Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0389

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
16-10-2009
Zaaknummer
BK 90/08 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM6730, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

-Mag belanghebbende bij het bepalen van zijn winst uit onderneming rekening houden met een bedrag aan reiskosten van € 6.671?

-Heeft belanghebbende recht op zelfstandigenaftrek?

-Is bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning rekening gehouden met een eigenwoningforfait van € 620?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2284
FutD 2009-2274
V-N 2010/4.1.2

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

kenmerk: 08/00090

uitspraakdatum: 9 oktober 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Z,

belanghebbende

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 07/660 van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2008, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 8 juli 2005 heeft de inspecteur aan belanghebbende een ambtshalve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2002 opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.849. Gelijktijdig met deze aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 567.

1.2. Het tegen deze aanslag en boete ingediende bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 31 januari 2007 gegrond verklaard. Hij heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op € 23.542 en de boete verminderd tot een bedrag van € 113.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak van 20 maart 2008, verzonden op 21 maart 2008, het tegen de aanslag en boete gerichte beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.751 en de boete verminderd tot een boete van € 68. Tevens heeft de rechtbank vergoeding van het griffierecht gelast.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift (met bijlage) is op 28 april 2008 bij het hof ingekomen. Op 28 mei 2008 heeft het hof de gronden van het beroep ontvangen. De inspecteur heeft op 18 augustus 2008 een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

1.5. Ter zitting van 15 september 2009 heeft het hof het hoger beroep behandeld. Op de zitting zijn verschenen belanghebbende en namens de inspecteur A.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Feiten

Voor de feiten verwijst het hof naar hetgeen onder 1.1 tot en met 1.4 staat vermeld in de uitspraak van de rechtbank. Daarover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof daarvan zal uitgaan. In die uitspraak zijn de feiten - die het hof heeft vernummerd tot 2.1 tot en met 2.4 - als volgt weergegeven (waarbij het hof opmerkt dat de rechtbank belanghebbende 'eiser' noemt en de inspecteur 'verweerder').

''2.1. Eiser was in het jaar 2002 werkzaam als (zelfstandig) assurantietussen-persoon. Hij had in dat jaar een vestiging in Z en één in L. Gedurende het jaar 2002 reisde hij vanuit zijn woonplaats Z zes dagen per week naar de vestiging in L.

2.2 In februari 2003 heeft verweerder aan eiser een aangiftebiljet IB/PVV voor het jaar 2002 uitgereikt. Omdat eiser dit aangiftebiljet niet binnen de door verweerder - op eisers verzoek verlengde - termijn had ingediend en evenmin binnen de vervolgens door verweerder aan eiser gezonden aanmaning gestelde termijn, heeft verweerder met dagtekening 8 juli 2005 ambtshalve aan eiser een aanslag IB/PVV voor het jaar 2002 opgelegd. Het in deze aanslag begrepen belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder schattenderwijs vastgesteld. Verweerder heeft bij deze aanslag aan eiser tevens een verzuimboete opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte.

2.3 Eiser heeft op 12 augustus 2005 pro forma bezwaar aangetekend tegen de onderhavige aanslag. Bij brief van 24 augustus 2005 heeft verweerder eiser verzocht om zijn bezwaarschrift vóór 21 september 2005 te voorzien van een motivering. Op 28 september en 15 november 2006 heeft verweerder eiser gerappelleerd aan dit verzoek. Hieraan heeft eiser geen gehoor gegeven. Bij brief van 4 januari 2006 heeft verweerder voor de laatste keer gerappelleerd, in die zin dat hij eiser in de gelegenheid heeft gesteld om binnen twee weken na dagtekening van de brief de aangifte voor het jaar 2002 in te dienen. Op 24 januari 2006 heeft eiser aan verweerder een faxbericht gezonden, waarin hij aangeeft dat het aangiftebiljet op korte termijn zal worden ingeleverd. Verweerder heeft eiser op 3 februari 2006 nogmaals verzocht om het aangiftebiljet in te dienen. Bij brief van 2 maart 2006 heeft verweerder aan eiser aangekondigd dat, nu hij nog steeds geen aangifte van hem heeft ontvangen, hij het bezwaar zal afwijzen. Verweerder heeft eiser hierbij gewezen op zijn hoorrecht. Op eisers verzoek heeft vervolgens op 22 maart 2006 een gesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gesprek heeft eiser op 27 maart 2006 het aangiftebiljet ingediend. Na beoordeling van dit aangiftebiljet heeft verweerder eiser verzocht om een aantal posten nader te specificeren. Op 17 mei 2006 heeft verweerder met eiser het ingeleverde aangiftebiljet besproken. Eiser heeft hierbij toegezegd een aantal specificaties op te sturen. Overeenkomstig deze toezegging heeft eiser een aantal specificaties gezonden aan verweerder, maar deze waren niet volledig. Hierop heeft verweerder eiser verzocht om een aantal posten nader te specificeren. Eiser heeft vervolgens op 17 augustus 2006 een drietal ordners met facturen en andere overzichten afgeleverd bij verweerder. Verweerder heeft hem naar aanleiding hiervan bij brief van 20 december 2006 voorgehouden dat het overhandigen van een drietal ordners geen specificatie inhoudt. Op 14 december 2006 heeft op eisers verzoek een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en verweerder, waarbij eiser heeft toegezegd alsnog de specificaties op te sturen. Aangezien deze specificaties niet zijn ingediend, heeft verweerder op 16 januari 2007 de kennisgeving van de uitspraak op bezwaar toegezonden. Op 31 januari 2007 heeft verweerder uiteindelijk (officieel) uitspraak gedaan op eisers bezwaar.

2.4 Bij de uitspraak op eisers bezwaar heeft verweerder bij het bepalen van eisers winst uit onderneming inzake zijn werkzaamheden als assurantietussenpersoon de omzet vastgesteld overeenkomstig de door eiser ten aanzien van zijn beroepsaan-sprakelijkheidsverzekering Bavam opgegeven omzet van € 13.853,--. De door eiser bij het bepalen van zijn winst (als algemene kosten) in aanmerking genomen reiskosten van € 6.671,-- (23.825 km maal € 0,28) heeft verweerder tot een forfaitair bedrag van € 1.560,-- in aftrek toegelaten. Het bij de aanslag vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning heeft verweerder - na nog enige andere thans niet relevante correcties - verminderd tot een bedrag van € 23.542,--."

In aanvulling daarop stelt het hof op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting nog de volgende feiten vast.

2.5. De vestiging te L bestaat uit een postbusnummer en een kantoorruimte in de woning van belanghebbendes dochter.

2.6. De onder 2.3 bedoelde herhaalde verzoeken van de inspecteur om een aantal posten nader te specificeren betroffen onder andere de reiskosten van € 6.671.

2.7. De onder 2.4 vermelde omzet van € 13.853 is bij de bestreden uitspraak van de rechtbank verminderd tot een bedrag van € 9.062.

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

- Mag belanghebbende bij het bepalen van zijn winst uit onderneming rekening houden met een bedrag aan reiskosten van € 6.671?

- Heeft belanghebbende recht op zelfstandigenaftrek?

- Is bij de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning rekening gehouden met een eigenwoningforfait van € 620?

De verzuimboete is, naar belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft meegedeeld, niet meer in geschil.

3.2. Belanghebbende beantwoordt voormelde vragen bevestigend. Hij is van mening dat hij reiskosten heeft gemaakt om in L te komen en daarna verder het land in te gaan. Hij stelt zich verder op het standpunt dat hij voldoet aan de urennorm voor zelfstandigenaftrek. Wanneer inderdaad geen inkomsten uit eigen woning meer in het belastbare inkomen uit werk en woning zijn begrepen, kan dit geschilpunt vervallen.

3.3. De inspecteur beantwoordt de vragen ontkennend. Hij stelt hij zich op het standpunt dat belanghebbende de reiskosten niet aannemelijk heeft gemaakt, dat niet aannemelijk is dat belanghebbende aan het urencriterium voldoet gelet op een omzet van € 9.062 en dat bij de uitspraak op bezwaar geen rekening meer is gehouden met een eigenwoningforfait.

3.4. Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van de partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. De rechtbank heeft ten aanzien van de reiskosten in haar uitspraak - kort

samengevat - geoordeeld dat de reizen tussen belanghebbendes woonplaats Z en L moeten worden aangemerkt als woon- werkverkeer met een afstand van meer dan 20 kilometer, zodat daarvoor geen hoger bedrag in aftrek kan worden gebracht dan het door de inspecteur in aftrek toegelaten bedrag van € 1.560. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij - niet onder het reiskostenforfait vallende - zakelijke reizen heeft gemaakt. De aftrek is daarom terecht gemaximeerd tot het bedrag van € 1.560. Het hof onderschrijft deze oordelen van de rechtbank en neemt de daartoe in de uitspraak van de rechtbank onder 3.2 tot en met 3.4 gebezigde gronden over en maakt deze tot de zijne. Daaraan voegt het hof nog toe dat belanghebbende ter zitting van het hof geen nieuw bewijs heeft aangedragen voor zijn zakelijke reizen. De stelling dat hij in een eerder stadium overzichten aan de inspecteur heeft verstrekt, maakt hij tegenover de gemotiveerde ontkenning van de inspecteur niet waar. De onder 2.3 en 2.6 vastgestelde feiten maken belanghebbendes stelling ook niet aannemelijk.

4.2. Uit belanghebbendes aangiftebiljet IB/PVV voor het jaar 2002 blijkt niet dat hij aanspraak maakt op zelfstandigenaftrek. Eerst in hoger beroep deelt hij mee in aanmerking te willen komen voor de zelfstandigenaftrek. Een onderbouwing van de aan de onderneming bestede uren wordt niet overgelegd. Ter zitting van het hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij uitkomt op ongeveer 1.500 uren aan reistijd, bezoeken en het voeren van procedures. Hij stelt de inspecteur hiervan een overzicht te hebben verstrekt. De inspecteur ontkent dit. Gelet op de geringe omzet van € 9.062 acht de inspecteur ook niet aannemelijk dat belanghebbende aan het urencriterium voldoet. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan het urencriterium zodat hij niet in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek.

4.3. Ter zake van de eigen woning zijn geen inkomsten begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning zoals dat door de rechtbank is vastgesteld. Dit geschilpunt kan derhalve vervallen.

4.4. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. G.M. van der Meer, voorzitter, F.J.W. Drion en A.C. van Leijenhorst, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 9 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 14 oktober 2009

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.