Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0215

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
24-001822-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten laste gelegd is rijden onder invloed alsmede rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof acht niet bewezen dat verdachte als bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gehandeld. Het enkele feit dat verdachte werd aangetroffen op de bestuurdersplaats van een geparkeerde en stilstaande auto, waarvan de motor draaide - voor welke omstandigheid verdachte een plausibele verklaring geeft - brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat hij als bestuurder van die auto moet worden aangemerkt. Vrijspraak.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/111 met annotatie van Van Eekelen

Uitspraak

Parketnummer: 24-001822-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-650105-08

Arrest van 14 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 25 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte,

mr. M.T. van Daatselaar, advocaat te Hoogeveen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken en voorts dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van twee maanden gevangenisstraf, de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Assen van 1 mei 2007, zal afwijzen nu de tenuitvoerlegging daarvan reeds is bevolen bij vonnis van de politierechter Assen van 22 september 2008.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 6 december 2007, in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994,

135 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

2.

hij op of omstreeks 6 december 2007, in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straat], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Vrijspraak

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij als bestuurder een motorrijtuig heeft bestuurd, terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde. Verdachte heeft ontkend dat hij als bestuurder is opgetreden.

Uit het dossier valt de navolgende gang van zaken af te leiden.

Verbalisanten treffen verdachte op 6 december 2007 aan op de bestuurdersplaats van een geparkeerd staande auto. Zij nemen waar dat er rook komt uit de uitlaat, dat het contactsleuteltje in het slot zit en dat de motor draait. Ter controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 spreken verbalisanten verdachte aan en stellen daarbij vast dat de adem van verdachte riekt naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Verdachte wordt daarop aangehouden en onderworpen aan de ademanalyse. Het resultaat daarvan bedraagt 135 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, hetgeen boven de in artikel 8, derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 neergelegde wettelijke norm van 88 microgram ligt.

Daargelaten de vraag of verdachte kan worden aangemerkt als een met een beginnend bestuurder gelijk te stellen weggebruiker, zoals bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, dient het hof vast te stellen of er wettig bewijs is voor het feit dat verdachte als bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gehandeld.

Verdachte heeft daarover op 6 december 2007 ten overstaan van verbalisanten verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik was vandaag, op 6 december 2007, omstreeks 20.15 uur, op de [straat] te [plaats]. Ik zat in een personenauto van een vriend van mij, genaamd [naam]. Ik reed niet met genoemde personenauto. Ik had de motor van de auto wel gestart, omdat het koud werd en de ramen van de auto begonnen te beslaan.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van de politierechter van 25 juni 2008 betoogd, zakelijk weergegeven:

De auto, waarmee naar [plaats] is gereden, is bestuurd door de heer [naam]. De versnellingsbak ging stuk en [naam] ging hulp halen. Verdachte had daarna de auto gestart, omdat hij het koud kreeg en hij de verwarming wilde aanzetten.

Het hof stelt voorts vast dat verbalisanten verdachte niet hebben zien rijden en dat niet blijkt dat verdachte van plan was om te gaan rijden. De door verdachte genoemde getuige, [naam], is niet gehoord.

In de rechtspraak is gebruikelijk dat als bestuurder van een motorrijtuig - en daarmee tevens als verkeersdeelnemer - wordt aangemerkt elke persoon die bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en de rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt.

Het enkele feit dat verdachte werd aangetroffen op de bestuurdersplaats van een geparkeerde en stilstaande auto, waarvan de motor draaide - voor welk feit verdachte op zichzelf beschouwd een plausibele verklaring geeft - brengt onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof niet mee dat hij als bestuurder van die auto moet worden aangemerkt. Verdachte heeft in de hiervoor omschreven positie niet deelgenomen aan het verkeer noch is gebleken dat hij daarop invloed heeft uitgeoefend. De verkeersveiligheid - het in artikel 8 van de Wegenverkeerswet beschermde belang - was niet in het geding.

Ten overvloede stelt het hof vast dat de door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2005 (LJN: AT7588) betrekking heeft op een andere rechtsvraag, namelijk de vraag of de voor een onderzoek als bedoeld in artikel 8.2a van de Wegenverkeerswet vereiste verdenking gerechtvaardigd was dat verdachte een motorrijtuig had bestuurd.

In de thans ter beoordeling staande zaak dient het hof wettig te bewijzen dat verdachte daadwerkelijk bestuurder van het motorvoertuig was. Het hof acht dit bewijs niet aanwezig en zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde. Dit oordeel brengt mee dat verdachte tevens moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, nu bij dit feit dezelfde rechtsvraag aan de orde is.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank Assen van 1 mei 2007 onder het parketnummer

19-830016-07 is verdachte veroordeeld tot - onder meer - twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft d.d. 18 februari 2008 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde twee maanden gevangenisstraf om reden, dat verdachte zich vóór het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het in de zaak met het oorspronkelijke parketnummer 18-650105-08 ten laste gelegde feiten.

Nu het hof kennis draagt van de omstandigheid dat reeds bij rechterlijke beslissing van

22 september 2008 van de politierechter Assen de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is gelast, zal het hof - daargelaten het feit dat verdachte zal worden vrijgesproken van de in de zaak met het oorspronkelijke parketnummer

18-650105-08 ten laste gelegde feiten - de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot tenuitvoerlegging.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van twee maanden gevangenisstraf, de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Assen van 1 mei 2007 onder het parketnummer 19-830016-07.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. L.T. Wemes, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Deuring voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.