Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0390

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
BK 138/08 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende de onder 2.1 vermelde kosten als persoongebonden aftrek in mindering kan brengen op het belastbare inkomen uit werk en woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/2557 met annotatie van vanArnhem
FutD 2009-2271

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/138

uitspraakdatum: 9 oktober 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 07/01 van de rechtbank Leeuwarden (: de rechtbank) van 9 juni 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, de inspecteur.

1. Het ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 4 juli 2006 is aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) voor het jaar 2004 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.005. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur in zijn uitspraak van 22 november 2006 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1 vermelde uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 9 juni 2008, verzonden op 10 juni 2008, het beroep ongegrond verklaard. Aldaar is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank.

1.3 Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift (met bijlage) van 14 juli 2008, bij het hof ingekomen op 16 juli 2008. Van de inspecteur heeft het hof op 11 augustus 2008 een verweerschrift ontvangen.

1.4 Ter zitting van 1 september 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Daarbij is belanghebbende verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Namens de inspecteur is verschenen de heer A.

1.5 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Belanghebbende en zijn echtgenote hebben kosten gemaakt voor de adoptie in 2004 van B, een meisje uit China. Deze kosten betreffen onder andere een bedrag van € 922 aan reis- en verblijfkosten van C, een eerder in juni 2002 geadopteerde dochter. Deze kosten zijn toegerekend aan belanghebbende.

2.2 De Chinese overheid verplichtte beide adoptieouders voor de adoptie van hun tweede dochter om in persoon naar China te komen. In verband met het hechtingsproces tussen C (ten tijde van de reis 3 jaar oud) en haar ouders hebben belanghebbende en zijn echtgenote besloten om haar mee te nemen naar China. De periode van verblijf in China in 2004 was ongeveer 2 weken.

3. Het geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende de onder 2.1 vermelde kosten als persoongebonden aftrek in mindering kan brengen op het belastbare inkomen uit werk en woning.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe - zakelijk weergegeven en samengevat - aan dat op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) de kosten van een - eerder geadopteerd - meereizend kind bij adoptie als persoonsgebonden aftrek in mindering moeten kunnen worden gebracht. Artikel 39 van Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) is volgens belanghebbende in zoverre in strijd met artikel 8 van het EVRM.

3.3 De inspecteur beantwoordt de hiervoor onder 3.1 bedoelde vraag ontkennend en voert daartoe - zakelijk weergegeven en samengevat - aan dat artikel 8 van het EVRM de wetgever niet verplicht om de kosten van een meereizend (eerder geadopteerd) kind in aftrek toe te staan.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1 Ingevolge de artikelen 6.16, aanhef en onderdeel f, en 6.23, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 jo. artikel 39, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling kunnen de onderwerpelijke reis- en verblijfkosten van een, eerder geadopteerd, meereizend kind niet als buitengewone uitgave in aftrek worden gebracht. Ook anderszins vormen deze kosten op grond van de wettelijke bepalingen geen persoonsgebonden aftrek.

4.2 Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de uitsluiting van de aftrek van de onderhavige kosten strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM, dat als volgt luidt.

"Artikel 8 . Recht op eerbiediging van privéleven, familie- en gezinsleven

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

4.3 Het hof ziet niet in dat het niet in aftrek toestaan van de onderhavige kosten een inbreuk vormt op het recht op eerbieding van het familie- of gezinsleven van belanghebbende als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Door het niet toestaan van de aftrek van die kosten is belanghebbende immers niet belemmerd in zijn vrijheid om zijn gezinsleven in te richten zoals hij wil(de). Ondanks het niet toestaan van de betreffende aftrek was belanghebbende gewoon vrij om zijn eerder geadopteerd kind mee te nemen naar China. In de fiscale wet- en regelgeving bestaan daarvoor geen belemmeringen. Niet gezegd kan worden dat het geheel voor rekening van belanghebbende laten van de in geding zijnde kosten een inmenging in het openbaar gezag inhoudt dat aan de uitoefening van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven van belanghebbende te kort doet. Daarbij staat voor het hof overigens buiten twijfel de reden en het belang daarvan om dochter C mee te nemen naar China (zie 2.2).

4.4 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

5. De proceskosten

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr.dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, prof.mr. D.B. Bijl en mr. F.J.W. Drion, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 9 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 14 oktober 2009

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.