Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BK0174

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
107.001.371/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg mondelinge overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 13 oktober 2009

Zaaknummer 107.001.371/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het (deels voorwaardelijk) incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.W. de Casseres, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellant in het (deels voorwaardelijk) incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W.M. Sturms, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 23 februari 2005 en 14 december 2005 en 6 september 2006 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 27 oktober 2006, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 14 december 2005 en 6 september 2006 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 8 november 2006. De eis luidt:

"bij arrest voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de tussen partijen op 14 december 2005 en 6 september 2006 door de Rechtbank Leeuwarden gewezen vonnissen te vernietigen en alsnog rechtdoend gerekwireerde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant te betalen een bedrag ad € 33.564,99 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de onderscheiden vervaltermijnen althans vanaf 29 december 2004 (de dag waarop in eerste aanleg werd gedagvaard) tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van gerkwireerde in de kosten van beide instanties."

Vervolgens heeft [appellant] een memorie van grieven genomen:

"tot persistit"

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat:

in principaal appèl: appellant niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen danwel diens beroep af te wijzen onder bekrachtiging van de tussen partijen door de Rechtbank Leeuwarden gewezen vonnissen waarvan appèl, zo nodig onder verbetering van de gronden;

in incidenteel appèl: de vonnissen te vernietigen voor zover daartegen in incidenteel appèl wordt opgekomen en voor het overige onder bekrachtiging van de vonnissen [appellant] alsnog te veroordelen om aan [geïntimeerde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de bedragen van € 8.828,79 en € 1.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van het instellen van de reconventionele vordering tot aan de dag der algehele voldoening en een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in verband met de als gevolg van de door [appellant] voorafgaand aan deze procedure gelegde conservatoire derdenbeslagen;

in principaal en incidenteel appèl: onder veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad."

Door [appellant] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"het door de Rechtbank Leeuwarden in reconventie gewezen vonnis te bekrachtigen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties."

Voorts heeft [geïntimeerde] een akte genomen en vervolgens heeft [appellant] een antwoordakte genomen.

Tenslotte heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel tien grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het (deels voorwaardelijk) incidenteel appel vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en het (deels voorwaardelijk) incidenteel appel

De feiten

1. De rechtbank heeft in het vonnis van 14 december 2005 in rechtsoverweging 5 (5.a tot en met 5.c) de in deze zaak vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Partijen zijn het er daarbij echter over eens dat, zoals in de grieven I en II in het principaal appel wordt gesteld, het jaar 1991 in rechtsoverweging 5.a moet worden gelezen als 2001 en dat het jaar 1992 in rechtsoverweging 5b moet worden gelezen als: in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Weliswaar dateert [appellant] de ingangsdatum van de vaste maandelijkse termijnen van f. 750,- in de toelichting op zijn grief X weer op 1992, maar het hof gaat er gelet op zijn grief II van uit dat dit een vergissing is. Het volgende staat vast.

1.1 Tot medio 2001 heeft [geïntimeerde] een onderneming gedreven op het gebied van natuursteen en garfmonumenten. [appellant] heeft jarenlang tot in of omstreeks 2001 ten behoeve van deze onderneming in opdracht en voor rekening van [geïntimeerde] werkzaamheden verricht, bestaande uit het verlenen van administratieve ondersteuning, het boeken en uitvoeren van de controle van de administratie, het verzorgen van diverse belastingaangiften en het maken van saldilijsten van debiteuren en crediteuren.

1.2 In de jaren zeventig van de vorige eeuw is de afspraak gemaakt dat door [geïntimeerde] voor het verrichten van de vorenbedoelde werkzaamheden maandelijks een bedrag van f. 750,- werd overgeboekt naar [appellant]. Dit bedrag is eind april 1995 verhoogd tot een bedrag van f. 1.250,- per maand en in 1999 tot een bedrag van f. 2.500,- per maand.

1.3 Voor de laatst door hem verrichte werkzaamheden heeft [appellant] [geïntimeerde] een achttal facturen doen toekomen waarvan de eerste gedateerd was 22 augustus 2000 en de laatste 18 april 2002.

De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

2. [appellant] vordert betaling door [geïntimeerde] van openstaande facturen ter grootte van € 33.564,99, vermeerderd met rente en kosten.

2.1 [geïntimeerde] vordert ten titel van schadevergoeding betaling door [appellant] van (in hoofdsom) € 8.828,79 en € 1.000,- en schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag en opheffing van gelegde beslagen.

2.2 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 14 december 2005 [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waarop gebaseerd kan worden dat hij met [appellant] een vaste prijsafspraak gemaakt heeft, inhoudende dat met het overeengekomen vaste maandelijkse bedrag alle werkzaamheden van [appellant] betaald zouden zijn.

2.3 De rechtbank heeft bij eindvonnis geoordeeld dat [geïntimeerde] het hem opgedragen bewijs heeft geleverd en zij heeft in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen. De vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie heeft zij eveneens afgewezen, behoudens die tot opheffing van de gelegde beslagen.

De bespreking van de (overige) grieven

3. Grief III in het principaal appel komt er op neer dat de rechtbank door in het probandum de woorden "feiten en omstandigheden waarop gebaseerd kan worden" op te nemen artikel 24 Rv heeft geschonden. Het hof volgt [appellant] niet in zijn onbegrijpelijke betoog op dit punt. De grief faalt.

4. Met de grieven IV tot en met IX in het principaal appel klaagt [appellant] erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] in de aan hem gegeven bewijsopdracht is geslaagd.

5. Het hof stelt voorop dat het bij de uitleg van een mondelinge overeenkomst zoals de onderhavige aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis.

5.1 Vaststaat dat partijen reeds in de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn overeengekomen dat er door [geïntimeerde] aan [appellant] maandelijks vaste bedragen worden betaald voor zijn werkzaamheden en dat jarenlang, tot aan 2002, uitvoering is gegeven aan deze afspraak, zij het dat de bedragen tussentijds werden verhoogd.

5.2 Met de rechtbank begrijpt het hof de getuigenverklaring van [de vrouw van geïntimeerde] aldus dat zij ervan uitging dat de hiervoor bedoelde afspraak meebracht dat met de betaling van de vaste bedragen aan alle verplichtingen van [geïntimeerde] jegens [appellant] werd voldaan. Zij heeft dit kenbaar gemaakt door bij het maken van de afspraak aan [de vrouw van appellant] te vragen of het afgesproken bedrag genoeg was en door te zeggen dat als dit niet genoeg was, zij dan meer moest nemen. Uitlatingen van gelijke strekking heeft zij gedaan bij de verhogingen van het bedrag, waarbij zij de laatste keer ook heeft aangegeven dat zij en haar man niet achteraf wilden bijbetalen en waarop naar haar zeggen [de vrouw van appellant] zei dat het zo genoeg was. Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat deze verklaring steun vindt in die van [betrokkene]. [geïntimeerde] begreep op zijn beurt van zijn echtgenote dat de afspraak daar op neerkwam.

5.3 Uit geen der getuigenverklaringen blijkt dat bij het maken van de vaste prijsafspraak of daarna door of namens [appellant] is aangegeven dat, zoals [appellant] stelt, deze betalingen waren bestemd voor de aflossing van een bestaande schuld en als voorschotten op nog af te rekenen werkzaamheden. De getuige [de vrouw van appellant] verklaart weliswaar dat de afspraak is gemaakt dat de maandelijks te betalen bedragen strekten ter aflossing van een bestaande schuld, maar zij verklaart niet concreet hoe die afspraak dan is gemaakt en wat partijen over en weer hebben verklaard. Ook verklaart zij niet dat - zoals [appellant] stelt - het daarnaast de bedoeling van de afspraak was dat de betalingen mede zouden dienen als voorschotten op de betaling voor lopende en toekomstige werkzaamheden die dan jaarlijks zouden worden gefactureerd, laat staan dat zij verklaart dit aan [geïntimeerde] kenbaar te hebben gemaakt. Aldus is niet gebleken van verklaringen door of namens [appellant] op grond waarvan [geïntimeerde] moest begrijpen dat zijn uitleg van de gemaakte afspraak niet strookte met de uitleg waar [appellant] van uitging.

5.4 De getuigen [de vrouw van geïntimeerde], [betrokkene] en [geïntimeerde] hebben voorts verklaard nimmer facturen van [appellant] te hebben gezien (tot het moment van het eindigen van de relatie). In de inleiding tot de grieven spreekt [appellant] wel over het jaarlijks toezenden van een factuur, maar elke onderbouwing daarvan ontbreekt. Hoewel de rechtbank reeds had geconstateerd dat geen facturen zijn overgelegd (behalve die van na het einde van de relatie) heeft [appellant] ook in appel geen facturen overgelegd. Het hof gaat er gelet op dit alles dan ook van uit dat niet jaarlijks facturen aan [geïntimeerde] zijn verzonden. De getuige [de vrouw van appellant] verklaart weliswaar dat de jaarlijkse facturen in het wekelijks contact aan [de vrouw van geïntimeerde] werden getoond, maar deze verklaring is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, innerlijk tegenstrijdig, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Als erkend althans onweersproken gesteld staat voorts vast dat nooit aanmaningen door [appellant] zijn verzonden voor openstaande facturen of een achterstand.

5.5 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het feit dat geen facturen en aanmaningen zijn verzonden bij de bewijswaardering veel gewicht in de schaal legt, omdat immers bij de uitleg die [appellant] geeft van de afspraak het voor de hand had gelegen dat [appellant] periodiek aan [geïntimeerde] factureerde en daarbij dan overzichten verschafte van de verzonden facturen, de aflossingen op de bestaande schuld en de eventuele nog openstaande facturen.

5.6 Niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] uit de jaarrekeningen had moeten afleiden wat de thans door [appellant] bepleite uitleg was van de gemaakte afspraak, temeer nu gesteld noch gebleken is dat de jaarrekeningen op dit punt door [appellant] van een toelichting waren voorzien. Getuige [de vrouw van appellant] kon zich overigens niet herinneren dat over de post accountantskosten op de jaarrekening ooit tussen partijen is gesproken.

5.7 Dat [de vrouw van geïntimeerde] zou hebben verklaard dat [appellant] nog zoveel geld van haar te goed had, zoals getuige [de vrouw van appellant] en haar dochter hebben verklaard, zegt het hof niet veel, nu hiervoor tevens als verklaring kan dienen dat, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld, er een achterstand bestond in de betaling van de vaste maandelijkse termijnen.

5.8 Het feit dat [geïntimeerde] in reactie op de aan hem na beëindiging van de relatie in handen gegeven facturen heeft verzocht om specificaties en niet direct een beroep op de prijsafspraak heeft gedaan acht het hof als eerste reflex niet onverklaarbaar. In ieder geval legt dit feit naar het oordeel van het hof zowel op zichzelf als in samenhang met de overige gebleken feiten onvoldoende gewicht in de schaal om [geïntimeerde] niet in het bewijs geslaagd te achten.

5.9 Ten slotte merkt het hof op dat [appellant], als het gaat om de vraag wat dan volgens hem is overeengekomen, zichzelf tegenspreekt doordat hij in de toelichting bij zijn grief X stelt dat geen uurtarief is overeengekomen en in de inleiding tot de grieven wel spreekt over een vast uurtarief.

5.10 Alles afwegende en indachtig de hiervoor geformuleerde maatstaf, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] in het bewijs is geslaagd en dat de grieven derhalve falen.

6. Grief X in het principaal appel gaat in op het subsidiaire verweer van [geïntimeerde] en kan onbesproken blijven, nu uit het vorenstaande volgt dat het primaire verweer van [geïntimeerde] (een beroep op de vaste prijsafspraak) slaagt.

7. [appellant] heeft in zijn memorie van antwoord in het incidenteel appel een bewijsaanbod gedaan, dat blijkens de bewoordingen mede is gericht op het principaal appel. Wat er zij van het moment waarop dit bewijsaanbod is gedaan, het hof constateert dat het slechts in algemene termen geformuleerd. [appellant] geeft niet aan wat de reeds gehoorde getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan of dat er nog andere getuigen zijn die hij wenst te horen. Daarom passeert het hof dit bewijsaanbod.

8. Grief I in het incidenteel appel is voorwaardelijk ingesteld voor het geval een van de grieven in het principaal appel mocht slagen, waarmee naar het hof begrijpt wordt bedoeld het geval dat een van de principale grieven leidt tot het oordeel dat [geïntimeerde] niet in het bewijs is geslaagd. Nu die voorwaarde niet is vervuld, behoeft de onderhavige grief geen bespreking.

9. Met de (onvoorwaardelijke) grieven II en III in het incidenteel appel komt [geïntimeerde] op tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vorderingen op [appellant] tot schadevergoeding ten bedrag van € 8.828,79 en € 1.000,-. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen, omdat de vorderingen van [geïntimeerde] tegenover het verweer van [appellant] te vaag zijn en onvoldoende onderbouwd. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] in de toelichting op de grieven niets anders doet dan het herhalen van zijn stellingen in de conclusie van eis in reconventie en dat hij niet ingaat op het verweer van [appellant] als geformuleerd in de conclusie van antwoord in reconventie, onder meer inhoudende een beroep op artikel 6:89 BW. Pas in zijn akte van 19 mei 2009 reageert [geïntimeerde] op dit laatstgenoemde verweer door te betwisten dat hij te laat heeft gereclameerd. Iedere onderbouwing hiervan ontbreekt echter. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] ook in hoger beroep zijn vorderingen in het licht van het verweer van [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd. Nu [geïntimeerde] in zoverre niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, komt het hof aan zijn bewijsaanbod niet toe. De grieven falen dan ook.

10. De onvoorwaardelijke grief IV in het incidenteel appel heeft betrekking op de afwijzing van de vordering tot schadevergoeding als gevolg van de gelegde beslagen. In hoger beroep heeft [geïntimeerde], anders dan in eerste aanleg, expliciet verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd. Tegen deze aanpassing van de eis heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve hiertegen geen bezwaar. Uit het overwogene in het principaal appel volgt dat de onderhavige derdenbeslagen onrechtmatig zijn gelegd. [geïntimeerde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg daarvan mogelijk schade heeft geleden. Of en in hoeverre dat het geval is, zal in de schadestaatprocedure onderzocht moeten worden. De grief slaagt derhalve.

De slotsom

11. Het principaal appel faalt. De bestreden vonnissen zullen in zoverre worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten (1 punt in tarief III).

Het onvoorwaardelijk incidenteel appel slaagt slechts ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding op grond van de beslagen, hetgeen leidt tot gedeeltelijke vernietiging van het eindvonnis in reconventie, en faalt voor het overige. Nu twee van de drie in het appel in het geding zijnde vorderingen worden afgewezen, merkt het hof [geïntimeerde] aan als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij. Hij zal dan ook in de kosten van het incidenteel appel worden veroordeeld (3/4 punt in tarief II). Het hof ziet geen aanleiding de kostencompensatie in eerste aanleg te vernietigen nu uiteindelijk twee van de vier vorderingen toewijsbaar zijn gebleken.

Het gerechtshof

In het principaal en het incidenteel appel:

1. bekrachtigt het bestreden tussenvonnis van 14 december 2005 (met rectificatie van de vaststaande feiten als vermeld);

2. vernietigt het eindvonnis van 6 september 2006 slechts ten aanzien van de in reconventie afgewezen vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van de beslagleggingen en, in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [appellant] tot betaling van vergoeding van de schade die [geïntimeerde] heeft geleden als gevolg van de in verband met de onderhavige procedure gelegde beslagen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. bekrachtigt genoemd eindvonnis voor het overige;

4. veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel en begroot die tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.005,-- aan verschotten en

€ 1.158,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

5. verklaart de dit arrest ten aanzien van de beslissingen onder 2 en 4 uitvoerbaar bij voorraad;

6. veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel en begroot die tot op heden aan de zijde van [appellant] op nihil aan verschotten en € 670,50 aan geliquideerd salaris van de advocaat;

7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Wind, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 13 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.