Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9793

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
14-10-2009
Zaaknummer
200.033.497
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Om te voorkomen dat de verblijfplaats van de minderjarige binnen een korte periode twee keer wijzigt, zal de minderjarige in afwachting van de resultaten van het onderzoek niet thuis worden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 6 oktober 2009

Zaaknummer 200.033.497

HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.J.P. Suringar, kantoorhoudende te Assen,

tegen

Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, gemandateerd door Bureau Jeugdzorg Drenthe,

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: LJ&R,

Belanghebbenden:

1. [de oom],

wonende te Kropswolde,

hierna te noemen: de oom,

2. [de partner van de oom],

wonende te Kropswolde,

hierna te noemen: de partner van de oom.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 17 februari 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [zoon] (hierna: [de zoon]), geboren op 27 augustus 1998 te [geboorteplaats], met ingang van 21 februari 2009 met een jaar verlengd. Voorts heeft de kinderrechter de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de zoon] met ingang van 21 februari 2009 verlengd voor de duur van acht maanden.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 15 mei 2009, heeft de moeder verzocht de beschikking van 17 februari 2009 te vernietigen voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de zoon] en opnieuw beslissende het verzoek tot verlenging van deze machtiging af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 30 juli 2009, heeft LJ&R het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

26 mei 2009 met bijlagen, van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

Ter zitting van 15 september 2009 is de zaak behandeld. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Suringar. Namens LJ&R zijn verschenen [medewerker LJ&R 1] en [medewerker LJ&R 2]. Namens de raad is verschenen [vertegenwoordiger de raad]. Mr. Suringar heeft het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. De moeder heeft het gezag over [de zoon]. De wettelijke vader van [de zoon] is onbekend.

2. Omdat de moeder leed aan een postnatale depressie en daarnaast werkte, woonde [de zoon] bij zijn opa en oma moederszijde. Medio 2006 is [de zoon] bij de moeder gaan wonen. Toen de moeder in september 2007 in het ziekenhuis werd opgenomen, is [de zoon] bij de oom en de partner van de oom gaan wonen. Daar verblijft hij nog steeds.

3. Eind 2007 is de OGGZ betrokken geraakt bij de moeder en [de zoon] door verwijzing van het medisch maatschappelijk werk en in april 2008 is de raad verzocht een onderzoek in te stellen.

4. Op 10 oktober 2008 heeft de raad verzocht [de zoon] voor een periode van twaalf maanden onder toezicht te stellen. Daarnaast heeft de raad verzocht een machtiging te verlenen om [de zoon] voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen. Bij beschikking van 29 oktober 2008 is [de zoon] met ingang van die datum tot 21 februari 2009 onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de zoon] voor de duur van de ondertoezichtstelling verleend.

5. Op 22 december 2008 heeft LJ&R verzocht de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te verlengen met een jaar. Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter geoordeeld zoals is weergegeven onder 'Het geding in eerste aanleg'. De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld voor zover daarbij de uithuisplaatsing van [de zoon] is verlengd.

De overwegingen

6. De duur van de machtiging tot uithuisplaatsing kan worden verlengd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige.

7. De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen noodzaak is voor de uithuisplaatsing, aangezien zij heel goed in staat is invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van [de zoon]. Voorts is de moeder van mening dat het oordeel van de kinderrechter dat verlenging van de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de zoon] niet valt te rijmen met de machtiging uithuisplaatsing van 29 oktober 2008, omdat de machtiging tot uithuisplaatsing in die beslissing juist werd beperkt om duidelijkheid te krijgen omtrent de vraag waar [de zoon] in de toekomst zijn vaste hoofdverblijf zou moeten hebben. De moeder stelt dat [de zoon] pas op 4 december 2008 voor onderzoek is aangemeld bij Molendrift en dat er, voor zover zij weet, geen onderzoek wordt gedaan naar haar mogelijkheden om de zorg voor [de zoon] weer volledig voor haar rekening te nemen. Daarnaast is de moeder van mening dat niet duidelijk is waarom de kinderrechter een nader onderzoek noodzakelijk achtte.

8. LJ&R stelt dat [de zoon] in de thuissituatie bij de moeder wordt bedreigd in zijn lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en zijn gezondheid. [de zoon] laat in de periode dat hij bij zijn moeder woont klachtgedrag zien op school en zijn verzorging is niet goed. Op het moment dat hij bij zijn oom wordt geplaatst en nauwelijks contact heeft met zijn moeder, verbeteren zijn gedrag en zijn gezondheid. Door de uithuisplaatsing en het verminderen van de bezoekregeling maakt [de zoon] een positieve ontwikkeling door. Hij heeft meer aansluiting bij leeftijdsgenootjes en zijn schoolprestaties zijn vooruit gegaan. Het is naar de mening van LJ&R niet in het belang van [de zoon] om deze ontwikkeling te onderbreken door thuisplaatsing bij de moeder.

9. LJ&R heeft ter zitting van het hof verklaard dat [de zoon] in december 2008 is aangemeld bij de Molendrift teneinde te onderzoeken wat het perspectief van [de zoon] is. Het onderzoek zou in april 2009 worden gestart, maar dit is uiteindelijk juni 2009 geworden. Anders dan de moeder is LJ&R van mening dat de onderzoeksvraag weliswaar is gewijzigd, maar dat met de vraagstelling hetzelfde onderzoek wordt beoogd. Bovendien is de moeder uitdrukkelijk betrokken geweest bij de opstelling van de onderzoeksvragen.Voorts stelt LJ&R zich op het standpunt dat het onderzoek ook betrekking heeft op de moeder. Er zal een gesprek met de moeder plaatsvinden, waarin met haar gesproken zal worden over haar opvoedingskwaliteiten. LJ&R heeft te kennen gegeven dat het onderzoek binnenkort kan worden afgerond. Naar de mening van LJ&R dienen de resultaten van dit onderzoek eerst te worden afgewacht alvorens [de zoon] thuis te plaatsen. LJ&R is daarom van mening dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [de zoon].

10. De raad stelt voorop dat een uithuisplaatsing voor een zo kort mogelijke duur moet zijn en dat daarom binnen een zo kort mogelijke tijd duidelijkheid moet worden verkregen over het perspectief van [de zoon]. De lange duur van het onderzoek geeft onrust bij zowel de moeder als bij [de zoon]. Dit heeft invloed op het gedrag van [de zoon]. Desondanks is de raad van mening dat de uithuisplaatsing verlengd dient te worden teneinde de onderzoeksresultaten af te wachten. De raad adviseert daarom om de bestreden beschikking in stand te laten.

11. Het hof is met de raad van oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat een uithuisplaatsing zo kort mogelijk moet duren. Het hof acht het daarom betreurenswaardig dat de start van het onderzoek naar het perspectief van [de zoon] zo lang op zich heeft laten wachten met als gevolg dat de resultaten van dat onderzoek nu nog niet bekend zijn. Het hof acht het echter niet gewenst dat [de zoon] wordt teruggeplaatst bij de moeder voordat het onderzoek naar het perspectief van [de zoon] is afgerond. De mogelijkheid bestaat immers dat uit het onderzoek volgt dat [de zoon] niet kan worden teruggeplaatst bij de moeder en derhalve zijn hoofdverblijf bij de oom en diens partner dient te houden. Indien [de zoon] nu bij de moeder zou worden geplaatst, zou een dergelijk onderzoeksresultaat ertoe leiden dat [de zoon] opnieuw bij de oom en diens partner moet worden geplaatst, hetgeen zou betekenen dat de hoofdverblijfplaats van [de zoon] binnen korte tijd twee keer wordt gewijzigd. Gelet op die mogelijkheid is het niet in het belang van [de zoon] dat hij in afwachting van de resultaten van het onderzoek thuis wordt geplaatst. Het hof acht het derhalve noodzakelijk dat eerst duidelijkheid wordt verkregen omtrent het perspectief van [de zoon]. Gelet hierop en mede gelet op het feit dat [de zoon] slechts gedurende een korte periode daadwerkelijk bij de moeder heeft gewoond, is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de zoon] nog steeds noodzakelijk is.

12. Naar het oordeel van het hof is het feit dat de moeder weer met de oom communiceert, zij het voornamelijk via de partner van de oom, een positieve ontwikkeling. Op deze wijze bewerkstelligt zij dat [de zoon] niet verder in een loyaliteitsconflict raakt.

Slotsom

13. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. Beversluis, voorzitter, Fikkers en Hulsebosch, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.