Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ9277

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
02-10-2009
Datum publicatie
05-10-2009
Zaaknummer
24-001619-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Achterdeurproblematiek. Verdachte, exploitant van twee coffeeshops, wordt ter zake van het medeplegen van aanwezig hebben van te grote hoeveelheden softdrugs in een bewaarplaats buiten de coffeeshop veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, waarvan 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Verweren ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 24-001619-08

Parketnummer eerste aanleg: 18-630026-08

Arrest van 2 oktober 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Groningen van 5 juni 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, waarvan 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 januari 2008 te [plaats], in ieder geval in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of nabij de [straat 1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 7.088 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en/of een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.061 gram hashish, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish), zijnde hennep en/of hashish (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 12 januari 2008, te [plaats], in ieder geval in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of nabij de [straat 2] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 15.390 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, te weten (ongeveer) 13.265 gram henneptoppen en/of (ongeveer) 1.458 gram wietmix en/of (ongeveer) 667 gram wiet, verwerkt in (ongeveer) 3337 joints, en/of een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.712 gram hashish, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish), zijnde hennep en/of hashish (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft op twee gronden bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van verdachte.

Allereerst heeft de raadsman - kort gezegd - betoogd dat beginselen van goede procesorde zijn geschonden omdat de politie misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden en de procesdeelnemers heeft misleid. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de politie ervan op de hoogte moest zijn geweest dat er grote voorraden sofdrugs in de panden aanwezig waren en dat de politie bij het binnentreden misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door een onderzoek in het kader van de Opiumwet te presenteren als een onderzoek in het kader van de Politiewet.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat het openbaar ministerie jarenlang op de hoogte is geweest van de te grote handelsvoorraad, maar daartegen niet heeft opgetreden.

Het hof overweegt omtrent de verweren als volgt.

Misbruik van de bevoegdheid

De stelling van de raadsman, inhoudende dat de politie ervan op de hoogte moest zijn geweest dat er grote voorraden sofdrugs in de panden aanwezig waren en dat de politie bij het binnentreden misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.

Schending van het vertrouwensbeginsel

In het kader van het Nederlandse coffeeshopbeleid wordt de verkoop van softdrugs in coffeeshops onder strikte voorwaarden gedoogd. De achtergrond daarvan is dat de overheid het bezit voor eigen gebruik van cannabis, vanwege de gezondheidsrisico's, wil ontmoedigen en wil voorkomen dat gebruikers bij de aanschaf van cannabis in aanraking komen met een criminele omgeving.

Bij de beoordeling van de vraag of tegen een coffeeshop - een bij de wet verboden situatie - strafrechtelijk opgetreden dient te worden, gelden de zogenaamde AHOJG criteria.

Indien aan die criteria wordt voldaan zal, blijkens de Aanwijzing, in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd, niet strafrechtelijk worden opgetreden.

Volgens de Aanwijzing kan in de driehoek de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops worden vastgesteld. Tegen een handelsvoorraad onder het maximum wordt in beginsel niet opgetreden. De voorraad zal in elk geval de 500 gram niet te boven gaan. Bij overtreding van een der criteria door een gedoogde coffeeshop blijft overigens het voorhanden hebben en verkopen van handelsvoorraden voor risico van de coffeeshop-exploitant en de coffeeshop-eigenaar, waarbij sprake zal zijn van door de Opiumwet gekwalificeerd bedrijfsmatig handelen.

Houdt een coffeeshopexploitant of -eigenaar zich niet aan de genoemde voorwaarden of criteria dan wordt niet langer gedoogd, maar kan (ook) strafrechtelijk worden opgetreden. In de panden aan de [straat 1]en de [straat 2] zijn hoeveelheden hennep en hashish gevonden die de in een coffeeshop gedoogde handelsvoorraad zeer ver overtroffen.

Het enkele feit dat ter zake de groter dan toegestane handelsvoorraad, welke volgens verdachte uit de aan de lokale autoriteiten verstrekte balans/resultaatrekening zou kunnen blijken, aanvankelijk ogenschijnlijk niet handhavend werd opgetreden, brengt niet mee dat er sprake was van het door de driehoek instemmen met het door verdachte en medeverdachte gehanteerde voorraadbeheer.

Niet is gebleken dat er door of vanwege de officier van justitie aan verdachte noch zijn medeverdachte mededelingen zijn gedaan waaraan de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat hij ter zake van het buiten de coffeeshop(s) hebben van een handelsvoorraad, laat staan een voorraad groter dan de in de coffeeshop gedoogde hoeveelheid, niet zou worden vervolgd.

Evenmin is gebleken van schending van andere beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 12 januari 2008 te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan de [straat 1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 7.088 gram hennep en een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 3.061 gram hashish, zijnde hennep en hashish middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 12 januari 2008, te [plaats], in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of nabij de [straat 2] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 15.390 gram hennep, te weten ongeveer 13.265 gram henneptoppen en ongeveer 1.458 gram wietmix en 667 gram wiet verwerkt in 3337 joints, en een hoeveelheid van ongeveer 3.712 gram hashish, zijnde hennep en hashish middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

onder 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

onder 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder gelet op het navolgende.

Verdachte is exploitant van twee coffeeshops in [plaats]. Om in de bevoorrading van die coffeeshops te voorzien heeft hij tezamen met de bedrijfsleider van een van die coffeeshops grote hoeveelheden hennep en hashish aanwezig gehad, verdeeld over twee locaties. De hoeveelheden die verdachte en medeverdachte aanwezig hadden lagen aanzienlijk hoger dan de hoeveelheid waarvan het bezit wordt gedoogd.

Dergelijk handelen werkt een vorm van oneerlijke concurrentie in de hand ten opzichte van hen die zich wél aan de regels houden. Bovendien trekt de aanwezigheid van een grote hoeveelheid softdrugs criminaliteit en overlast aan.

Ter terechtzitting van het hof is aannemelijk geworden dat verdachte, in samenspraak met de driehoek, op verantwoorde wijze probeert de coffeeshops te exploiteren. Voorts is aannemelijk geworden dat het niet de bedoeling van verdachte is geweest om aan de doelen die met de gestelde normen worden nagestreefd voorbij te gaan. Verdachte is echter onverminderd gehouden de toepasselijke wettelijke bepalingen na te leven, zolang niet door de wetgever in regelgeving of beleid meer ruimte wordt geboden.

Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juni 2009 is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

Gezien het bovenstaande ziet het hof aanleiding om een werkstraf van na te noemen duur op te leggen. Om verdachte in de toekomst van (soortgelijk) strafbaar handelen te weerhouden zal een deel van de werkstraf in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tweehonderdveertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderdtwintig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat een gedeelte van de werkstraf groot honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen vervangende hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W. Foppen, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. G.M. Meijer-Campfens, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde de griffier voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.