Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9575

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
107.002.357/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit hetgeen UWV naar voren heeft gebracht, volgt dat de beslissing om [geïntimeerde] geen gratificatie toe te kennen niet zozeer is ingegeven door het oordeel van de UWV over het functioneren van [geïntimeerde] op het specifieke terrein van de COPAHFIJT brede audits, maar veeleer gevoed is door het oordeel over het algemene functioneren van [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof miskent UWV daarmee dat de gratificatieregeling de toekenning van een gratificatie niet verbindt aan het algemene functioneren, maar aan de kennis en kunde van MIC'ers, als [geïntimeerde], ten aanzien van het daadwerkelijk verrichten van COPAHFIJT brede audits. Dat ligt ook wel voor de hand omdat, blijkens de gratificatieregeling, MIC'ers die structureel deze audits verricht hebben hoger ingeschaalde werkzaamheden verricht hebben zonder het daarbij behorende salaris (al) te ontvangen. De gratificatieregeling beoogt deze MIC-ers te compenseren voor de lagere inschaling. [geïntimeerde] beschikte ook in de periode van 1 september 2004 tot

1 oktober 2005, net als voordien en daarna, over de capaciteiten om COPAFIJTH brede audits naar volle tevredenheid van zijn leidinggevenden te kunnen verrichten. Het enkele feit dat hij die capaciteiten door privé omstandigheden, waarvan gesteld noch gebleken is dat deze aan hem te wijten zijn, niet ten volle heeft kunnen benutten rechtvaardigt niet de conclusie dat hij niet aan het "naar volle tevredenheid criterium" voldoet. In dit kader is van belang dat de advocaat van UWV bij gelegenheid van het pleidooi heeft gesteld dat indien [geïntimeerde] in de bewuste periode door ziekte beperkt inzetbaar was geweest hij wel een gratificatie zou hebben gekregen. Niet valt in te zien waarom een door ziekte veroorzaakte beperking van de inzetbaarheid niet en een door andere privé omstandigheden veroorzaakte beperking van de inzetbaarheid wèl in de weg staat aan toekenning van de gratificatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/684
AR-Updates.nl 2009-0760

Uitspraak

Arrest d.d. 6 oktober 2009

Zaaknummer 107.002.357/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te [plaats],

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: UWV,

advocaat: mr. M.B. Kerkhof, kantoorhoudende te Amsterdam,

die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.B. Dijkema, kantoorhoudende te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 6 september 2007 en 29 november 2007 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 januari 2008 is door UWV hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 29 november 2007 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 16 januari 2008.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"dat het vonnis waarvan beroep door het Gerechtshof zal worden vernietigd voor wat betreft de betaling van de gratificatie over de periode 1 september 2004 tot 1 oktober 2005 en dat het Gerechtshof, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. geïntimeerde alsnog niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen met betrekking tot de betaling van de gratificatie over de periode 1 september 2004 tot 1 oktober 2005, althans hem deze ontzegt;

b. geïntimeerde veroordeelt in de kosten van het geding in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] onder het overleggen van producties verweer gevoerd met als conclusie:

"om het UWV niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde beroep, althans het beroep ongegrond te verklaren, met bekrachtiging van het vonnis van de Kantonrechter te Groningen d.d. 29 november 2007, met veroordeling van het UWV in de proceskosten."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Tenslotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

UWV heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 1 van het vonnis van 29 november 2007 de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling van de feiten zijn geen grieven gericht, zodat ook in appel van deze feiten kan worden uitgegaan.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] is sedert 14 januari 1980 bij (de rechtsvoorgangster van) UWV in dienst. Tot 1 januari 2006 was hij werkzaam in de functie van medewerker interne controle (MIC) met salarisschaal 6. Als gevolg van een nieuw functiestelsel is hij met ingang van 1 januari 2006 werkzaam in de nieuwe functie van Kwaliteitsauditor Uitvoering, die is ingeschaald in salarisschaal 7. In juli 2006 is binnen UWV een richtlijn verspreid met als onderwerp "Gratificatie Mic'ers". De richtlijn eindigt met de volgende aanbeveling:

"Aan de MIC'ers die vóór 1 januari 2006 op basis van een afgeronde IBP opleiding naar volle tevredenheid van zijn manager en de regiodirecteur zelfstandig COPAHFIJT brede audits heeft opgezet en uitgevoerd (i.c. dezelfde eisen als die nu aan de "7-functie" worden gesteld), kan, voorzover zijn/haar resultaten nog niet anderszins extra beloond zijn, een gratificatie worden verstrekt ter grootte van het bedrag dat een promotie vanaf dat moment van functioneren naar salarisgroep 7, tot 1 januari 2006 zou hebben opgeleverd. De tijdsperiode waarover de gratificatie wordt berekend, gaat niet verder terug dan 1 januari 2003, (ongeveer) de datum van het eerste IM plan kwaliteit."

3. Aan [geïntimeerde] is op basis van deze richtlijn een gratificatie toegekend over de periode van 1 maart 2004 tot 1 september 2004 en van 1 oktober 2005 tot 1 januari 2006. Aan deze beslissing heeft de leidinggevende van [geïntimeerde], [betrokkene], blijkens een memo van 14 mei 2007 het volgende ten grondslag gelegd:

"Vanwege privé omstandigheden (scheiding) heeft [geïntimeerde] gedurende ongeveer 1 jaar niet optimaal kunnen functioneren. In deze periode langdurig ziekteverzuim. Tijdens zijn aanwezigheid heb ik ruimschoots rekening gehouden met zijn omstandigheden. Door de scheiding heeft [geïntimeerde] namelijk grotendeels de zorg voor zijn jonge kinderen op zich moeten nemen. Ik heb hem hiervoor de ruimte gegeven, hetgeen heeft geresulteerd in het niet optimaal functioneren gedurende de periode welke ik hem heb uitgesloten van toekenning van de gratificatie. Ik ben en blijf van mening dat hij in deze periode niet naar volle tevredenheid heeft kunnen functioneren. Er is o.a. rekening gehouden met aangepaste werktijden en het feit dat hij regelmatig fysiek niet goed in zijn vel zat en daardoor niet die bijdrage leverde die hij normaal gesproken wel zou hebben kunnen leveren. E.e.a. is in die periode regelmatig onderwerp van gesprek geweest."

4. [geïntimeerde] heeft geklaagd over deze beslissing. Hij heeft binnen de organisatie van UWV geen gehoor gevonden voor zijn klachten.

5. [geïntimeerde] heeft primair betaling gevorderd van een bedrag van € 12.752,66 bruto, het bedrag ter zake van loon en overige emolumenten dat hij extra zou hebben ontvangen indien hij per 1 januari 2003 zou zijn benoemd in de functie van Kwaliteitsauditor Uitvoering, tot welke benoeming UWV volgens [geïntimeerde] op grond van de eisen van goed werkgeverschap gehouden was. Subsidiair heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op een bedrag van € 9.727,90 bruto, de gratificatie waarop hij, naast het reeds ontvangen bedrag aan gratificatie aanspraak zou hebben gehad indien aan hem een gratificatie over de volledige periode van 1 januari 2003 tot 1 januari 2006 zou zijn toegekend. Zowel primair als subsidiair heeft [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

6. De kantonrechter heeft de primaire vordering van [geïntimeerde] afgewezen, maar de subsidiaire vordering toegewezen tot een bedrag van € 7.159,49, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De kantonrechter heeft de vorderingen tot betaling van wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten afgewezen.

7. In appel staat, gelet op de door UWV geformuleerde grieven en het feit dat [geïntimeerde] geen incidenteel appel heeft ingesteld tegen afwijzing van zijn primaire vordering, vooreerst slechts ter discussie of [geïntimeerde] aanspraak heeft op een gratificatie over de periode 1 september 2004 tot 1 oktober 2005.

De bespreking van de grieven

8. Met haar grieven legt UWV het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] ook over de periode 1 september 2004 tot 1 oktober 2005 aanspraak heeft op de gratificatie in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal deze grieven, die met elkaar samenhangen, tezamen behandelen.

9. Het hof stelt voorop dat partijen niet zijn opgekomen tegen het door de kantonrechter gekozen uitgangspunt, dat aan UWV beleidsvrijheid toekomt bij het opstellen van een beloningsregeling, maar dat de gratificatieregeling niettemin concrete aanknopingspunten bevat voor een door de rechter te hanteren (marginale) toetsing van de uitvoering van dat beleid. Ook in appel dient van dit uitgangspunt, dat het hof overigens onderschrijft, te worden uitgegaan. Beslissend is derhalve of UWV in redelijkheid heeft kunnen beslissen om [geïntimeerde] over de periode 1 september 2004 tot 1 oktober 2005 geen gratificatie toe te kennen. Bij het antwoord op de vraag of UWV [geïntimeerde] over die periode een gratificatie heeft kunnen onthouden, vormt de door UWV zelf opgestelde gratificatieregeling de maatstaf.

10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] in de periode 1 september 2004 tot 1 oktober 2005 (net als in de daaraan voorafgaande en in daaropvolgende periode) zelfstandig COPAHFIJT brede audits heeft opgezet en uitgevoerd en dat hij toen beschikte over een afgeronde IBP opleiding. [geïntimeerde] heeft daarmee aan het eerste door de gratificatieregeling gestelde voorwaarde voldaan.

11. De tweede voorwaarde die de gratificatieregeling stelt is dat [geïntimeerde] de audits ook "naar volle tevredenheid van zijn manager en de regiodirecteur zelfstandig" heeft opgezet en uitgevoerd. Aan die voorwaarde is volgens UWV in de bewuste periode niet voldaan. UWV stelt dat [geïntimeerde] van 1 september 2004 tot 1 oktober 2005 door persoonlijke problemen (een echtscheiding en de nasleep daarvan) niet in staat was zich volledig op zijn werk te concentreren. UWV heeft [geïntimeerde], stelt zij, in die periode gesteund, onder meer door hem in de gelegenheid te stellen op aangepaste werktijden, en minder, te werken. Door zijn problemen was [geïntimeerde] volgens UWV niet in de staat om zijn gewone werkzaamheden naar tevredenheid te verrichten. Het was voor hem al helemaal onmogelijk de extra werkzaamheden (de desbetreffende audits) naar volle tevredenheid te verrichten.

12. Het hof stelt vast dat in het verslag van het beoordelingsgesprek van 9 september 2004 tussen [geïntimeerde] en zijn leidinggevende onder meer is vermeld:

"Over het huidig functioneren hebben wij niet uitvoerig gesproken. Wel is door mij aangegeven dat ik nog steeds tevreden ben over de wijze waarop [geïntimeerde] zijn huidige werkzaamheden uitvoert. opgemerkt moet wel worden dat er t.o.v. het vorige gesprek een duidelijke verbetering heeft plaatsgevonden in de samenwerking binnen het team op de locatie Groningen."

In het beoordelingsformulier van het gesprek op 8 september 2005 krijgt [geïntimeerde] op de schaal onvoldoende/voldoende/uitstekend op alle criteria een voldoende voor zijn prestaties. De toelichting luidt als volgt:

Door privé omstandigheden (echtscheiding) is het een moeilijk jaar voor [geïntimeerde] geweest. Sinds enkele maanden kan er gesproken worden van een redelijk stabiele situatie. Met name de opvang voor zijn kinderen, waar [geïntimeerde] grotendeels verantwoordelijk voor is, heeft de nodige praktische problemen opgeleverd. Tot 1 oktober 2005 heeft [geïntimeerde] de gelegenheid gekregen om hiervoor de nodige voorzieningen te treffen. We hebben afgesproken dat [geïntimeerde] vanaf 1 oktober 2005 weer volledig zijn werkzaamheden zal uitvoeren. (...) Uiteraard heeft deze situatie invloed op het functioneren gehad, maar niet in die mate dat ik een andere zienswijze heb gekregen over de competenties en de inhoud van de werkzaamheden zoals ook verwoord in eerdere verslagen en functioneringsgesprekken. er is dus geen noodzaak om op deze punten aanvullende afspraken te maken."

13. Naar het oordeel van het hof bieden deze verslagen onvoldoende steun voor het betoog van UWV dat [geïntimeerde] in de bewuste periode niet voldeed aan de eis dat hij "naar volle tevredenheid" van zijn werkzaamheden audits uitvoerde. Uit de verslagen komt enerzijds naar voren dat [geïntimeerde] vanwege problemen in zijn privéleven beperkingen in zijn functioneren ondervond, maar anderzijds dat een en ander er niet toe leidde dat zijn leidinggevende de competenties en de inhoud van de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden anders beoordeelde dan voorheen. Nu [geïntimeerde] volgens UWV vóór 1 september 2004 wel in aanmerking kwam voor een gratificatie, en daarmee in de visie van UWV naar volle tevredenheid audits verrichtte, valt gezien de inhoud van het verslag van 8 september 2005 niet in te zien dat hij van 1 september 2004 tot 1 oktober 2005 deze werkzaamheden niet naar volle tevredenheid verrichtte. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerde] blijkens het beoordelingsformulier een "voldoende" en geen "uitstekend" scoorde. Bij gelegenheid van het pleidooi heeft de leidinggevende van [geïntimeerde] verklaard dat collega's van [geïntimeerde] die ook een "voldoende" gescoord hebben wel een gratificatie ontvangen hebben.

14. Uit hetgeen UWV naar voren heeft gebracht, volgt dat de beslissing om [geïntimeerde] geen gratificatie toe te kennen niet zozeer is ingegeven door het oordeel van de UWV over het functioneren van [geïntimeerde] op het specifieke terrein van de COPAHFIJT brede audits, maar veeleer gevoed is door het oordeel over het algemene functioneren van [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof miskent UWV daarmee dat de gratificatieregeling de toekenning van een gratificatie niet verbindt aan het algemene functioneren, maar aan de kennis en kunde van MIC'ers, als [geïntimeerde], ten aanzien van het daadwerkelijk verrichten van COPAHFIJT brede audits. Dat ligt ook wel voor de hand omdat, blijkens de gratificatieregeling, MIC'ers die structureel deze audits verricht hebben hoger ingeschaalde werkzaamheden verricht hebben zonder het daarbij behorende salaris (al) te ontvangen. De gratificatieregeling beoogt deze MIC-ers te compenseren voor de lagere inschaling. [geïntimeerde] beschikte ook in de periode van 1 september 2004 tot

1 oktober 2005, net als voordien en daarna, over de capaciteiten om COPAFIJTH brede audits naar volle tevredenheid van zijn leidinggevenden te kunnen verrichten. Het enkele feit dat hij die capaciteiten door privé omstandigheden, waarvan gesteld noch gebleken is dat deze aan hem te wijten zijn, niet ten volle heeft kunnen benutten rechtvaardigt niet de conclusie dat hij niet aan het "naar volle tevredenheid criterium" voldoet. In dit kader is van belang dat de advocaat van UWV bij gelegenheid van het pleidooi heeft gesteld dat indien [geïntimeerde] in de bewuste periode door ziekte beperkt inzetbaar was geweest hij wel een gratificatie zou hebben gekregen. Niet valt in te zien waarom een door ziekte veroorzaakte beperking van de inzetbaarheid niet en een door andere privé omstandigheden veroorzaakte beperking van de inzetbaarheid wèl in de weg staat aan toekenning van de gratificatie.

15. De slotsom is dat UWV naar het oordeel van het hof niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gratificatieregeling aldus toe te passen dat [geïntimeerde] over de periode 1 september 2004 tot 1 oktober 2005 geen gratificatie ontving. Door [geïntimeerde] geen gratificatie toe te kennen, heeft UWV gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. De subsidiaire vordering, die er toe strekt dat [geïntimeerde] over de genoemde periode alsnog een gratificatie ontvangt, is dan ook toewijsbaar.

16. De grieven falen.

17. De berekening door de kantonrechter van de ten onrechte niet ontvangen gratificatie is in hoger beroep niet bestreden, zodat het hof deze zal volgen.

18. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal UWV veroordeeld worden in de proceskosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de gemachtigde 3 punten, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 29 november 2007;

veroordeelt UWV in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op

€ 1.896,00 voor geliquideerd salaris van de advocaat en op € 251,00 aan verschotten.

Aldus gewezen door mrs. De Hek, voorzitter, Rowel-van der Linde en Jongbloed, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 6 oktober 2009 in bijzijn van de griffier.