Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9385

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
07-10-2009
Zaaknummer
24-000436-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ6691, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ6691
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte (hulpverlener) is voor uitbuiting van een cliënte wegens mensenhandel veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Begrip overige uitbuiting. Hulpverleningsrelatie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 273
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2010/12 met annotatie van T.M. Schalken
NJFS 2009, 269

Uitspraak

Parketnummer: 24-000436-09

Parketnummer eerste aanleg: 17-880348-08

Arrest van 6 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 10 februari 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1948] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh te Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. D.C. Poiesz, advocaat te Sneek.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken ter zake van de onder 1 en 4 ten laste gelegde misdrijven (te weten: mensenhandel en ontucht). Ter zake van de onder 2 en 3 ten laste gelegde misdrijven, namelijk het plegen van ontucht met een cliënt/patiënt (onder wie aangeefster), is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en is aan hem een ontzetting voor de duur van zeven jaren opgelegd, alsmede werd de vordering van de benadeelde partij toegewezen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 6 augustus 2009 en 22 september 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg d.d. 12 december 2008 en 27 januari 2009.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Nu door het openbaar ministerie geen mondelinge of schriftelijke bezwaren zijn opgegeven tegen de feiten 2, 3 en 4 van het hiervoor genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van deze feiten noodzakelijk maken, ziet het hof aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal het openbaar ministerie dan ook voor wat betreft de feiten 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 jaren. Het onder 1 ten laste gelegde feit rechtvaardigt op zichzelf een gevangenisstraf van 2 jaren. Daarnaast eist de advocaat-generaal een ontzetting uit het recht om als hulpverlener werkzaam te zijn voor de duur van 9 jaren. Dit betekent dat de advocaat-generaal ter zake van feit 1 een ontzetting van 2 jaren vordert.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis - voor zover aan hoger beroep onderworpen - vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover in hoger beroep van belang - zoals in de vordering nader omschrijving telastelegging (art. 314a Wetboek van Strafvordering) omschreven ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2005 en/of het jaar 2006 en/of het jaar 2007 en/of het jaar 2008 (tot en met 31 augustus 2008) te [plaats 1] en/of en/of te [plaats 2] en/of te [plaats 3]en/of te [plaats 4] en/of te [plaats 5] en/of/althans (elders) in Nederland,

A. (sub 1°)

een ander, genaamd [benadeelde], door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander(en) heeft, die [benadeelde] heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander en/of

B. (sub 4°)

een ander, te weten [benadeelde], door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen, die zeggenschap over die ander(en) heeft, heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten dan wel onder voornoemde omstandigheden enige handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [benadeelde] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten.

bestaande die

- dwang, dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die dreiging met geweld of andere feitelijkhe(i)d(en), afpersing, fraude, misleiding dan wel dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of de voordelen om de instemming van een persoon te krijgen die zeggenschap over die ander heeft en/of

- die uitbuiting en/of die arbeid en/of diensten en/of die overige omschreven handelingen en/of omstandigheden als omschreven onder A. (sub 1°) en/of B. (sub 4°),

hieruit dat verdachte in voornoemde periode meermalen, althans eenmaal,

- gebruik en/of misbruik heeft gemaakt van een psychisch overwicht welke verdachte (telkens), (mede) gelet op zijn hoedanigheid als behandelend case-manager en/of begeleider in dienst van de [instelling] dan wel als een officieel erkend en gerigistreerd gezondheidswerker/verpleegkundige (met een zogenoemde BIG (Beroepen in de individuele Gezondheidszorg) registratie, via verdachtes bedrijf/bureau "[naam]") en/of de psychische toestand van die [benadeelde], op die [benadeelde] had en/of

- die [benadeelde] heeft gehuisvest en/of opgenomen in zijn verdachtes woning (perceel [adres] te [plaats 1]) en/of een daartoe bestemde/gehuurde woning in [plaats 5] (perceel [adres] te [plaats 5]) ten behoeve van de onder A. genoemde uitbuiting en/of de onder B. genoemde te verrichten arbeid en/of diensten en/of

- die [benadeelde] op 26 januari een overeenkomst heeft doen of laten ondertekenen waarin onder meer is opgenomen: "Ik beloof dat ik voortaan precies zal doen wat [verdachte] van mij verlangt en ik zal blindelings zijn opdrachten uitvoeren." en/of "Ik zal [verdachte] altijd trouw blijven." en/of "Alleen als ik me hou aan deze afspraken mag ik sex hebben met [verdachte] en hem lekker vastpakken." (bijlage 13 van het Rapport Financieel Onderzoek) en/of

- gedurende de tijd voor behandeling/begeleiding van die [benadeelde], die [benadeelde] seksuele arbeid en/of diensten heeft doen en/of laten verrichten voor en/of met verdachte en/of een of meerdere ander(e) pers(o)n(en), immers heeft verdachte (zeer) regelmatig seksuele gemeenschap met die [benadeelde] gehad en/of seksuele handelingen met die [benadeelde] verricht en/of seksuele handelingen met een of meerdere ander(e) per(o)n(en) doen of laten verrichten en/of

- naaktfoto's en/of video-opnames heeft gemaakt en/of doen en/of laten maken van die [benadeelde] alleen en/of met verdachte en/of een of meerdere andere perso(o)n(en) en/of die [benadeelde] (opzettelijk misleidend) heeft medegedeeld dat die foto's en video-opnames werden gemaakt ten behoeve van en cursus "Omgaan met seksualiteit" en/of

- die [benadeelde] huishoudelijke arbeid en/of diensten, te weten onder meer wassen, strijken, schoonmaken, koken, boodschappen halen en/of tuinonderhoud, heeft doen en/of laten verrichten ten behoeve van verdachte en/of

- die [benadeelde] heeft gedwongen haar bankpas van de Rabobank (op naam van [benadeelde], rekeningnummer [rekeningnummer]) in te leveren, althans die voornoemde pas van die [benadeelde] heeft ingenomen en/of (vervolgens) die bankpas heeft gebruikt en/of over die bankpas heeft beschikt en/of

- die [benadeelde] een overeenkomst heeft doen of laten ondertekenen (gedateerd 10 januari 2008) waarin onder meer is opgenomen dat verdachte stopt met de begeleiding van die [benadeelde] en/of (vervolgens) in dat jaar 2008 (valselijk) een bedrag van 10.250 euro heeft gedeclareerd en ontvangen (, zulks terwijl er van begeleiding van die [benadeelde] geen, althans onvoldoende, sprake was,) en/of

- die [benadeelde] een leningsovereenkomst (doorlopend krediet) heeft doen of laten ondertekenen en aangaan bij de Nederlands Voorschotsbank (te Nieuwegein) (gedateerd op 11 april 2008) op naam van die [benadeelde] en verdachte, ten bedrage van 15.000 euro en/of

(vervolgens) een deel van de opbrengst uit die lening heeft aangewend voor het aflossen van een door verdachte afgesloten leningsovereenkomst (doorlopend krediet) bij de Nationale Volksband en/of

- gelet op het vorenstaande en/of anderszins die [benadeelde] heeft doen en/of laten meebetalen in de kosten voor het levensonderhoud van verdachte en/of

- een zodanig financiële situatie heeft gecreëerd dat het voor die [benadeelde], gelet haar psychische toestand en/of haar gebrekkige vermogen tot rekenen/cijferen, niet meer mogelijk of nagenoeg onmogelijk was die financiële situatie te overzien en/of daarin in te grijpen en/of

- gelet op het vorenstaande en/of anderszins die [benadeelde] financieel heeft uitgebuit en/of

- gelet op vorenstaande misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van die [benadeelde], immers had die [benadeelde] in voornoemde periode psychische problemen en/of

- gelet op het vorenstaande heeft bewerkstelligd dat die [benadeelde] van hem, verdachte, afhankelijk was,

in welke psychische overwichtsituatie en/of afhankelijkheidssituatie die [benadeelde] zich (telkens) niet kon en/of durfde verzetten en/of onttrekken tegen/aan die voornoemde (financiële en seksuele) uitbuiting en/of (opgedragen) (seksuele en/of huishoudelijk) arbeid en/of diensten.

De in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Bewijsoverweging

Uit de stukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen leidt het hof de volgende feitelijke gang van zaken af:

Verdachte heeft sinds 1997 een hulpverleningsrelatie met aangeefster, eerst via het GGZ en sinds 2007 in het kader van de Persoonsgebonden budget regeling. Vrij kort na aanvang van deze hulpverleningsrelatie beginnen zij ook een seksuele relatie. Vanuit de hulpverleningsrelatie is verdachte bekend met de problematiek van aangeefster. Zij heeft een moeilijke jeugd gehad, ze lijdt aan pleinvrees en aan hyperventilatie. Voorts heeft zij zoals blijkt uit een psychologisch rapport uit 2004 een beneden gemiddelde intelligentie, is er sprake van een wankel evenwicht en beschikt zij over een geringe draagkracht. In een advies van de GGZ aan het CIZ van oktober 2005 valt voorts te lezen dat aangeefster een laaggemiddeld begaafde vrouw is met een afhankelijke persoonlijkheid. Zij heeft begeleiding nodig om niet te vervallen in angst en depressie. Voorts kon aangeefster haar eigen financiële belangen niet behartigen en bestond de begeleiding van verdachte in de bestaande hulpverleningsrelatie uit het ondersteunen van enerzijds de persoonlijke problematiek en anderzijds uit het begeleiden op het financiële gebied. Aangeefster beschikte over een vermogen van ongeveer 50.000 euro waarvan zij met behulp van verdachte een huis had gekocht waaruit zij huurinkomsten verkreeg.

Toen verdachte in verband met zijn echtscheiding alleen ging wonen heeft aangeefster gevraagd of zij bij verdachte mocht wonen. Verdachte heeft hier mee ingestemd. In het kader van de hulpverleningsrelatie heeft hij een overeenkomst opgesteld met de volgende tekst:

Afspraken waar ik me aan moet houden met [verdachte]:

Ik beloof dat ik voortaan precies zal doen wat [verdachte] van mij verlangt en ik zal blindelings zijn opdrachten uitvoeren. Ik zal naar [verdachte] luisteren en niet impulsief handelen.

Ik bespreek voortaan alles met [verdachte] wat ik kan doen en als ik het niet begrijp zal ik vragen hoe ik verder kan gaan. Ik zal [verdachte] voor altijd trouw blijven.

Alleen als ik mij hou aan deze afspraken mag ik sex hebben met [verdachte] en hem lekker vastpakken.

Eerst zal ik op vrijdag en zaterdag bij [verdachte] aanwezig zijn.

Later dagbesteding op woensdag en donderdag met begeleiding van een ander en op vrijdag samen met [verdachte].

Als het moeilijk word of te moeilijk is, zal ik me uiten naar [verdachte] en dingen niet opkroppen.

Als ik het niet weet of niet begrijp vragen totdat het me duidelijk is, alles bespreken en vertellen. Dat ik het zelf in de hand heb en stabieler word en blijf.

Ik hou me aan de gemaakte afspraken met [verdachte] dat werkt het beste.

En de post eerst [verdachte] laten lezen voordat ik impulsief betaal, wachten totdat [verdachte] op bezoek is, en dan afhandelen.

De afspraken heb ik op papier gezet op vrijdag 26 januari en ga ik geheel vrijwillig aan.

Getekend door [benadeelde].

Deze overeenkomst is op verzoek van verdachte door aangeefster ondertekend.

Op 10 maart 2008 is aangeefster op de zolderkamer bij verdachte in huis komen wonen.

Omdat verdachte geen lening kon krijgen heeft hij aangeefster gevraagd of zij mee wilde tekenen voor een lening ten bedrag van 15.000 euro, waarmee een bestaande lening van hem werd afgelost en waarmee ook de verbouwing van de zolder werd bekostigd. Verdachte heeft op deze lening zelf de afbetalingen verricht. Daarnaast ontving verdachte van aangeefster bedragen uit haar persoonsgebonden budget in het kader van de hulpverleningsrelatie. Aangeefster betaalde voor de gemeenschappelijke huishouding. Verdachte heeft niet aangegeven in het onderzoek dat hij zelf ook aan die huishouding financieel bijdroeg. Aangeefster verrichtte huishoudelijke taken in het huis. Verdachte had in het kader van de hulpverleningsrelatie de bankpassen van de bankrekening van aangeefster onder zich. Zij kon niet zelfstandig over haar geld beschikken.

De bestaande seksuele relatie werd voortgezet in de periode dat aangeefster bij verdachte op zolder woonde. Voorts werden op initiatief van verdachte seksuele contacten op verschillende tijdstippen met een andere man en een vrouw door verdachte georganiseerd waarbij verdachte en aangeefster betrokken waren. Hiertoe had verdachte een advertentie geplaatst waar de man op had gereageerd. Het plaatsen van die advertenties vond naar eigen zeggen van verdachte plaats om daarmee inkomsten te genereren. Niet blijkt dat daar ook daadwerkelijk inkomsten uit zijn ontvangen. Van deze seksuele contacten zijn video- en foto opnames gemaakt waarvan verdachte volgens aangeefster heeft gezegd dat deze bedoeld waren ten behoeve van een door verdachte te organiseren cursus omgaan met seksualiteit in het kader van zijn bedrijf "[naam]".

De feiten die hiervoor in chronologische volgorde zijn opgenomen zijn voor een belangrijk deel weergegeven in de feitelijke omschrijving van de tenlastelegging. De tenlastelegging is gestoeld op artikel 273f van het wetboek van Strafrecht onder 1° en onder 4°. De advocaat-generaal heeft in een ter terechtzitting overgelegd requisitoir vanwege het principiële karakter van de zaak voor het openbaar ministerie gemotiveerd aangegeven waarom in tegenstelling tot de gegeven vrijspraak door de rechtbank hier een bewezenverklaring van het ten laste gelegde moet volgen. Het hof zal in verband hiermee onderzoeken hoe de tenlastelegging naar het oordeel van het hof moet worden verstaan en onderzoeken of een bewezenverklaring kan volgen.

Voor de beoordeling van de vraag of de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden een voldoende feitelijke uitwerking zijn van uitbuiting in de zin van artikel 273f onder 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dient het hof te beoordelen wat de wetgever heeft beoogd met voornoemde wetsbepaling

In lid 2 van artikel 273f Sr wordt het begrip uitbuiting als volgt omschreven:

'Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.'

Deze nieuwe strafbepaling inzake mensenhandel trad op 1 januari 2005 in werking. Artikel 273a Sr - op 1 september 2006 vernummerd tot 273f Sr - is tot stand gekomen ter uitvoering van een protocol bij een internationaal verdrag (het 'Palermo-protocol')1 en een EU-Kaderbesluit2. Daarnaast is het geschoeid op het oude artikel 250a Sr. Door de wetswijziging werd, naast de in artikel 250a Sr strafbaar gestelde mensenhandel in verband met sexuele uitbuiting, ook uitbuiting in andere arbeid of diensten en orgaanverwijdering met gebruikmaking van een dwangmiddel onder het bereik van de nieuwe strafbepaling gebracht. Bij de interpretatie van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr staat het belang van de bescherming van fundamentele mensenrechten voorop. De definitie in lid 2 van wat uitbuiting ten minste is, is naar het oordeel van het hof gebaseerd op artikel 3 (a) van het Palermo Protocol en op artikel 1, eerste lid onder c, van het EU-Kaderbesluit. Die bepalingen ontlenen weer begrippen aan artikel 4 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Dit artikel verplicht verdragsstaten effectieve bescherming te bieden tegen slavernij, dienstbaarheid en gedwongen of verplichte arbeid. Bovendien vermelden voornoemde internationale documenten dat de bescherming van mensenrechten centraal staat bij de aanpak van mensenhandel. Dit brengt mede dat er slechts dan sprake is van uitbuiting in de zin van dit artikel als zij een inbreuk meebrengen op fundamentele rechten als de menselijke waardigheid, de lichamelijke integriteit of de persoonlijke vrijheid. De gebruikte termen in de tenlastelegging - ontleend aan de wet - zullen naar het oordeel van het hof dan ook in die zin moeten worden uitgelegd.

Een bewezenverklaring van feit 1 onder A ten laste gelegde kan volgen indien verdachte aangeefster met het oogmerk van uitbuiting door gebruik van middelen heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen (te weten: gedragingen).

Middelen

Allereerst dient vastgesteld te worden of verdachte gebruik heeft gemaakt van middelen in de zin van artikel 273f Sr. Bij de vaststelling is het van belang dat zodra één van deze middelen bewezen verklaard wordt, de instemming van het slachtoffer met de uitbuitingsituatie niet relevant is.3

De middelen 'misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht' en 'misbruik van een kwetsbare positie' acht het hof bewezen. Het 'misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht' volgt uit de verhouding van de ervaren hulpverlener tot de - bijna 20 jaar jongere - kwetsbare hulpbehoevende vrouw. Daarnaast volgt 'misbruik van een kwetsbare positie' uit de voorgaande vastgestelde feiten. Vastgesteld is dat verdachte, naast een hulpverleningsrelatie, een langdurige seksuele relatie met aangeefster had. Verdachte was bekend met de problematiek van aangeefster. Naast deze psychische en sociale kwetsbaarheid bevond aangeefster zich ook op het gebied van haar financiën in een kwetsbare positie. Zij was niet in staat haar eigen financiële belangen te behartigen, terwijl deze belangen aanzienlijk waren. Aangeefster was niet alleen in een kwetsbare positie, maar verdachte had ook een overwicht op haar doordat hij sinds aangeefster bij hem woonde haar op alle gebieden onder controle had. Verdachte heeft misbruik gemaakt van dit overwicht en van de hiervoor beschreven kwetsbare positie door aangeefster en heeft derhalve de in de wet vermelde middelen gebruikt.

Gedragingen

Vanaf maart 2008 heeft verdachte aangeefster opgenomen of gehuisvest in zijn eigen woning in [plaats 1]. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door misbruik van aangeefsters kwetsbare positie en van zijn overwicht aangeefster opgenomen of gehuisvest. Aangeefster heeft weliswaar op eigen initiatief haar intrek genomen op de zolderkamer van verdachte, maar deze vrijwilligheid is vanwege de ingezette middelen niet relevant. De ongelijke verhouding tussen verdachte en aangeefster zorgden ervoor dat zij geen reëel alternatief zag, waardoor zij aldus bij verdachte bleef wonen. Aangeefster kon en mocht redelijkerwijs veronderstellen dat zij niet op eigen kracht uit de situatie weg kon komen. Het sociale netwerk van aangeefster was - mede door toedoen van verdachte - zeer beperkt, daarnaast had ze pleinvrees waardoor zij het huis niet alleen uit durfde, geen inzicht in haar financiële situatie en was zij voor wat betreft haar huisvesting volledig afhankelijk van verdachte.

Oogmerk van uitbuiting

Oogmerk veronderstelt tenminste een noodzakelijkheidsbewustzijn ten aanzien van het gevolg. De opneming van aangeefster in verdachtes woning is er naar het oordeel van het hof gericht op geweest haar keuzemogelijkheden dermate in te perken, dat zij geen andere mogelijkheid zag dan zich te onderwerpen. Illustratief hierbij is het contract d.d. 26 januari dat aangeefster heeft ondertekend. In dit contract belooft aangeefster op initiatief van verdachte dat zij precies zal doen wat verdachte van haar verlangd en blindelings zijn opdrachten zal uitvoeren. Voorts nam het aantal seksuele contacten toe, mocht aangeefster geen contact met vrienden of familie hebben en kreeg verdachte de controle over aangeefsters financiën - dit blijkt bijvoorbeeld uit de inname van haar bankpas. Doordat aangeefster bij verdachte is ingetrokken krijgt hij derhalve volledige controle over haar. Verdachte heeft aangeefster gebruikt ter bevrediging van zijn seksuele lusten, alsmede ter verbetering van zijn financiële situatie en voor de verrichting van werkzaamheden in en rond zijn huis, alsmede in zijn winkel. Dit alles impliceert naar het oordeel van het hof dat verdachte doelbewust heeft gehandeld. Uit deze feiten en omstandigheden kan dan ook het oogmerk worden afgeleid. Het hof is van oordeel dat de vastgestelde feiten en omstandigheden opleveren dat verdachte aangeefster heeft gehuisvest of opgenomen in zijn huis teneinde haar uit te buiten.

Volgend uit de aan het artikel ten grondslag liggende Palermo Protocol en het EU kaderbesluit kan niet ieder misbruik worden beschouwd als uitbuiting. Er moet sprake zijn van een exces, dat wil zeggen een ernstige inbreuk op fundamentele mensenrechten. Hiervan kan echter ook sprake zijn bij een cumulatie van minder ernstige inbreuken.

Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangeefster. Verdachte had gedurende de periode dat hij haar huisvestte de volledige controle over aangeefster. De combinatie en cumulatie van gebeurtenissen zoals die hiervoor in de beschrijving van de feitelijke gang van zaken is weergegeven brengt mede dat er sprake is van uitbuiting.

Het ten laste gelegde feit 1 onder A kan aldus wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van feit 1 onder B ten laste gelegde overweegt het hof het volgende.

Een bewezenverklaring van het onder B ten laste gelegde volgt indien verdachte aangeefster door gebruik van middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten.

Middelen

Ten aanzien van het bestanddeel 'middelen' volstaat het hof met verwijzing naar hetgeen is overwogen ten aanzien van feit 1 onder A.

Bewogen tot arbeid of diensten

Verdachte heeft aangeefster bewogen tot het verrichten van arbeid of diensten. Aangeefster verrichtte huishoudelijke werkzaamheden voor verdachte. Verdachte heeft ter zitting betoogd dat deze werkzaamheden werden verricht in het kader van de hulpverleningsrelatie. Het hof is van oordeel dat deze werkzaamheden, buiten de zolderkamer, niet passen bij een dergelijke hulpverlening. Aangeefster verrichtte immers niet alleen huishoudelijke werkzaamheden ten behoeve van haar eigen zolderkamer, maar zij moest tevens zorg dragen voor de huishoudelijke werkzaamheden in het (gehele) huis van verdachte, alsook in zijn winkel. Aangeefster deed dit - blijkens haar verklaring - omdat verdachte het van haar verlangde. Zij verrichtte de werkzaamheden onder aanwijzing van verdachte. Hier stond geen financiële vergoeding tegenover.

Verder had verdachte regelmatig seks met aangeefster, waaronder soms met derden. Verdachte was uit hoofde van zijn hulpverleningsrelatie bekend met het feit dat aangeefster vroeger slachtoffer was geweest van seksueel misbruik. Blijkens het dossier ervoer aangeefster deze contacten met verdachte - alsook met derden - als onprettig, zelfs als 'onder dwang'. Aangeefster walgde van de seks met voor haar onbekenden. Echter, zij wist niet hoe ze zich eraan moest ontrekken.

Het hof merkt op dat het de relatie tussen verdachte en [benadeelde] niet als een normale volwassen affectieve relatie beschouwt. De genoemde werkzaamheden kunnen dan ook niet in dat licht worden geplaatst. Immers, aangeefster woont op de zolderkamer en betaalt voor kost en inwoning. Uit de verklaring van verdachte blijkt ook dat hij [benadeelde] niet als zijn partner ziet. Hij beschouwt [naam]- zijn Thaise vriendin - als zijn vriendin en zij is degene met wie hij wil trouwen.

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof bewezen dat verdachte aangeefster door gebruik van middelen heeft bewogen arbeid of diensten te verrichten voor verdachte, te weten - kort gezegd - het verrichten van werkzaamheden in het huishouden van verdachte, alsook in zijn winkel en het verrichten van seksuele handelingen, zonder dat daar enige vergoeding tegenover stond.

Het ten laste gelegde feit 1 onder B kan aldus wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2008 te [plaats 1],

A. (sub 1°)

een ander, genaamd [benadeelde], door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander en

B. (sub 4°)

een ander, te weten [benadeelde], door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten.

bestaande

- dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of misbruik van een kwetsbare positie en

- die uitbuiting en/of die arbeid en/of diensten en/of die overige omschreven handelingen en/of omstandigheden als omschreven onder A. (sub 1°) en/of B. (sub 4°),

hieruit dat verdachte in voornoemde periode,

- gebruik en/of misbruik heeft gemaakt van een psychisch overwicht welk verdachte als een officieel erkend en geregistreerd gezondheidswerker/verpleegkundige (met een zogenoemde BIG (Beroepen in de individuele Gezondheidszorg) registratie, via verdachtes bedrijf/bureau "[naam]") en/of de psychische toestand van die [benadeelde], op die [benadeelde] had en

- die [benadeelde] heeft gehuisvest of opgenomen in zijn verdachtes woning (perceel [adres] te [plaats 1]) ten behoeve van de onder A. genoemde uitbuiting en de onder B. genoemde te verrichten arbeid en/of diensten en

- die [benadeelde] op 26 januari een overeenkomst heeft doen of laten ondertekenen waarin onder meer is opgenomen: "Ik beloof dat ik voortaan precies zal doen wat [verdachte] van mij verlangt en ik zal blindelings zijn opdrachten uitvoeren." En "Ik zal [verdachte] altijd trouw blijven." en "Alleen als ik me hou aan deze afspraken mag ik sex hebben met [verdachte] en hem lekker vastpakken." en/of

- gedurende de tijd voor behandeling/begeleiding van die [benadeelde], die [benadeelde] seksuele arbeid en/of diensten heeft doen en/of laten verrichten voor en/of met verdachte en/of andere personen, immers heeft verdachte (zeer) regelmatig seksuele gemeenschap met die [benadeelde] gehad en/of seksuele handelingen met die [benadeelde] verricht en/of seksuele handelingen met een of meerdere andere peronen doen of laten verrichten en

- video-opnames heeft gemaakt van die [benadeelde] alleen en/of met verdachte en andere perso(o)n(en) en die [benadeelde] heeft medegedeeld dat die foto's en video-opnames werden gemaakt ten behoeve van een cursus "Omgaan met seksualiteit" en

- die [benadeelde] huishoudelijke arbeid en/of diensten, te weten onder meer wassen, strijken, schoonmaken, koken, boodschappen halen en tuinonderhoud, heeft laten verrichten ten behoeve van verdachte en

- de bankpas van de Rabobank op naam van [benadeelde], rekeningnummer [rekeningnummer] van die [benadeelde] heeft ingenomen en

- die [benadeelde] een leningsovereenkomst (doorlopend krediet) heeft laten ondertekenen en aangaan bij de Nederlands Voorschotsbank (te Nieuwegein) (gedateerd op 11 april 2008) op naam van die [benadeelde] en verdachte, ten bedrage van 15.000 euro en

vervolgens een deel van de opbrengst uit die lening heeft aangewend voor het aflossen van een door verdachte afgesloten leningsovereenkomst (doorlopend krediet) bij de Nationale Volksbank en

- gelet op het vorenstaande en/of anderszins die [benadeelde] heeft laten meebetalen in de kosten voor het levensonderhoud van verdachte en

- een zodanig financiële situatie heeft gecreëerd dat het voor die [benadeelde], gelet haar psychische toestand en/of haar gebrekkige vermogen tot rekenen/cijferen, nagenoeg onmogelijk was die financiële situatie te overzien en daarin in te grijpen en

- gelet op het vorenstaande die [benadeelde] financieel heeft uitgebuit en

- gelet op vorenstaande misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van die [benadeelde], immers had die [benadeelde] in voornoemde periode psychische problemen en

- gelet op het vorenstaande heeft bewerkstelligd dat die [benadeelde] van hem, verdachte, afhankelijk was,

in welke psychische overwichtsituatie en afhankelijkheidssituatie die [benadeelde] zich niet kon verzetten tegen en onttrekken aan die voornoemde financiële en seksuele uitbuiting en opgedragen seksuele en huishoudelijke arbeid en/of diensten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mensenhandel.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Tussen verdachte en aangeefster bestaat sinds 1997 een hulpverleningsrelatie. Naast deze hulpverleningsrelatie is er ook sprake van een seksuele relatie. Op 10 maart 2008 neemt verdachte aangeefster op in zijn woning (op de zolderkamer) met de bedoeling om haar uit te buiten. Vanaf dit moment krijgt verdachte de volledige controle over aangeefster. Hij profiteert op huishoudelijk vlak, maar ook op seksueel en financieel vlak van haar. Verdachte heeft op ernstige wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie van aangeefster. Hij heeft hierbij enkel oog gehad voor zijn eigen (financiële en seksuele) belangen. Verdachte heeft door aldus te handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit, alsook de persoonlijke vrijheid van aangeefster.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 10 september 2009 blijkt dat aangeefster door toedoen van verdachte nog meer is aangewezen op de hulpverlening. Aangeefster verblijft in een opvangcentrum. Zij wordt al bijna een jaar behandeld voor PTSS en volgt een traject voor traumaverwerking.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 mei 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als passende bestraffing in aanmerking komt. Het hof houdt bij de strafoplegging op voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de veroordeling van verdachte in eerste aanleg ter zake van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het voor een deel hetzelfde feitencomplex betrof. Daarbij werd aan verdachte een gevangenisstraf van twee jaren opgelegd en werd verdachte voor de duur van zeven jaar ontzet van het recht om als hulpverlener werkzaam te zijn. Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf passend en geboden.

Voorts zal verdachte niet worden ontzet van het recht om als hulpverlener werkzaam te zijn, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Het verband tussen de op te leggen ontzetting en een arbeidsrelatie ontbreekt gelet op de door de rechtbank opgelegde ontzetting van 7 jaren en de leeftijd van verdachte.

Beslag

Voorzover de goederen betrekking hebben op de financiële administratie van [benadeelde], dienen deze goederen aan die [benadeelde], zijnde de eigenares, te worden teruggeven. Het betreft - conform de vordering van de advocaat-generaal - de goederen 1 tot en met 11 op lijst 1, 12 op lijs 3, 22 op lijst 4, 12A, 14A, 40A, 1H, 2H op lijst 5, 40A op lijst 6. Nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet, zal het hof de teruggave van deze goederen aan [benadeelde] gelasten.

Daarnaast zullen de gegevensdragers - voorzover deze beelden bevatten van seksuele gedragingen - worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit van deze goederen is in strijd met het algemeen belang.

Nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet, zal het hof de teruggave van de overige goederen aan verdachte gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht voorzover deze niet op een andere opgelegde straf in mindering is gebracht;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

de gegevensdragers - voorzover deze beelden bevatten van seksuele gedragingen;

gelast de teruggave aan aangeefster van:

de goederen 1 tot en met 11 op lijst 1, 12 op lijs 3, 22 op lijst 4, 12A, 14A, 40A, 1H, 2H op lijst 5, 40A op lijst 6;

gelast de teruggave aan verdachte van:

de in beslag genomen goederen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. G. Dam en

mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde

mr. J.A. Wiarda voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder van vrouwen en kinderen, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad.

2 Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie inzake bestrijding van mensenhandel van 19 juli 2002.

3 Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 19).