Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ8451

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
24-09-2009
Zaaknummer
107.002.294/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van geldlening. Tegenbewijs tegen onderhandse en notariële akte niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 22 september 2009

Zaaknummer 107.002.294/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant],

2. [appellante],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk in enkelvoud te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. P.R. van den Elst, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 1 juni 2005, 15 maart 2006, 14 maart 2007 en 25 juli 2007 door de rechtbank Assen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 23 oktober 2007 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 15 maart 2006, 14 maart 2007 en 25 juli 2007 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 18 december 2007.

De conclusie van de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging (aanvulling) van eis luidt:

"te vernietigen het vonnis d.d. 15 maart 2006, het vonnis d.d. 14 maart 2007 en het vonnis d.d. 25 juli 2007, door de Rechtbank Assen tussen partijen gewezen, aldaar bekend onder zaaknummer/rolnummer 50835/HA ZA 05-188, en opnieuw rechtdoende, zonodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden:

In conventie:

I. Primair

Te verklaren voor recht: dat de overeenkomst van geldlening, de notariële akte en de positieve/negatieve hypotheekverklaring vernietigd danwel nietig zijn;

Subsidiair:

de overeenkomst van geldlening, de notariële akte en de positieve/negatieve hypotheekverklaring alsnog te vernietigen;

II. Te verklaren voor recht: dat appellant het bedrag ad f 700.000,-- niet in leen verstrekt heeft gekregen;

III. Te verklaren voor recht: dat de zijdens [appellanten] aan [geïntimeerde] verrichte betalingen onverschuldigd zijn geschied;

IV. [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellanten] te voldoen hetgeen [appellanten] onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente over die respectievelijke bedragen, berekend vanaf de momenten der betaling van de respectievelijke bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

V. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellanten] van de (advocaat)kosten, welke [appellanten] heeft moeten maken in verband met de zijdens [geïntimeerde] gestarte executie, zijnde een bedrag ad € 4.554,88;

Subsidiair

VI. Te verklaren voor recht: dat [appellanten] een bedrag ad f 300.000,-- (€ 136.134,--) in leen heeft ontvangen van [geïntimeerde];

VII. [geïntimeerde] jegens [appellanten] uit hoofde van onverschuldigde betaling te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die [appellanten] boven de door hem aan [geïntimeerde] verschuldigde f 300.000,-- heeft voldaan, zulks vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen, te berekenen vanaf de momenten waarop die bedragen door [appellanten] aan [geïntimeerde] zijn betaald tot aan het moment der terugbetaling door [geïntimeerde].

Meer subsidiair

VIII. Te verklaren voor recht dat [appellanten] een bedrag ad f 400.000,-- (€ 181.512,--), in leen heeft ontvangen van [geïntimeerde];

IX. [geïntimeerde] jegens [appellanten] uit hoofde van onverschuldigde betaling te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die [appellanten] boven de door hem aan [geïntimeerde] verschuldigde f 400.000,-- heeft voldaan, zulks vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen, te berekenen vanaf de momenten waarop die bedragen door [appellanten] aan [geïntimeerde] zijn betaald tot aan het moment der terugbetaling door [geïntimeerde].

In reconventie:

[geïntimeerde] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze hem te ontzeggen.

Zowel in conventie als in reconventie:

[geïntimeerde] in de kosten van de appèlprocedure te veroordelen, alsmede in de kosten van de procedure eerste aanleg."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"om in hoger beroep de vorderingen van appellant af te wijzen, zulks onder bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Assen d.d. 25 juli 2007, zaaknummer 50835 / HA ZA 05-188, het vonnis met zaaknummer en dit alles met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure, zowel waar het gaat om de kosten in hoger beroep als waar het gaat om de kosten in eerste aanleg."

Voorts heeft [appellanten] een akte genomen en heeft [geïntimeerde] een antwoordakte genomen.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben elf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. [geïntimeerde] doet een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de tussenvonnissen d.d. 15 maart 2006 en 14 maart 2007. Volgens hem is in deze vonnissen al definitief geoordeeld over het bewijs van [appellanten] en het tegenbewijs van [geïntimeerde].

2. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Nu de genoemde vonnissen geen gedeeltelijke eindvonnissen zijn, in die zin dat daarin omtrent een deel van het ten gronde gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde aan de rechtsstrijd wordt gemaakt, was hoger beroep daarvan slechts mogelijk tegelijkertijd met het hoger beroep van het eindvonnis d.d. 25 juli 2007.

3. Het beroep op niet-ontvankelijkheid faalt derhalve.

4. Grief 1 is gericht tegen de vaststelling van de feiten. Deze grief houdt in dat de rechtbank in het bestreden vonnis d.d. 15 maart 2006 onder 1.5 ten onrechte heeft vastgesteld dat de opbrengst van de woning van [betrokkene 1] is verdeeld volgens een door [geïntimeerde], [appellanten] en [betrokkene 2] overeengekomen verdeelsleutel van 25 % voor [geïntimeerde], 65 % voor [appellanten] en 10 % voor [betrokkene 2]. In de toelichting op deze grief betoogt [appellanten] dat de gehele opbrengst van de woning naar [geïntimeerde] is gegaan, hetgeen ook logisch was, aangezien [geïntimeerde] een vordering ad fl. 1.000.000,- op [betrokkene 1] had. Dat er bij de verdeling van uit is gegaan dat [geïntimeerde] fl. 700.000,- van [appellanten] zou krijgen, is volgens [appellanten] onjuist, in die zin dat hierbij is voortgeborduurd op de overeenkomst van geldlening, de notariële akte en de postieve/negatieve hypotheekverklaring, welke stukken een onjuiste inhoud bevatten, aldus [appellanten].

5. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellanten], zal het hof er niet op voorhand als vaststaand van uitgaan dat de opbrengst van de woning van [betrokkene 1] is verdeeld volgens een door [geïntimeerde], [appellanten] en [betrokkene 2] overeengekomen verdeelsleutel van 25 % voor [geïntimeerde], 65 % voor [appellanten] en 10 % voor [betrokkene 2].

6. In zoverre slaagt grief 1.

7. De vaststelling dat partijen er bij de (voorgenomen) verdeling van uit zijn gegaan dat [geïntimeerde] fl. 700.000,- van [appellanten] zou krijgen, is naar het oordeel van het hof in zoverre juist dat de verdeelsleutel hierop kennelijk is gebaseerd.

8. In zoverre faalt grief 1.

9. Hieraan doet niet af dat partijen bij de vaststelling van de verdeelsleutel op dit punt (zie hiervoor onder 7) zijn uitgegaan van een onjuiste veronderstelling, zoals [appellanten] stelt. Die vraag vormt onderwerp van het geschil tussen partijen. Het hof verwijst hiervoor naar de behandeling van de overige grieven.

10. Nu overigens tussen partijen geen geschil bestaat omtrent de weergave van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 1 (1.1 t/m 1.6) van genoemd vonnis d.d. 14 maart 2006, zal in zoverre ook in hoger beroep van die feiten worden uitgegaan.

11. Het gaat in deze zaak om het volgende.

11.1. In de loop van 2000 hebben [appellanten], [geïntimeerde] en [betrokkene 2] bedragen van respectievelijk fl. 100.000,-, ruim fl. 1.000.000,- (waaronder fl. 300.000,- als inleg en fl. 400.000,- als "borgstelling" ten behoeve van het account [appellanten]) en ruim fl. 200.000,- overgemaakt naar [betrokkene 1]. [betrokkene 1] had hen in de waan gebracht dat hij deze gelden voor hen zeer voordelig kon beleggen bij ABG in Florida.

11.2. Op 23 mei 2000 heeft [betrokkene 1] namens ABG aan [geïntimeerde] geschreven:

"Hierbij verklaart ABG dat zij garant staat voor de inleg van fl. 300.000.00 voor de transactie die reeds loopt. Na beëindiging van deze transactie zal de inleg van fl. 300.000.00 en de daaruit voortvloeiende winst zo spoedig mogelijk worden uitgekeerd."

11.3. Bij schrijven van 14 juli 2000 ("sent bij administration" op 1 augustus 2000) heeft ABG [geïntimeerde] welkom geheten als lid en hem meegedeeld dat zijn account identification number 5623996439 is.

11.4. Op 15 september 2000 hebben [appellanten] en [geïntimeerde] de volgende schriftelijke stukken ondertekend:

- een overeenkomst van geldlening ter zake van een bedrag van fl. 700.000,-;

- een positieve/negatieve hypotheekverklaring.

11.5. Op 9 november 2000 heeft [appellanten] aangifte gedaan van oplichting door onder meer [betrokkene 1]. Op 15 november 2000 heeft [geïntimeerde] eveneens aangifte gedaan.

11.6. Op 15 november 2000 hebben [appellanten] c.s. bij notariële akte aan [geïntimeerde] een hypotheek op hun woning en hun bedrijfspand verstrekt tot zekerheid voor de nakoming van vorenbedoelde geldlening.

11.7. [appellanten], [geïntimeerde] en [betrokkene 2] hebben nadien gezamenlijk tegen [betrokkene 1] geprocedeerd in België ter zake van oplichting. [betrokkene 1] is door de rechtbank Tongeren veroordeeld tot terugbetaling van de in rechtsoverweging 13.1 genoemde bedragen minus hetgeen reeds was terugbetaald.

11.8. [appellanten], [geïntimeerde] en [betrokkene 2] zijn met betrekking tot de verdeling van de opbrengst van de executie van de woning van [betrokkene 1] de volgende verdeelsleutel overeengekomen: 25 % voor [geïntimeerde], 65 % voor [appellanten] en 10 % voor [betrokkene 2]. Deze verdeelsleutel was erop gebaseerd dat [geïntimeerde] fl. 700.000,- van [appellanten] te vorderen had uit hoofde van vorenbedoelde geldlening.

12. [appellanten] heeft in eerste aanleg in conventie - in essentie weergegeven - gevorderd (I) vernietiging van de overeenkomst van geldlening, de notariële akte en de positieve/negatieve hypotheekverklaring en (II) een verklaring voor recht dat [appellanten] het bedrag ad fl. 700.000,- niet in leen verstrekt heeft gekregen.

13. [geïntimeerde] heeft, voor zover thans van belang, in eerste aanleg in reconventie gevorderd:

I een verklaring voor recht dat de overeenkomst van geldlening is ontbonden en daardoor het restant van de hoofdsom ad € 235.736,- opeisbaar is geworden;

II veroordeling van [appellanten] tot betaling van een bedrag ad € 8.413,- ter zake van achterstallige rentetermijnen met betrekking tot de periode 2000 t/m 2004;

III (...)

IV veroordeling tot betaling van de rentetermijnen die [appellanten] verschuldigd is tot het moment van algehele voldoening van de hoofdsom na aftrek van aflossingen;

V (...)

VI (...).

14. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank [appellanten] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 8.100,- ter zake van achterstallige rentetermijnen over de periode 2000 tot en met april 2007, alsmede de rentetermijnen die hij verschuldigd is tot het moment van algehele voldoening van de hoofdsom na aftrek van aflossingen. De overige vorderingen van [geïntimeerde], waaronder genoemde verklaring voor recht, heeft de rechtbank afgewezen.

15. Bij memorie van grieven heeft grieven heeft [appellanten] zijn eis in dier voege gewijzigd dat hij (sub II) subsidiair een verklaring voor recht vraagt dat hij een bedrag van fl. 300.000,- van [geïntimeerde] heeft geleend en meer subsidiair een verklaring voor recht dat hij een bedrag van fl. 400.000,- van [geïntimeerde] heeft geleend.

16. Nu [geïntimeerde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze eiswijziging en het hof deze niet in strijd met de eisen van een goede procesorde acht, zal het hof recht doen op de gewijzigde eis.

17. Bij de beoordeling van de overige grieven stelt het hof het volgende voorop.

18. [appellanten] vordert primair onder II voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] het bedrag ad f. 700.000,- niet in leen aan hem heeft verstrekt. Deze vordering sluit aan bij zijn stellingen, die erop neer komen dat de geldlening als genoemd in de akte van geldlening non-existent is. Er zou geen sprake zijn geweest van een lening van [geïntimeerde] aan [appellanten].

19. Daarnaast vordert [appellanten] onder I eveneens primair te verklaren voor recht dat onder meer de overeenkomst van geldlening vernietigd dan wel nietig is, althans deze te vernietigen. Deze vordering, die naar het hof begrijpt is gefundeerd op de aanwezigheid van een of meer wilsgebreken, is evenwel strijdig met die onder II, omdat deze het bestaan van een overeenkomst vooronderstelt.

20. De rechtbank heeft deze strijdigheid onderkend in rechtsoverwegingen 4.3 en 4.8 van het vonnis van 15 maart 2006. Deze overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, komen erop neer dat gelet op de stellingen van [appellanten] onderzocht moet worden of [appellanten] de gelden werkelijk van [geïntimeerde] heeft geleend en dat als dit niet het geval blijkt te zijn, hij niets aan [geïntimeerde] is verschuldigd en de vorderingen II, III en IV toewijsbaar zijn, waarbij dan voor nietigverklaring of vernietiging op grond van een wilsgebrek geen aanleiding bestaat.

21. Hoewel [appellanten] in hoger beroep (met name sub 28 van de memorie van grieven) toch weer spreekt over vernietiging en wilsgebreken, leest het hof in zijn stellingen geen duidelijke en voldoende kenbare grief tegen de hiervoor genoemde rechtsoverwegingen en de uitleg die de rechtbank daar aan zijn stellingen heeft gegeven. Derhalve zal het hof de rechtbank daarin volgen.

22. De grieven 2, 3 en 4 houden in essentie in dat de rechtbank in haar tussenvonnis d.d. 15 maart 2006 ten onrechte heeft overwogen dat hetgeen [appellanten] heeft aangedragen onvoldoende is om de akte van geldlening te ontkrachten, en ten onrechte aan [appellanten] heeft opgedragen om tegenbewijs tegen de akte te leveren. In de toelichting op deze grieven betoogt [appellanten] dat de rechtbank de bewijslast had dienen om te keren, in dier voege dat [geïntimeerde] had dienen te bewijzen dat hij fl. 700.000,- aan [appellanten] had geleend.

Subsidiair betoogt [appellanten] dat de rechtbank had dienen te overwegen dat [appellanten] de akte in zoverre ontkracht heeft dat de akte "slechts" kan inhouden dat [appellanten] fl. 300.000,- van [geïntimeerde] heeft geleend.

Meer subsidiair betoogt [appellanten] dat de rechtbank had moeten overwegen dat hij een bedrag van fl. 400.000,- van [geïntimeerde] geleend heeft.

23. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge art. 157 lid 2 Rv levert de akte van geldlening d.d. 15 september 2000 tussen partijen dwingend bewijs op van het bestaan van de geldlening ad fl. 700.000,-. Hetzelfde geldt voor de notariële akte van 15 november 2000, voor zover [appellanten] daarin verklaart een bedrag van fl. 700.000,- aan [geïntimeerde] schuldig te zijn uit hoofde van de in vorenbedoelde akte neergelegde geldlening. Dit betekent dat deze geldlening vaststaat, behoudens door [appellanten] te leveren tegenbewijs. Voor een omkering van de bewijslast is, anders dan [appellanten] veronderstelt, geen plaats.

24. Voorts is het hof met de rechtbank van oordeel dat de door [appellanten] aangevoerde feiten en omstandigheden (memorie van grieven sub 37 t/m 52) niet toereikend zijn om vorenbedoeld tegenbewijs reeds geleverd te achten. De rechtbank heeft [appellanten] dan ook terecht opgedragen (nader) tegenbewijs tegen de akte van geldlening te leveren.

25. De grieven 2 t/m 4 falen derhalve.

26. De grieven 5, 6 en 7 zijn gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank in het vonnis van 14 maart 2007.

27. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] niet is geslaagd in het door hem te leveren tegenbewijs en neemt de motivering van dit oordeel in de rechtsoverwegingen 3.1 t/m 3.5 van het vonnis d.d. 14 maart 2007 over.

Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

28. Dat [betrokkene 2] een neutrale getuige zou zijn, zoals [appellanten] aanvoert, doet niet af aan het feit dat deze getuige niet uit eigen wetenschap verklaart. Bovendien staat tegenover de getuigenverklaring van [betrokkene 2] de getuigenverklaring van [betrokkene 1], die uit eigen waarneming de versie van [geïntimeerde] onderschrijft. Hetgeen [appellanten] aanvoert, is naar het oordeel van het hof ontoereikend om de getuigenverklaring van [betrokkene 1] ongeloofwaardig te achten.

De bedragen die door [geïntimeerde], [appellanten] en [betrokkene 2] in de Belgische procedure tegen [betrokkene 1] zijn gevorderd en toegewezen, zijn niet doorslaggevend, gelet op de tussen hen overeengekomen verdeelsleutel (zie hiervoor onder 11.8). Ook aan de bedragen die worden genoemd in de door mr. Lettens opgestelde ontwerp-overeenkomst tussen [betrokkene 1] enerzijds en [geïntimeerde], [appellanten] en [betrokkene 2] kent het hof weinig gewicht toe.

De omstandigheid dat [betrokkene 2] voor eigen rekening en risico in het account [appellanten] heeft deelgenomen, betekent nog niet dat hetzelfde geldt voor [geïntimeerde]. De brief van 23 mei 2000 van ABG ([betrokkene 1]) aan [geïntimeerde] heeft in dit verband weinig betekenis, aangezien deze brief geen uitsluitsel geeft over de vraag aan wie de inleg van fl. 300.000,- en de daaruit voortvloeiende winst zal worden uitgekeerd.

Voor de verklaring van [betrokkene 2] dat hij van [appellanten] heeft gehoord dat deze met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat zij 10 % van het geld dat ze hadden ingelegd en hun deel van de winst aan [geïntimeerde] moesten betalen als beloning voor de 'borgstelling', welke afspraak uitdrukkelijk door [geïntimeerde] wordt betwist, vindt het hof onvoldoende ondersteuning in de stellingen van [appellanten], terwijl dat wel in de rede zou hebben gelegen.

29. Dat [betrokkene 3] in diens getuigenverklaring spreekt over een geleend bedrag van 1 à 3 ton acht het hof ontoereikend om de juistheid van het subsidiaire dan wel meer subsidiaire standpunt van [appellanten] aannemelijk te achten. [betrokkene 3] verklaart immers ook dat hij niet goed weet om welk bedrag het ging, maar wel dat het om veel geld ging. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit de getuigenverklaring van [betrokkene 3] juist meer geloofwaardig maakt. Mede gelet hierop, heeft [appellanten] naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om deze getuigenverklaring vanwege de voorheen bestaande familiebanden met [geïntimeerde] ongeloofwaardig te achten.

Ook hetgeen [appellanten] met betrekking tot de getuigenverklaring van notaris Grievink aanvoert, vermag het hof niet tot het oordeel te brengen dat deze getuigenverklaring ongeloofwaardig is.

30. De grieven 5, 6 en 7 falen derhalve.

31. Nu (ook voor het overige) niets is gesteld of gebleken dat in dit verband zou noodzaken tot het maken van onderscheid tussen de inleg en de 'borgstelling', brengt het vorenoverwogene mee dat ook de subsidiaire en meer subsidiaire vordering van [appellanten] niet toewijsbaar zijn.

32. De grieven 8 t/m 10 zijn gericht tegen het eindvonnis van 25 juli 2007, voor zover de rechtbank daarin de (reconventionele) vorderingen van [geïntimeerde] heeft toegewezen.

33. Grief 8 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat bij de berekening van hetgeen [appellanten] aan [geïntimeerde] verschuldigd is, ervan uitgegaan dient te worden dat de van [betrokkene 1] ontvangen bedragen voor een percentage van 65 conform de verdeelsleutel moeten gelden als aflossing van de schuld van [appellanten]. Volgens [appellanten] is de verdeelsleutel in casu niet relevant en staat zij bovendien haaks op eerder zijdens [geïntimeerde] gemaakte berekeningen. Hij betoogt in dit verband dat alleen [geïntimeerde] bedragen van [betrokkene 1] heeft ontvangen.

34. Daargelaten dat niet goed valt in te zien welk belang [appellanten] bij deze grief heeft, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de van [betrokkene 1] ontvangen bedragen voor een percentage van 65 conform de verdeelsleutel in mindering strekken op de schuld van [appellanten]. Dat, zoals [appellanten] stelt, alleen [geïntimeerde] bedragen van [betrokkene 1] heeft ontvangen, doet daarbij niet ter zake, nu [appellanten] niet dan wel onvoldoende onderbouwd heeft betwist dat [geïntimeerde] in zijn laatst gemaakte berekening (akte d.d. 25 april 2007) 65 % van de door hem van [betrokkene 1] ontvangen bedragen heeft aangemerkt als aflossing van de schuld van [appellanten].

35. Grief 9 houdt, mede blijkens de toelichting in, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake was van een betalingsachterstand ad € 8.100,- ter zake van verschuldigde rente. [appellanten] betoogt dat, nu geen aflossingen behoefden te worden verricht, de door hem verrichte betalingen ruimschoots de rentebetalingsverplichtingen overschrijden.

36. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

36.1. Voorop moet worden gesteld dat [geïntimeerde] geen incidenteel appel heeft ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van zijn reconventionele vordering, voor zover inhoudende de ontbinding van de geldlening en de betaling van de hoofdsom minus aflossingen, waartoe de rechtbank had overwogen dat geen aflossingstermijnen waren afgesproken en de door [geïntimeerde] ontvangen betalingen overeenkomstig art. 6:44 BW eerst op de rente afgeboekt hadden moeten worden. [appellanten] voert thans aan dat - ook volgens het overzicht van [geïntimeerde] zelf - de totale betalingen van [appellanten] meer bedragen dan het totaal van de rentebetalingsverplichtingen.

36.2. [geïntimeerde] is in zijn reactie op deze grief aan het door [appellanten] gestelde voorbij gegaan door 'slechts' te betogen dat zijn overzicht correct is en dat van [appellanten] niet. Daarmee heeft hij de stelling van [appellanten] dat ook volgens het overzicht van [geïntimeerde] de betalingen de totale renteverplichtingen overtreffen onweersproken gelaten, zodat het hof dit als vaststaand heeft aan te nemen. Het hof passeert het bewijsaanbod van [geïntimeerde] inzake de verschuldigdheid van de rente als niet ter zake dienend.

37. Grief 9 slaagt derhalve. De grieven 10 en 11 treffen in zoverre eveneens doel. Nu de door [geïntimeerde] in eerste aanleg in reconventie ingestelde vorderingen grotendeels worden afgewezen, zal het hof hem veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie.

38. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellanten] als niet ter zake dienend.

De slotsom

39. De vonnissen d.d. 15 maart 2006, 14 maart 2007 en 25 juli 2007 waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd, behoudens voor zover [appellanten] in het eindvonnis d.d. 25 juli 2007 in reconventie is veroordeeld tot betaling van € 8.100,- ter zake van achterstallige rente en voor zover de kosten van het geding in reconventie zijn gecompenseerd. In zoverre opnieuw rechtdoende, zal het hof de vordering tot betaling van € 8.100,- afwijzen en [geïntimeerde] als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie (de helft van 2 1/2 punt = 1 1/4 punt in tarief VI). [appellanten] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (1 1/2 punt in tarief VI).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen d.d. 15 maart 2006, 14 maart 2007 en 25 juli 2007 waarvan beroep, behoudens voor zover [appellanten] in het eindvonnis d.d. 25 juli 2007 in reconventie is veroordeeld tot betaling van € 8.100,- ter zake van achterstallige rente en voor zover de kosten van het geding in reconventie zijn gecompenseerd;

vernietigt het eindvonnis d.d. 25 juli 2007 in zoverre;

en slechts in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering tot betaling van € 8.100,- ten titel van achterstallige rente af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie en begroot die aan de zijde van [appellanten] tot aan deze uitspraak op nihil aan verschotten en € 2.500,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 515,-- aan verschotten en € 4.894,50 aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. Janse, voorzitter, Zandbergen en Tjallema, raden, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 22 september 2009 in bijzijn van de griffier.