Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9970

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-10-2009
Datum publicatie
12-10-2009
Zaaknummer
24-000183-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een ademanalyse, en hij heeft gereden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en aan hem een rijontzegging was opgelegd.

In beginsel zou aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moeten worden opgelegd. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden acht het hof oplegging van een werkstraf, naast een rijontzegging, op zijn plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000183-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-753155-08

Arrest van 12 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 19 mei 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [woonplaats], [adres],

volgens eigen opgave wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een bijkomende straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte wegens de feiten 1, 2 en 3 en het ad informandum gevoegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken en dat het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid zal opleggen voor de duur van tien maanden.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1:

hij op of omstreeks 15 juli 2007, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeente], als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2:

hij op of omstreeks 15 juli 2007, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straatnaam], een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

3:

hij op of omstreeks 15 juli 2007, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten de categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straatnaam], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1:

hij op 15 juli 2007, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeente], als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2:

hij op 15 juli 2007, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de [straatnaam], een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

3:

hij op 15 juli 2007, te [plaatsnaam], in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten de categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [straatnaam], als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1:

overtreding van artikel 163, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2:

overtreding van artikel 9, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

3:

overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 .

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 15 juli 2007 bevolen zijn medewerking te verlenen aan de ademanalyse en de hem gegeven aanwijzingen op te volgen. Verdachte heeft geen gevolg aan dit bevel gegeven, waardoor het onderzoek niet tot resultaat heeft geleid. Zodoende heeft verdachte de handhaving van de verkeerswetgeving belemmerd. Daarnaast heeft verdachte op dezelfde datum een personenauto bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat aan hem door de rechter een ontzegging van de rijbevoegdheid was opgelegd. Verdachte heeft daarmee een tegen hem genomen administratieve maatregel en een rechterlijke uitspraak genegeerd. Zowel de administratieve maatregel als de rechterlijke uitspraak zijn bedoeld om de verkeersveiligheid te bevorderen.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2009 waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat in beginsel de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf, alsmede de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, passend en geboden zijn.

Op grond van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw omtrent zijn persoonlijke omstandigheden hebben aangevoerd, en gelet op de omstandigheid dat verdachte al geruime tijd niet met justitie in aanraking is gekomen, acht het hof het aannemelijk dat verdachte zijn leven thans in evenwicht begint te krijgen. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht het hof onder deze omstandigheden niet wenselijk, zodat het in plaats daarvan een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur aan verdachte zal opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9, 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van tien maanden.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. A. Meester als griffier.