van de betrokkene sterk moest afremmen, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat voldoende is gebleken dat er sprake is geweest van een zodanig gedrag dat daardoor gevaar en/of hinder op de weg is veroorzaakt dan wel kon worden veroorzaakt. Nu de kantonrechter dit heeft miskend en op grond daarvan niet tot de overtuiging is gekomen dat de gedraging is verricht, is de officier van justitie van mening dat onderhavige zaak ten onrechte is vernietigd.

6. Allereerst stelt de betrokkene zich op het standpunt dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij voert daartoe aan dat de officier van justitie, blijkens zijn beroepschrift, beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter te Schiedam.

7. In het beroepschrift van de officier van justitie is het CJIB-nummer, het CVOM registratienummer en het rechtbanknummer vermeld. Voorts staat er in het beroepschrift slechts eenmaal vermeld dat de beslissing is gegeven door de kantonrechter te Schiedam, terwijl voor het overige steeds wordt gesproken over de kantonrechter te Gouda. Nu duidelijk is tegen welke beslissing de officier van justitie beroep heeft ingesteld, zal het hof aan de verschrijving van de officier van justitie geen gevolgen verbinden.

8. De betrokkene stelt zich verder op het standpunt dat er geen verkeersovertreding is gepleegd op grond waarvan sprake kan zijn van gevaarzetting. De weg ter plaatse is namelijk goed overzichtelijk en ook van andere weggebruikers mag alertheid worden verwacht. De betrokkene reed in zijn voertuig van Haastrecht naar Oudewater toen hij een langs de weg stilstaand voertuig passeerde. Hij zag de persoon in dat voertuig in een ver onderuit gezakte houding zitten. Derhalve heeft hij zijn voertuig gekeerd om te zien wat er aan de hand was. Hij is naast het voertuig gestopt om zich ervan te vergewissen dat er niets ernstigs aan de hand was. Daarbij heeft hij alle voorzichtigheid in acht genomen. Toen pas zag hij dat het een onopvallend politievoertuig betrof. Nu de betrokkene geen ander verkeer in gevaar heeft gebracht, heeft de kantonrechter het beroep naar zijn mening terecht gegrond verklaard.

9. De betrokkene heeft met betrekking tot het aanvullend proces-verbaal van 9 maart 2009 aangevoerd dat hij sterk het vermoeden krijgt dat de verbalisant zijn verklaring telkenmale aanpast aan hetgeen hij heeft aangevoerd. Het door hem in hoger beroep gevoerde verweer is eveneens bij de kantonrechter aan de orde gekomen en toen is dat niet door de officier van justitie weersproken. Tot zijn verbazing wordt in het aanvullend proces-verbaal ineens gesteld dat achteropkomend verkeer moest afremmen toen hij wegreed. De betrokkene ontkent dit ten stelligste. Hij is van mening dat er ernstig getwijfeld moet worden aan de aannemelijkheid van de verklaring van de verbalisant. Het betoog van de verbalisant dat de betrokkene hem niet heeft kunnen zien zitten is eveneens onjuist. Zijn waarneming dat iemand onderuit gezakt in het voertuig zat heeft hij gedaan toen hij het voertuig tegemoet kwam rijden en niet nadat hij zijn voertuig had gekeerd en naast het voertuig van de verbalisant is gestopt. Voorts blijft de betrokkene bij zijn verweer dat de verbalisant voorin het voertuig heeft gezeten. Zijn meegebrachte getuige heeft dit ter zitting bevestigd.

10. De gemachtigde van de betrokkene voert ter zitting aan dat er aan de verklaring van de verbalisant getwijfeld moet worden, omdat hij ten onrechte heeft verklaard dat hij achterin het voertuig zat terwijl hij voorin zat. Voorts is aangevoerd dat stoppen op deze weg heel normaal is, omdat er afgeslagen moet worden naar de aan die weg gelegen boerderijen. Indien het hof tot het oordeel mocht komen dat de gedraging is verricht dan verzoekt de gemachtigde om matiging van de opgelegde sanctie, omdat de betrokkene als goed burger heeft gehandeld en hem niets te verwijten dan wel toe te rekenen valt.

11. Het hof stelt voorop dat indien een verbalisant een gedraging constateert, hij de door hem waargenomen gegevens noteert op een brondocument. De gegevens op het brondocument worden vervolgens ingevoerd in een computersysteem. Het zaakoverzicht van het CJIB is een weergave van deze ingevoerde gegevens. De in het zaakoverzicht van het CJIB weergegeven verklaring van de verbalisant luidt als volgt:

"Betrokkene reed van Oudewater naar Haastrecht en stopte enige tijd op de rijstrook om bij verbalisant, die daar met een onopvallende radarauto bezig was met een snelheidscontrole, naar binnen te kijken. Achteropkomend verkeer moest sterk afremmen. Ter plaatse wordt regelmatig met snelheden boven de 100 km/uur gereden."

12. Nu de verbalisant bij het constateren van de gedraging reeds heeft aangegeven dat het achteropkomend verkeer sterk moest afremmen, ziet het hof in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te vermoeden dat de verbalisant op oneigenlijke wijze zijn verklaring aanpast aan hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd. Het op dit punt gevoerde verweer wordt daarom verworpen.

13. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

14. In het op 9 maart 2009 opgemaakte aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant op ambtsbelofte onder meer het volgende verklaard:

"Op 3 januari 2008 was ik belast met een snelheidscontrole door middel van een radarwagen op de Provincialeweg N228 te Haastrecht, (…). Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. De controle werd gedaan door middel van meet- en registratie-apparatuur aan de achterzijde van de radarauto. Ik bevond mij ten behoeve van de bediening van de apparatuur achterin de radarauto waarvan de achterruit en de achterzijruiten geblindeerd zijn conform het daartoe gestelde. Door mijn positie was ik niet zichtbaar voor achteropkomend verkeer c.q. bestuurders. Het kan onmogelijk zo zijn dat betrokkene mij al dan niet heeft zien zitten of heeft kunnen veronderstellen dat er iemand in de auto zat die onwel was geworden. Vanuit de richting Oudewater naderde mij een personenauto die op de rijstrook richting Haastrecht/Gouda pal naast de radarwagen ging stilstaan. Zowel voor als achter de radarwagen was ter plaatse parkeerruimte genoeg. Ik verbalisant, zag dat iemand in de radarwagen keek. Na enige tijd reed de personenauto verder waarbij ik, verbalisant, het kenteken heb kunnen noteren. Op het moment dat ik het kenteken noteerde naderde achteropkomend verkeer dat moest afremmen voor het optrekkende en wegrijdende voertuig. Ter plaatse worden tijdens regelmatige controles snelheden van boven de 100 km/uur vastgelegd. Door deze manoeuvre werd of kon het overige verkeer in gevaar worden gebracht.(…)."

15. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene en zijn gemachtigde hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal van 9 maart 2009 staat vermeld. Weliswaar heeft de ter zitting gehoorde getuige [getuige] verklaard dat de betrokken verbalisant niet achterin maar voorin het voertuig zat, doch - ook al zou dit als waar worden aangenomen - dan nog acht het hof dat onvoldoende om de verklaring van de verbalisant ook voor het overige ter zijde te stellen. In dit verband wordt erop gewezen dat een deel van de verklaring van de verbalisant overeen komt met hetgeen de betrokkene zelf heeft aangevoerd, te weten dat hij inderdaad op de rijstrook van de provinciale weg N228 heeft stilgestaan en dat - zoals de betrokkene ter zitting heeft erkend - voor of achter de radarauto voldoende parkeerruimte was.

16. Het hof is van oordeel dat aldus genoegzaam is komen vast te staan dat de betrokkene de gedraging heeft verricht. Daar kan niet aan afdoen dat, zoals de betrokkene aanvoert, aan de weg verschillende woningen zijn gelegen zodat stilstaand (afslaand) verkeer op deze provinciale weg niet ongebruikelijk is. Dat laat immers onverlet dat achteropkomend verkeer in redelijkheid geen rekening hoeft te houden met een verkeersmanoeuvre als door de betrokkene verricht. Niet gesteld of gebleken is dat ter hoogte van de plaats waar de controle auto stond geparkeerd afslaand verkeer kon worden verwacht, terwijl daartegenover wel vast staat dat ter plaatse met een snelheid van 80 km/uur mag worden gereden en achteropkomend verkeer moest afremmen voor het optrekkende en wegrijdende voertuig van de betrokkene.

17. Het hof wil wel aannemen dat de betrokkene heeft gehandeld uit hulpvaardigheid en meende te maken te hebben met een onwel geworden bestuurder. Het hof slaat dan ook geen acht op de ongevraagd gestuurde brief van de verbalisant van - eveneens - 9 maart 2009 waarin de suggestie wordt gedaan dat de betrokkene vaker snelheidscontroles tracht te hinderen. Echter, ook indien een burger hulp wil bieden aan andere verkeersdeelnemers dient dat op een verantwoorde wijze te geschieden. Nu de betrokkene op de rijstrook stilstond, terwijl er ter plaatse een parkeerplaats beschikbaar was, is niet gebleken dat de betrokkene op verantwoorde wijze heeft gehandeld. Derhalve ziet het hof geen aanleiding om de opgelegde sanctie te matigen.

18. Nu naar de overtuiging van het hof is komen vast te staan dat de gedraging is verricht en het hof geen aanleiding ziet de opgelegde sanctie te matigen, komt het hof tot de slotsom dat de kantonrechter ten onrechte het beroep gegrond heeft verklaard. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie alsnog ongegrond verklaren.

19. Het hof acht geen termen aanwezig om tot vergoeding van door de betrokkene gemaakte kosten over te gaan. Het hof zal daarom het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Sekeris, Poelman en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.