Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0251

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2009
Datum publicatie
15-10-2009
Zaaknummer
24-002416-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt verdachte vrij van - de onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde - poging tot moord respectievelijk poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling. Het hof kan uit de bewijsmiddelen niet afleiden dat verdachte aangever opzettelijk met een mes heeft gestoken, dan wel stekende bewegingen heeft gemaakt.

Het hof acht de - onder 1 te laste gelegde - poging tot moord bewezen. Verdachte heeft aangever - onder meer - 16 keer gestoken met een mes. Door deze messteken heeft aangever zodanig letsel opgelopen dat hij daaraan had kunnen overlijden. Verdachte had van tevoren het plan beraamd om aangever te doden. Gelet op de getroffen voorbereidingen en de tijd die verdachte had om zich te beraden op zijn genomen besluit, acht het hof bewezen dat er sprake is van voorbedachte raad. Verdachte is volledig toerekeningsvatbaar. De vordering van de benadeelde partij wordt geheel toegewezen.

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren. De op te leggen straf is hoger dan de straf die de rechtbank heeft opgelegd, mede omdat het hof de familieomstandigheden van verdachte niet aanmerkt als zijnde strafverminderend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-002416-08

Parketnummer eerste aanleg: 17-880222-08

Arrest van 15 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 30 september 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

volgens eigen opgave ter zitting wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. T. Bruinsma, advocaat te Lemmer.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens het onder 1 ten laste gelegde misdrijf veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren, heeft een maatregel opgelegd en heeft op de vordering benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven. Verdachte is vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1 primair (poging tot moord) en 2 primair (poging tot doodslag) ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij ad € 19.480,00 zal toewijzen en ter zake van dat bedrag tevens een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2008 te [plaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

- (om herkenning te voorkomen) een pruik heeft opgezet en/of een mes en/of een stroomstootwapen en/of een traangasbusje heeft meegenomen en/of (vervolgens) ter hand heeft genomen en/of

- die [benadeelde] heeft/is gevolgd en/of heeft opgewacht en/of (vervolgens) heeft besprongen/aangevallen, in elk geval (dicht) genaderd en/of

- een stroomstootwapen op/tegen (de kleding aan) het lichaam van die [benadeelde] heeft gedrukt/geduwd en/of gedrukt/geduwd gehouden en/of

- traangas in het gelaat van die [benadeelde] heeft gespoten, in elk geval met traangas heeft gespoten en/of (vervolgens)

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met dat mes in de buik en/of borstkas en/of rug, in elk geval de romp, en/of een of meerdere ander(e) de(e)l(en) van het lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 mei 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met) een mes in/tegen de rug, in elk geval het (boven)lichaam, heeft geduwd/gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte

hij op of omstreeks 26 mei 2008 te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met) een mes in/tegen de rug, in elk geval het (boven)lichaam, heeft geduwd/gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

Het hof acht niet bewezen hetgeen onder 2 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof het volgende.

Aangever [slachtoffer 1] heeft op 27 mei 2008 bij de politie - onder meer - verklaard: 'Ik heb niet het idee gehad dat hij (het hof begrijpt: verdachte) het mes tegen mij wilde gebruiken' en 'Ik zag op dat moment een stekende beweging. Naar mijn idee was deze stekende beweging gericht naar het slachtoffer.' Voorts heeft aangever [slachtoffer 1] tijdens dit verhoor verklaard: 'De agressie was gericht tegen de andere man (het hof begrijpt: [benadeelde]) en niet tegen mij of mijn broer.'

Uit bovengenoemde verklaringen van [slachtoffer 1] bij de politie kan het hof niet afleiden dat verdachte hem opzettelijk met een mes in zijn rug heeft gestoken dan wel stekende bewegingen met een mes naar zijn rug heeft gemaakt.

Op 15 juni 2009 heeft aangever [slachtoffer 1] een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. [slachtoffer 1] heeft tijdens dit verhoor - onder meer - verklaard: 'Ik had niet het idee dat hij probeerde mij neer te steken' en 'Ondanks die klap op mijn rug, dacht ik dat hij die andere persoon wilde gaan steken.'

Gelet op deze verklaring begrijpt het hof dat aangever noch door verdachte opzettelijk in zijn rug is gestoken, noch dat er stekende bewegingen door verdachte richting aangevers rug zijn gemaakt.

Het hof zal gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] afgelegd bij zowel de politie als de rechter-commissaris vrijspreken van het aan verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Overwegingen met betrekking feit 1

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot moord omdat er geen sprake was van handelen met voorbedachten rade.

Op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Op de avond van 26 mei 2008, omstreeks 22:15 uur, is verdachte van huis gegaan om de ex-man van zijn vriendin, aangever [benadeelde], te volgen en te observeren. Verdachte meende dat [benadeelde] in de drugshandel zat en wilde weten met wie hij in dat verband contacten onderhield. Verdachte had een tas bij zich met daarin twee messen, een stroomstootwapen en traangas (pepperspray). Hij droeg "dubbele" kleding, handschoenen en een pruik; die laatste om herkenning te voorkomen. Verder plaatste hij zijn, voor aangever onbekende (pagina 272 van het proces-verbaal van politie), fiets op de [straat 1] te [plaats], vlakbij de plaats van de latere confrontatie.

[benadeelde] liep die avond, vanuit zijn woning (een stuk verderop) aan de [straat 1], zijn vaste route om zijn hondje uit te laten. Op de terugweg liep hij op de [straat 2] en was voornemens via de [straat 1] terug te keren naar zijn woning.

Verdachte heeft op enig moment tijdens zijn observatie van [benadeelde] zijn stroomstootwapen en zijn mes uit zijn tas gehaald en in de zakken van zijn jas gestoken. Zijn handen hield hij vervolgens op die wapens.

Omstreeks 22:30 uur vond er een confrontatie plaats tussen [benadeelde] en verdachte (ongeveer) op de hoek van de [straat 2] en de [straat 1]. Verdachte heeft [benadeelde] gestoken met zijn mes. Ter zitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat hij [benadeelde] tweemaal heeft gestoken, in diens buik en zij. Uit de medische informatie (GGD Fryslan, d.d. 29 mei 2008) is gebleken dat [benadeelde] "16 steekwonden in buik en borstholte (ook vanaf de rug)" had opgelopen. [benadeelde] had als gevolg van die verwondingen (onder meer) een ingeklapte long en zodanige steekverwondingen in de buik dat er sprake was van een uitpuilende darm.

De gewonde [benadeelde] is de [straat 1] op gerend en heeft op de ramen van de daaraangelegen woningen gebonkt. [slachtoffer 1] en kort daarna [betrokkene/getuige] zijn daarop naar buiten gekomen en hebben verdachte overmeesterd. Zij hebben hem twee messen afhandig gemaakt. Dit speelde zich af voor [straat 1][adres].

De waarheid?

Verdachte heeft betoogd dat aangever [benadeelde] heeft gelogen over het begin van de confrontatie. Ze kwamen elkaar tegen op de kruising van de [straat 2] en de [straat 1] en niet verdachte, maar [benadeelde] is begonnen met vechten. Verdachte moest zich daartegen verdedigen.

Volgens verdachte werd hij plotseling en onverwacht geconfronteerd met [benadeelde].

Volgens aangever is hij tijdens het uitlaten van zijn hondje van achteren besprongen door verdachte. Hij kreeg pepperspray in zijn gezicht en werd gestoken met een stroomstootwapen. Verdachte schreeuwde daarbij: "Now it's over, you are going to die" en "You basterd, now I am going to finish you. You're finished." Aangever zag toen een mes en is weggerend en bonsde op de ramen van een aantal woningen aan de [straat 1]. In die tussentijd heeft verdachte aangever meermalen met het mes gestoken, daarbij (in het Engels) roepend dat aangever dood moest. [slachtoffer 1] en [betrokkene/getuige] schoten te hulp. Volgens aangever heeft hij zijn leven aan hen te danken.

De verklaringen van verdachte en aangever lopen dus uiteen. De vraag die het hof moet beantwoorden is welke lezing van het gebeurde de juiste is en aan wiens verklaring waarde kan worden gehecht.

Daarbij spelen de volgende objectief vast te stellen feiten en omstandigheden een rol.

Ten eerste de vraag naar het begin van de confrontatie. Kwamen ze elkaar nu tegen of kwam verdachte "van achteren?

Het politieonderzoek dat is verricht naar de door beiden opgegeven looproutes (pagina 171-172) heeft uitgewezen dat de lezing van verdachte niet klopt, omdat [benadeelde] ruim drie minuten meer tijd nodig heeft gehad dan verdachte om op de eerdergenoemde kruising te komen. Hierin is verdisconteerd dat verdachte even (op de brug) heeft gewacht toen hij [benadeelde] kort uit het oog had verloren. Verder heeft verdachte in zijn verklaring van 29 mei 2008 (pagina 273) aangegeven dat hij snel had gelopen om [benadeelde] weer in het zicht te krijgen.

[benadeelde] daarentegen was onkundig van de observatieactiveiten van verdachte. Ook de avond van de 26e mei 2008 was dat het geval. Hij liep zijn gebruikelijke route, naar valt aan te nemen in een normaal wandeltempo.

Deze gegevens maken het verhaal van verdachte dat het ging om een plotseling en onverwacht elkaar tegenkomen op de bewuste kruising onaannemelijk.

Ten tweede heeft verdachte het gebruik van het stroomstootwapen (met daaraan bevestigd pepperspray) tegengesproken, omdat dat wapen meteen in het begin van de confrontatie door [benadeelde] uit verdachtes hand was geslagen. Hij kón er dus geen gebruik van maken.

Verder heeft verdachte bestreden tijdens dan wel na de confrontatie woorden in de mond te hebben genomen met de strekking dat hij [benadeelde] zou hebben willen doden.

De verklaring van verdachte over het stroomstootwapen en de pepperspray klopt aantoonbaar niet. Dat wapen is aangetroffen op de plaats waar verdachte is overmeesterd (verklaring [getuige 4], pagina 123). Die plaats bevindt zich op een behoorlijke afstand van de plaats van de eerdere confrontatie, gezien de zich in het dossier bevindende plattegrond (pagina 163) ten minste 30 meter daar vandaan.

Bovendien heeft getuige [getuige 1] (pagina 137) kort gesproken met [benadeelde], toen die voor [straat 1][adres] gewond op de grond lag, "om hem bij kennis te houden". Volgens deze getuige heeft [benadeelde] hem toen (onder meer) verteld dat hij was gestoken, nadat hij door de dader was verdoofd. [benadeelde] heeft daarvan dus - anders dan verdachte ter zitting heeft betoogd - meteen melding gemaakt.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte - anders dan hij tegenover het hof heeft beweerd - wel degelijk gebruik heeft kunnen maken van het stroomstootwapen.

Uit de verklaringen van getuigen blijkt voorts dat verdachte toen [slachtoffer 1] en [betrokkene/getuige] hem in bedwang hielden uitspraken jegens aangever deed als:

- 'You're fucking dead [benadeelde]' (getuige [betrokkene/getuige], pagina 112-114)

- 'If you are not dead now, I'll kill you the next time' (getuige [getuige 1], pagina 136-138)

- 'You are a dead man [benadeelde]' (getuige [getuige 2], pagina 133-135).

Deze uitlatingen komen in essentie overeen met hetgeen verdachte volgens aangever bij het begin van de confrontatie tegen hem heeft geschreeuwd.

Dit brengt mee dat het hof bij het vaststellen van de feiten waarde hecht aan de aangifte van [benadeelde] en de daarin opgenomen weergave van de gebeurtenissen, mede omdat die ondersteund wordt door anderen, dan wel door objectief vastgestelde feiten en omstandigheden. De stelling van verdachte dat aangever een leugenaar is, wordt op de hiervoor genoemde punten door de feiten weersproken.

Voorbedachte raad

Voor de bewezenverklaring van voorbedachte raad is het voldoende dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Verdachte heeft [benadeelde] op de betreffende avond gevolgd. Hij heeft dit - naar eigen zeggen - in de weken daarvoor 8 à 9 keren gedaan, overigens zonder het door hem gewenste resultaat, namelijk [benadeelde] betrappen op betrokkenheid bij drugshandel. Dit deed hij telkens vermomd (met pruik) en bewapend met twee messen, een stroomstootwapen en traangas. Verdachte had deze wapens en pruik enige weken tevoren gekocht in Praag om als afschrikmiddel te kunnen gebruiken jegens aangever en in het bijzonder tegen diens (vermeende) drugsrelaties.

Verdachte heeft [benadeelde] op 26 mei 2006 gevolgd, hem besprongen en met een mes gestoken. Daarbij heeft hij woorden geuit, die zijn bedoeling weergaven en die niet voor misverstand vatbaar zijn. [benadeelde] moest dood. Die woorden bleef hij herhalen, zelfs toen hij overmeesterd was.

Uit het geheel van de bewijsmiddelen, waarvan de meeste hiervoor in het kort aan de orde zijn gekomen, blijkt dat verdachte tevoren het plan had opgevat om [benadeelde] te doden. Hij had daartoe de benodigde voorbereidingen getroffen en daarmee ook voldoende tijd om zich te beraden op zijn genomen besluit. Er was dus sprake van voorbedachte raad bij verdachte. Die tijd had hij ook nog, toen hij - vermomd en bewapend - [benadeelde] volgde tot nabij de kruising van de [straat 2] en de [straat 1] alvorens hem daar te bespringen. Ook in die zin is sprake van voorbedachte raad.

Het hof komt dan ook - net als de rechtbank - tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

hij op 26 mei 2008 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- om herkenning te voorkomen een pruik heeft opgezet en een mes en een stroomstootwapen en een traangasbusje heeft meegenomen en ter hand heeft genomen

- en die [benadeelde] heeft gevolgd en vervolgens heeft besprongen, en

- een stroomstootwapen tegen (de kleding aan) het lichaam van die [benadeelde] heeft gedrukt en

- traangas in het gelaat van die [benadeelde] heeft gespoten, en

- vervolgens meermalen, met kracht met dat mes in de buik en borstkas en rug en andere delen van het lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 1: poging tot moord.

Strafbaarheid

De raadsman van verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer(exces).

Gelet op de door het hof vastgestelde feitelijke gang van zaken is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat er voor verdachte een noodweersituatie heeft bestaan.

Omtrent verdachte is door N.A. Schoenmaker, gz-psycholoog en vast gerechtelijk deskundige op 6 september 2008 een rapport uitgebracht. Dat rapport houdt als conclusie onder meer in, dat verdachte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit niet lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, zodat dit feit hem volledig kan worden toegerekend.

Het hof verenigt zich met gemelde conclusie en maakt die tot de zijne.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 26 mei 2008 schuldig gemaakt aan poging tot moord op [benadeelde]. Verdachte had zich goed voorbereid en ging planmatig te werk. Hij heeft [benadeelde] 16 keer gestoken met een mes, onder meer op vitale plaatsen. Door deze messteken heeft [benadeelde] zodanig letsel opgelopen dat hij daaraan had kunnen overlijden. Het is eigenlijk een wonder dat [benadeelde] het heeft overleefd. Het slachtoffer ondervindt tot op heden de nadelige lichamelijke en psychische gevolgen van de steekpartij. In zijn ter zitting van het hof afgelegde slachtofferverklaring heeft [benadeelde] aangegeven dat zijn leven vanaf die avond drastisch is veranderd. Nog steeds heeft hij lichamelijke klachten als gevolg van de aanslag op zijn leven. Bovendien heeft hij maandenlang psychologische therapie moeten volgen. Hij verwoordde het verder als volgt: "Nooit meer kan ik als vrij en onbezorgd mens de straat op".

Verdachte heeft tevens de belangen van de vier jonge kinderen van [benadeelde] geheel uit het oog verloren. Zij moeten leven met de traumatische gebeurtenis dat de vriend van hun moeder hun vader heeft trachten te vermoorden. Verdachte heeft er tegenover het hof geen blijk van gegeven zich te kunnen verplaatsen in hetgeen die kinderen (hebben) moeten doormaken. Verdachte is niet verder gekomen dat de schuld voor het grootste deel bij aangever te leggen.

De poging tot moord op [benadeelde] heeft zich afgespeeld op de openbare weg, waardoor ook anderen, omwonenden, getuige zijn geweest van een hevig bloedend slachtoffer. Dit kan grote invloed hebben op hun gevoelens omtrent veiligheid.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 10 juni 2008 blijkt, dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld. Uit verdachtes Engelse documentatie d.d. 16 september 2009 blijkt voorts dat hij niet eerder in Engeland is veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur recht doet aan de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde feit. Dit is zo ernstig dat oplegging van een dergelijke straf noodzakelijk is.

De op te leggen straf is hoger dan de straf die de rechtbank heeft opgelegd. De reden daarvan is mede gelegen in de omstandigheid, dat de rechtbank van oordeel was dat de familieomstandigheden van verdachte als strafverminderend moesten gelden. Het hof ziet dit anders. Verdachte had als stiefvader van de vier kinderen [benadeelde] zich juist dienen te onthouden van acties jegens hun vader. Voor zijn daad is in ieder geval geen enkel begrip op te brengen. Van (andere) verzachtende omstandigheden is evenmin sprake.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens materiële en immateriële schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij gewaardeerd op € 19.480,00. De vordering is van de zijde van verdachte onvoldoende weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen.

Het komt het hof gepast voor om dit bedrag tevens toe te wijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

De gevorderde wettelijke rente is eveneens voor toewijzing vatbaar.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep ten aanzien van feit 2.

verklaart het verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van negentienduizend vierhonderdtachtig euro, vermeerderd met het bedrag van de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de schade is ontstaan;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van negentienduizend vierhonderdtachtig euro, vermeerderd met het bedrag van de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtweeëndertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. P. Koolschijn en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier, zijnde mr. Roes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.