Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0591

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
24-000681-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken ter zake het tezamen in vereniging opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne. Er is ten onrechte gebruik gemaakt van de in artikel 9, eerste lid, onder a van de Opiumwet gegeven bevoegdheid tot het betreden van vervoermiddelen. De in de auto aangetroffen drugs is aldus op onrechtmatige wijze verkregen en kan daarom niet tot het bewijs worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van verdachte en medeverdachte, nu deze verklaringen kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks gevolg van bovenomschreven onrechtmatige betreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000681-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-620863-08

Arrest van 16 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Assen van 13 maart 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel opgelegd en heeft beslist omtrent de in beslag genomen goederen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1 ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Ten aanzien van de in beslag genomen goederen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de heroïne en cocaïne zal onttrekken aan het verkeer en teruggave zal gelasten van het geld.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover van belang in hoger beroep en met inachtneming van de verbeterde lezing van de rechter in eerste aanleg - ten laste gelegd, dat:

1.

verdachte op of omstreeks 3 juli 2008, in de gemeente[gemeente], althans in het arrondissement Assen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid heroïne en/of een hoeveelheid cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Vrijspraak

Verdachte wordt onder 1 - zakelijk weergegeven - verweten dat hij op 3 juli 2008 - met een ander - een hoeveelheid heroïne en/of cocaïne aanwezig heeft gehad.

Uit een proces-verbaal blijkt dat twee verbalisanten op 3 juli 2008 een personenauto van het merk Volkswagen, voorzien van het kenteken [kenteken], zien die in tegengestelde richting een rotonde oprijdt, kennelijk met het doel om op deze wijze een vrachtauto in te halen. Uit een onderzoek naar het bovengenoemde kenteken blijkt op dat moment dat de persoon op wiens naam de auto staat, niet in het bezit is van een geldig rijbewijs. Terwijl de verbalisanten het betreffende voertuig volgen, constateren zij dat het voertuig zich slingerend voortbeweegt over de rijbaan. Zij relateren in het proces-verbaal dat bij hen het vermoeden rijst dat de bestuurder van het voertuig mogelijk onder invloed is van alcohol. Hierop besluiten ze de bestuurder van het voertuig een stopteken te geven. Nadat de bestuurder het voertuig tot stilstand heeft gebracht, vragen de verbalisanten de bestuurder zijn rijbewijs ter inzage aan hen af te geven en een blaasproef te doen op een dräger. Van een nader onderzoek naar alcoholgebruik door de bestuurder blijkt verder niets uit het dossier.

Bij het natrekken van de persoonsgegevens die vermeld staan op het rijbewijs dat de bestuurder overhandigt, blijkt dat met betrekking tot deze persoon HKS gegevens geregistreerd zijn ten aanzien van opiumwetgeving. Hetzelfde geldt voor de persoon genoemd op de door de bijrijder - verdachte - inmiddels overgelegde identiteitskaart.

Volgens het proces-verbaal verzoeken de verbalisanten naar aanleiding van deze constateringen de beide personen uit het voertuig te stappen om de auto zodoende te onderwerpen aan een onderzoek in drugsgerelateerde zaken. Hierop betreedt één van de verbalisanten het betreffende voertuig. Hij vindt in een apart vakje onder het dashboardkastje aan de bijrijderzijde een zestal zakjes met een gebruikershoeveelheid op harddrugs gelijkend poeder. Beide personen worden vervolgens aangehouden op verdenking van handel in harddrugs.

De aangetroffen zakjes blijken cocaïne en heroïne te bevatten en zijn, blijkens een verklaring van de bestuurder, van zowel hem als verdachte.

Naar de letter van het proces-verbaal is het betreden van het betreffende voertuig met het oog op drugsgerelateerde zaken enkel gebaseerd op het feit dat beide inzittenden volgens een registratiesysteem van de politie (HKS) antecedenten hebben op het gebied van overtredingen van de Opiumwet. Dit enkele feit kan naar het oordeel van het hof echter bezwaarlijk een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Opiumwet opleveren. Hieruit volgt dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de in dit artikel gegeven bevoegdheid tot het betreden van vervoermiddelen.

Het hof is van oordeel dat het bewijsmateriaal aldus op onrechtmatige wijze is verkregen en daarom niet tot bewijs kan worden gebruikt. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van verdachte en medeverdachte, nu deze verklaringen kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks gevolg van de onrechtmatige betreding van het voertuig.

Nu overigens geen bewijsmiddelen voorhanden zijn dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Onttrekking aan het verkeer

Het hof zal de in beslag genomen hoeveelheid cocaïne en heroïne aan het verkeer onttrekken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 13a van de Opiumwet.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van onder 2 ten laste gelegde;

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

- één bolletje cocaïne;

- vijf bolletjes heroïne;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- twee € 100,-- biljetten;

- zes € 50,-- biljetten;

- vijf € 20,-- biljetten;

- zeven € 10,-- biljetten;

- vijf € 5,-- biljetten.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.