Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0200

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
107.002.588/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst de claim van diverse grondeigenaren tegen Frisia Zout wegens waardedaling van hun bezit als gevolg van zoutwinning af. Het taxatierapport dat door de grondeigenaren is overgelegd bevat in hoofdzaak het intuïtieve oordeel van de makelaar over de waardedaling. Het hof vindt dit rapport een veel te magere basis om de miljoenenclaim toe te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 13 oktober 2009

Zaaknummer 107.002.588/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 2],

3 [appellant 3],

wonende te [woonplaats],

4 [appellant 4],

wonende te [woonplaats],

5 [appellante 5],

wonende te [woonplaats],

6 [appellant 6],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 6],

7 [appellant 7],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 7]

8 [appellant 8]

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 8]

9 [appellant 9 ],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 9],

10 [appellant 10]

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 10],

11 [appellant 11]

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 11],

12 [appellant 12],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 12],

13 [appellant 13],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 13],

14 [appellant 14],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 14],

15 [appellant 15],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 15],

16 [appellant 16],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 16],

17 [appellant 17],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 17],

18 Hervormde Gemeente Oosterbierum & Wijnaldum,

gevestigd te Oosterbierum, gemeente Franekeradeel,

19 Hervormde Gemeente Sexbierum Pietersbierum,

gevestigd te Sexbierum, gemeente Franekeradeel,

20 [appellant 20],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 20],

21 [appellant 21],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 21],

22 [appellant 22],

wonende te [woonplaats en gemeente appellant 22],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [persoonsnaam appellant 1] c.s.,

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

Frisia Zout B.V.,

gevestigd te Harlingen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: Frisia,

advocaat: mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 31 oktober 2007 door de rechtbank Leeuwarden, gewezen tussen [appellant 1] en 24 anderen, en Frisia.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 30 januari 2008 is door [persoonsnaam appellant 1] c.s. hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Frisia tegen de zitting van 23 april 2008. Enkele oorspronkelijke mede-eisers hebben hun vordering ingetrokken.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, luidt:

"het vonnis d.d. 31 oktober 2007 door de rechtbank te Leeuwarden onder zaak-/rolnummer 76139/HA ZA 06-374 gewezen, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende Frisia alsnog te veroordelen als in eerste aanleg gevorderd, met veroordeling van Frisia in de kosten van beide instantiën."

Bij memorie van antwoord is door Frisia verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep, zo nodig onder verbetering der gronden, te bevestigen en de vorderingen van appellanten af te wijzen, met veroordeling van appellanten in de kosten van de procedure in beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[persoonsnaam appellant 1] c.s. hebben vijf grieven opgeworpen.

De bovendien als "algemene grief vooraf" aangevoerde klacht merkt het hof niet aan als separate grief, nu deze zich blijkens de daarbij gegeven toelichting oplost in de vijf als zodanig opgesomde grieven.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Frisia heeft betoogd dat de rechtbank meer feiten had dienen vast te stellen. Het hof overweegt dat de rechter niet verplicht is alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

De door Frisia gestelde feiten zijn deels door [persoonsnaam appellant 1] c.s. betwist.

Het hof gaat dan ook uit van de volgende feiten door de rechtbank vastgestelde feiten, met enige aanvullingen die tevens als vaststaand kunnen worden aangemerkt.

1.1. Frisia heeft in 2000 de activa van de failliete vennootschap Frima Zoutindustrie B.V. (verder: Frima) van de curator verworven. Zij heeft met toestemming van de Minister van Economische Zaken ook de concessie om zout te winnen in het concessiegebied "Barradeel I" overgenomen van Frima. Frisia heeft aldaar tot 2005 zout gewonnen.

1.2. [persoonsnaam appellant 1] c.s. bezitten in het betrokken concessiegebied agrarische gronden.

De procedure in eerste aanleg

2. [persoonsnaam appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat de zoutwinning ter plaatse tot bodemdaling heeft geleid, ten gevolge waarvan zij schade hebben geleden. Zij stellen dat Frisia daarvoor aansprakelijk is op grond van artikel 6:177 BW, vierde lid, dan wel uit onrechtmatige daad. Deze schade bestaat volgens hen uit een achterblijvende waardeontwikkeling van hun gronden doordat deze minder in waarde zijn gestegen dan gronden waaronder geen zout is gewonnen, dan wel uit waardedaling. Zij hebben daartoe een taxatierapport overgelegd van het agrarisch makelaarskantoor AVM Agri Vastgoed BV (verder: AVM) dat een drietal agrarische bedrijven (van respectievelijk appellanten sub 10, 13 en 17) heeft getaxeerd. Na eiswijzing bij de conclusie van repliek vorderen [persoonsnaam appellant 1] c.s. voor desbetreffende appellanten schadevergoeding voor achterblijvende waardeontwikkeling zoals die uit het rapport blijkt, en voor de overige appellanten vergoeding van de dienovereenkomstige schade, nader op te maken bij staat.

2.1. De rechtbank heeft vordering afgewezen op de grond dat [persoonsnaam appellant 1] c.s. in hun stelplicht ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade zijn tekortgeschoten, daarbij overwegende dat het taxatierapport een deugdelijke onderbouwing voor de daarin gestelde schade ontbeert en dat dit rapport wordt tegengesproken door een rapport dat door Frisia in het geding is gebracht.

De beoordeling van de grieven

3. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4. De rechtbank is, gelet op de door haar gekozen benadering van het geschil, er veronderstellenderwijs van uitgegaan dat een grondslag voor aansprakelijkheid van Frisia voor, althans een deel, van de gestelde schade aanwezig is. Het hof zal, in het licht van de grieven, eerst toetsen of ten aanzien van de schade door [persoonsnaam appellant 1] c.s. daadwerkelijk onvoldoende is gesteld.

5. Het hof merkt daarbij op dat, voor zover het de verwijzing naar de schadestaat betreft, volgens vaste jurisprudentie voldoende is dat [persoonsnaam appellant 1] c.s. aannemelijk hebben gemaakt dat enige schade is geleden.

6. [persoonsnaam appellant 1] c.s. hebben betoogd dat, als het hof op dit punt tot een andere conclusie dan de rechtbank komt, en het hof vervolgens over zou gaan tot het daadwerkelijk toetsen van de door hen gestelde grondslag, het hof de zaak alsdan terug zou dienen te verwijzen naar de rechtbank. Het hof verwerpt dit standpunt, dat in strijd is met de devolutieve werking van het appel. Anders dan [persoonsnaam appellant 1] c.s. betogen, houdt het Nederlandse procesrecht niet in dat elke stelling van partijen in twee instanties door een rechter dient te worden besproken.

7. De stelplicht en, in het verlengde daarvan, de bewijslast dat schade is geleden en - ten aanzien van de gevorderde concrete bedragen - ook betreffende de omvang van de geclaimde schade, berusten, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, bij [persoonsnaam appellant 1] c.s. [persoonsnaam appellant 1] c.s. vorderen in deze procedure geen concrete door hen daadwerkelijk geleden schade, maar abstracte schade in de vorm van vergoeding voor een nog niet gerealiseerd (fictief) nadeel in de vorm van een verminderde waardeontwikkeling van hun bezit.

8. Het hof zal eerst ingaan op de drie uitgewerkte taxaties inzake de appellanten sub 10, 13 en 17.

8.1. AVM heeft in haar, als productie 5 bij de inleidende dagvaarding overgelegde taxatierapport (dat zich ten onrechte alleen in het door appellanten overgelegde dossier bevindt) over schade in het algemeen het navolgende geschreven:

1.6 schade

Voor schade aan derden hebben voor het Waterschap (Oranjewoud) de volgende uitgangspunten gegolden:

- schade aan gebouwen treedt niet op omdat de krommingen te gering zijn;

- schade aan oogsten treedt niet op omdat de drooglegging gelijk blijft;

- waardevermindering van de grond treedt niet op omdat de drooglegging gelijk blijft, behalve voor die gebieden die meer dan 25cm zakken;

- de taluds van de kant zijn zo flauw dat de grond voor de landbouw behouden blijft.

Schadevergoeding is opgenomen voor schade die wordt geleden door de uitvoering van werken, hierbij is genoemd:

- grondaankoop voor verruiming van watergangen;

- gewasschade als gevolg van rij- en werkstroken;

-vervanging van drainagebuizen.

De conclusie is gerechtvaardigd dat er veel meer en veel grotere schade(n) als gevolg van zoutwinning optreden dan hier wordt aangegeven:

- door de grotere kwetsbaarheid van wateroverlast is de economische waarde van de bedrijven afgenomen;

- geregeld zal ook de gewasopbrengst minder zijn;

- door de verhoogde kans op bruinrot is zowel de waarde van een aantal bedrijven afgenomen, terwijl hierdoor ook verminderde opbrengsten zullen optreden;

- in sommige gevallen zullen bedrijven genoodzaakt zijn naar andere, economisch minder goede bestemming of gebruik van hun land te zoeken met minder renderende gewassen.

8.2. Over het biologisch akkerbouwbedrijf van appellant sub 10 wordt opgemerkt dat het gaat om een bedrijf van 50.91.60 hectare met een per november 2005 getaxeerde waarde van € 1.838.000,--.

Over de schade meldt het rapport uitsluitend:

3.10 schade taxatie

De huiskavel (het bouwland nabij de gebouwen) ligt in de cirkels variërend van een zakking van 5-15 cm. De schade wordt geschat op een percentage van 5% van de taxatiewaarde.

De veldkavel ligt in de cirkels variërend van een zakking van 25-35 cm. De schade wordt geschat op een percentage van 20% van de taxatiewaarde (bijlage II).

Totale schade biologisch akkerbouwbedrijf inclusief gebouwen afgerond € 115.000,--.

Het hof merkt op dat bijlage II een kadastrale kaart is waarop de ligging van de percelen van appellant sub 10 is aangegeven.

8.3. Op dezelfde wijze vermeldt het AVM-rapport over het agrarisch gemengd bedrijf van appellant sub 13 dat het gaat om een bedrijf van 44.05.54 ha (exclusief de gepachte gronden - met en waarde van € 1.190.000,-- Over schade meldt het rapport:

4.11 Schadetaxatie

De huiskavel (kavel I) ligt in de cirkels variërend van een zakking van 2-5cm. De schade wordt geschat op een percentage van 10% van de taxatiewaarde. De kavel tegenover de huiskavel (kavel II) ligt in de cirkels variërend van een zakking van 2- 5cm. De schade wordt geschat op een percentage van 15% van de taxatiewaarde. De percelen gelegen in de kadastrale gemeente Harlingen, (kavel III), liggen in de cirkels die variëren van een zakking van 15-20cm. De schade wordt geschat op een percentage van 20% van de taxatiewaarde (bijlage III)

Totale schade agrarisch gemengd bedrijf afgerond € 113.000,--.

Bijlage III is de kadastrale kaart.

8.4. Het AVM rapport meldt over het veehouderijbedrijf van appellant sub 17 dat het 56.69.60 ha groot is met een waarde van € 1.588.000,--. De schadeparagraaf luidt:

5.11 Schade taxatie

De huiskavel (kavel I) ligt in de cirkels variërend van een zakking van 15 - 20 cm. De schade wordt geschat op een percentage van 20% van de taxatiewaarde. De kavel (nummers ...) tegenover de woning (kavel II deel I) ligt in de cirkels variërend van een zakking van 10-15cm. De schade wordt geschat op een percentage van 15% van de taxatiewaarde. De overige percelen (kavel II deel II) liggen in de cirkels variërend van een zakking van 5-10cm De schade wordt geschat op een percentage van 5% van de taxatiewaarde. De percelen gelegen op afstand (nummers ...) liggen in de cirkels die variëren (...) van een zakking van 10-15cm. De schade wordt geschat op een percentage van 15% van de taxatiewaarde (bijlage IV)

Totale schade veehouderijbedrijf inclusief gebouwen afgerond € 194.000,--.

Bijlage IV is wederom de kadastrale kaart.

9. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat dit rapport niet inzichtelijk maakt waarom op de genoemde bedrijven sprake is van schade. Niet wordt aangegeven dat de mogelijke schadeveroorzakende factoren zoals opgesomd in paragraaf 1.6 van het rapport zich in concreto op de onderzochte bedrijven hebben voorgedaan. Hoogstens wordt in de omschrijving een enkele keer gerefereerd aan de opvatting na de eigenaar dat van één van de daar genoemde mogelijkheden sprake is, doch uit niets blijkt dat de taxateurs daarnaar zelfstandig onderzoek hebben gedaan. Het percentage waardevermindering dat de taxateurs aangeven ontbeert dan ook elke onderbouwing.

10. De door [persoonsnaam appellant 1] c.s. gekozen benadering van deze procedure is dat het rapport van AVM, ondanks de uiterst summiere motivering, toch een voldoende grondslag oplevert voor toewijzing van de hoge claims die daarin worden verwoord. Het hof zal de daartoe door [persoonsnaam appellant 1] c.s. betrokken stellingen beoordelen.

11. In de toelichting op grief 1 erkennen appellanten dat de taxateurs geen nadere onderbouwing voor de totstandkoming van de door hen genoemde percentages hebben gegeven. Zij stellen dat de partijdeskundigen ervaren makelaars zijn en dat zij oordelen op basis van kennis en ervaring gebaseerd op intuïtief inzicht en kennis van de ontwikkelingen van de markt. Volgens hen is deze kennis van de markt niet eenvoudig inzichtelijk en controleerbaar te maken.

12. Het hof kan appellanten in dit betoog niet volgen. De rechter is niet gehouden om een partijdeskundigenbericht te volgen enkel omdat het door terzake deskundige lieden is opgesteld. Het hof is van oordeel dat voor onderbouwing van claims van een hoogte als hier in geschil noodzakelijk is, dat de concrete schadefactoren zo uitputtend mogelijk in beeld worden gebracht en dat de daaraan toe te kennen schadebedragen inzichtelijk worden berekend, zodat een en ander ook voor derden, met name ook de aansprakelijk gestelde Frisia, controleerbaar is, zodat Frisia zich daartegen desgewenst ook kan verweren. Het hof is er bepaald niet van overtuigd dat uitsluitend de intuïtieve benadering mogelijk is waarvoor in het AVM-rapport is gekozen.

13. Voor zover appellanten betogen dat de schade ook moet worden gezien als stigmaschade, zoals omschreven in het proefschrift van [deskundige] "Grond voor Zorg. Stof tot Nadenken" overweegt het hof dat dit woord in het deskundigenbericht zelf niet voorkomt. Ook als die schadecomponent een rol zou spelen, geldt dat, wil een vordering toewijsbaar zijn, daarover meer gesteld kan en moet worden dan in het rapport is gebeurd.

Grief 1 treft geen doel.

14. In de toelichting op grief 2 verwijzen [persoonsnaam appellant 1] c.s. naar een nadere verklaring van [medewerker Platteland] van Platteland Makelaardij d.d. 26 mei 208 (productie 6 bij de memorie van grieven). Deze schrijft:

"De situatie rond de bodemdaling en de mogelijke gevolgen daarvan is voor agrarische ondernemers die zich willen vestigen op een nieuwe locatie een negatieve factor om bij een ruimer aanbod de keuze op omgeving Sexbierum te laten vallen. De prijs zal een deel van de beslissing zijn, maar de onwisse situatie over de bodemdaling met neveneffecten zal het grootste deel van het besluit bepalen. Als het prijsverschil met soortgelijke grond dusdanig groot is , wordt de beslissing met de portemonnee genomen. Al met al ben ik van menig dat er zeker sprake is van een waardevermindering"

Het hof is van oordeel dat deze verklaring niet specifieker is dan het rapport van AVM en dan ook niet kan dienen om de gebreken aan dat rapport dat de grondslag voor de thans voorliggende schadeclaim, te helen.

15. De rechtbank heeft in haar oordeel voorts het tegenrapport van ir. [naam ingenieur 1] betrokken, dat door Frisia als productie 13 bij de conclusie van antwoord in het geding is gebracht. [persoonsnaam appellant 1] c.s. klagen erover dat de rechtbank artikel 19 Rv zou hebben geschonden. Het hof kan [persoonsnaam appellant 1] c.s. daarin niet volgen. [persoonsnaam appellant 1] c.s. hebben zich bij de conclusie van repliek en ten pleidooie in eerste aanleg uitgebreid over de waarde van het rapport van ir. [naam ingenieur 1] kunnen uitlaten. Dat de rechtbank [persoonsnaam appellant 1] c.s. niet heeft gevolgd, maakt nog niet dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden.

In het rapport van ir. [naam ingenieur 1] wordt betoogd dat de grondprijzen in West- Fryslân na 2003 zijn gestegen, waarbij de prijzen in het hier aan de orde zijnde concessiegebied de hoogste gemiddelde prijzen van de vergeleken regio's laat zien.

In de toelichting op grief 2 plaatsen [persoonsnaam appellant 1] c.s. vraagtekens bij de juistheid van dit rapport en betrekken zij de stelling dat de taxatie van AVM alleen kan worden weerlegd door soortgelijke taxaties van plaatselijk bekende deskundigen.

16. Het hof onderschrijft dit uitgangspunt niet. Het stond Frisia vrij om het rapport van AVM op alle mogelijke wijzen aan te vechten, waarbij zij niet beperkt was tot een rapport van een andere makelaar. De vraagtekens die [persoonsnaam appellant 1] c.s. bij het rapport van [naam ingenieur 1] plaatst kunnen niet maken dat de zwakte van het eigen rapport van AVM wordt gerepareerd. Daarop stuit de grief af.

17. Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de deskundigen niet hebben onderzocht welke mogelijke schadefactoren zich op de bedrijven van de betrokken landbouwers in concreto hebben voorgedaan. Dat zulks niet in het rapport staat, wordt door [persoonsnaam appellant 1] c.s. - terecht, zie ook hiervoor - niet betwist. Het hof begrijpt de grief aldus dat in de opvatting van [persoonsnaam appellant 1] c.s. deze bezwaren worden ondervangen door een rapport van prof. ir. [naam ingenieur 2] te [plaats], die door de rechtbank in een andere procedure (tussen enkele van de appellanten enerzijds en Frisia en het Wetterskip Fryslân anderzijds) tot deskundige is benoemd. Het hof kan [persoonsnaam appellant 1] c.s. in dat standpunt niet volgen. Dit rapport heeft betrekking op oogstschade al s gevolg van hevige regenval in augustus 2004. Appellanten 10 en 17 zijn bij die procedure geen partij, anders dan appellant 13, doch over diens percelen heeft het hof in het rapport van prof. [naam ingenieur 2] geen specifieke opmerkingen aangetroffen.

De grief treft dan ook geen doel.

18. In grief 4 betogen [persoonsnaam appellant 1] c.s. dat de rechtbank in strijd met artikel 24 Rv de zaak niet heeft onderzocht op hetgeen zij daaraan ten grondslag hebben gelegd. Deze grief ontbeert feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de vordering van appellanten tot vergoeding van de schade, als berekend door AVM, gewogen en te licht bevonden. De rechtbank heeft onvoldoende aannemelijk geacht dat schade tot dat bedrag zou zijn geleden. Dat de rechtbank daarbij van een te beperkt schadebegrip is uitgegaan, gelijk [persoonsnaam appellant 1] c.s. stellen, blijkt uit niets. Het bestaan van de reputatieschade, waarop [persoonsnaam appellant 1] c.s. zich beroepen, is in het rapport van AVM onvoldoende aangetoond, laat staan inzichtelijk gemaakt hoe hoog die schade is. Hoewel het hof niet uitsluit dat de publiciteit over de zoutwinning en bodemdaling tot enige vermindering van de verkoopbaarheid van de betrokken gronden zou kunnen leiden, is het aan [persoonsnaam appellant 1] c.s. om in concreto aan te tonen of zulks het geval is en, zo ja, voor welk bedrag. Daaraan hebben zij ook in appel niet voldaan. De bedragen genoemd in het rapport van AVM kunnen niet anders dan als een - wellicht naar beste kunnen - gedane slag in de lucht worden aangemerkt, maar dat is onvoldoende om een schadevergoeding in de omvang als gevorderd toe te wijzen.

Ook deze grief faalt in zoverre. Het hof komt hierna nog terug op de grief, voor zover deze ziet op de overige appellanten.

19. Grief 5 tenslotte, die zich richt tegen de afwijzing van de vordering, ontbeert zelfstandige betekenis en behoeft geen verdere bespreking.

20. Het hof acht dan ook, samengevat, met de rechtbank niet aangetoond dat appellanten sub 10, 13 en 17 schade hebben geleden zoals aangegeven in het rapport van AVM.

21. Ten aanzien van de overige appellanten en de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft overwogen dat slechts algemene, niet onderbouwde stellingen zijn geponeerd en dat het op de weg van [persoonsnaam appellant 1] c.s. had gelegen om daarover meer concrete stellingen in te nemen, zodat de vordering wegens een gebrek in de stelplicht dient te worden afgewezen. Tegen deze overweging wordt door [persoonsnaam appellant 1] c.s. ook opgekomen in grief 4, doch de kern van het oordeel van de rechtbank - dat appellanten over hun concrete schade, behoudens die van hen aangeduid als 10, 13 en 17 in het geheel niets gesteld hebben - wordt niet aangevochten. Ook in appel hebben appellanten niet per geval aangegeven welke schadefactoren zich hebben voorgedaan en blijft het bij de constatering dat betrokken appellanten in het concessiegebied Barradeel I gronden bezitten. Dit acht het hof, evenals de rechtbank, onvoldoende om een schadestaatprocedure te rechtvaardigen.

22. Grief 4 faalt dan ook in alle opzichten.

Het bewijsaanbod

23. [persoonsnaam appellant 1] c.s. hebben aangeboden de door hen ingeschakelde makelaars, alsmede prof. [naam ingenieur 2] en [persoonsnaam deskundige] als getuige te laten horen. Het hof passeert dit bewijsaanbod als niet voldoende specifiek, nu [persoonsnaam appellant 1] c.s. niet hebben aangegeven welke stellingen zij met deze getuigen menen te kunnen bewijzen. De deskundigen [naam ingenieur 2] en [persoonsnaam deskundige] hebben zich nimmer over concrete schadebedragen uitgelaten. De door [persoonsnaam appellant 1] c.s. ingeschakelde makelaars hebben in hun rapport en de twee daarop verder in de procedure in het geding gebrachte toelichtingen niet kunnen aangeven hoe hun berekening in concreto tot stand is gekomen.

De slotsom

24. De grieven falen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen en [persoonsnaam appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure veroordelen, voor wat het salaris van de advocaat in appel betreft te begroten op 1 punt naar tarief VII.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [persoonsnaam appellant 1] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van Frisia tot aan deze uitspraak op € 5.981,-- aan verschotten en € 3.895,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Kuiper en Fikkkers, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 13 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.