Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9309

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
06-10-2009
Zaaknummer
24-000123-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van het telen van 82 hennepplanten veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete. De in beslag genomen goederen worden - als gezamenlijkheid beschouwd - op de voet van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet aan het verkeer onttrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-000123-05 (strafzaak)

Parketnummer eerste aanleg: 18-050509-04

Arrest van 6 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 4 januari 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1957] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 8 november 2005, 9 januari 2006 en 22 september 2009, alsmede op het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 750,=, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 april tot en met 28 juli 2003 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [adres], een hoeveelheid van - in totaal - (ongeveer) 82, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks het tijdvak van 1 april tot en met 28 juli 2003 te [plaats], met elkaar, althans één van hen, opzettelijk hebben/heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad, in een pand aan de [adres], een hoeveelheid van - in totaal - (ongeveer) 82, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij (verdachte) toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of (een) middel(en) heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) voornoemd pand voor de teelt/het kweken van (die) hennepplanten ter beschikking te stellen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen, dat:

primair:

hij in het tijdvak van 1 april 2003 tot en met 28 juli 2003 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres], een hoeveelheid van 82 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 1 april 2003 tot en met 28 juli 2003 samen met een ander een hoeveelheid van 82 hennepplanten geteeld. Verdachte en zijn mededader hadden een deel van verdachtes woning (slaapkamer) ingericht als hennepplantage en hadden, op het moment dat die plantage door de politie werd ontdekt, reeds eenmaal geoogst. Die oogst is verkocht. Verdachte en zijn mededader zijn kennelijk tot het telen van hennep overgegaan vanwege het daarmee gepaard gaande geldelijk gewin.

Op grond van het vorenstaande en mede in aanmerking nemende de (thans geldende,) landelijk gehanteerde oriëntatiepunten straftoemeting (50-100 hennepplanten: oriëntatiepunt: €1.000,= geldboete) is het hof van oordeel, dat de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete in beginsel passend en geboden is.

Hier staat echter het volgende tegenover.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2009 blijkt weliswaar, dat verdachte meermalen in Nederland ter zake van het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, maar niet ter zake van het plegen van een drugsdelict. Wel blijkt uit dat uittreksel, zoals verdachte ter zitting van het hof d.d. 22 september 2009 heeft bevestigd, dat hij op 9 februari 2007 in Hongarije ter zake van het plegen van een drugsdelict tot een langdurige vrijheidsstraf is veroordeeld. Verdachte heeft ter zitting van het hof met betrekking tot die Hongaarse drugszaak verklaard, dat hij van 29 juni 2004 tot 29 november 2008 in Hongarije in detentie heeft doorgebracht, dat hij die detentie onder erbarmelijke omstandigheden heeft moeten doorbrengen en dat hij uit die detentie lering heeft getrokken, in die zin, dat hij zich nimmer meer zal inlaten met drugsgerelateerde zaken. Uit voormeld uittreksel blijkt voorts, dat de laatste veroordeling van verdachte in Nederland dateert van 13 april 2000 en dat hij na het plegen van het bewezen verklaarde feit niet wederom met de Nederlandse justitie in aanraking is gekomen.

Verdachte is enkele jaren geleden betrokken geweest bij een ernstig ongeval, waarbij hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen aan zijn linker hiel, linker arm en rug. Als gevolg van dat letsel is hij niet meer in staat de in het verleden verrichte werkzaamheden in de steigerbouw aan te vangen. Hij geniet een uitkering. Hij is op zoek naar werk, maar realiseert zich, dat hij, gezien zijn zwakke lichamelijke gesteldheid, moeilijk ander werk zal kunnen vinden.

Verdachte heeft schulden, waarop hij maandelijks een vast bedrag aflost.

Het hiervoor met betrekking tot de persoon van verdachte overwogene en diens geringe draagkracht, mede in aanmerking nemende de ouderdom van het bewezen verklaarde feit, geven het hof aanleiding af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke geldboete.

Al het vorenstaande leidt ertoe dat aan verdachte een geldboete van € 750,=, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren zal worden opgelegd.

Het hof beoogt met de voorwaardelijke strafoplegging onder meer te bereiken dat verdachte niet wederom een (soortgelijk) strafbaar feit zal plegen.

In beslag genomen goederen

Het hof zal de voorwerpen vermeld op de aan dit arrest gehechte kennisgeving van inbeslagneming - als gezamenlijkheid beschouwd - op de voet van artikel 13a van de Opiumwet aan het verkeer onttrokken verklaren, nu die voorwerpen - als gezamenlijkheid beschouwd - daarvoor vatbaar zijn.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van zevenhonderdvijftig euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

verklaart aan het verkeer onttrokken de voorwerpen vermeld op de aan dit arrest gehechte kennisgeving van inbeslagneming.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Van den Bergh, voorzitter, mr. Foppen en mr. Van Zant, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.