Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ8417

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
23-09-2009
Zaaknummer
200.027.277/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 3:301 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 22 september 2009

Zaaknummer 200.027.277/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellante],

toevoeging,

advocaat: mr. P. van der Sluis, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.L. Bron, kantoorhoudende te Groningen.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 9 juni 2009 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Partijen hebben ieder een akte genomen.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel

1. Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich er bij akte over uit te laten of het ingestelde hoger beroep is ingeschreven op de wijze als bedoeld in artikel 3:301 lid 2 BW.

2. Partijen hebben aangegeven dat een inschrijving als vorenbedoeld niet heeft plaatsgevonden.

3. [appellante] heeft daarbij nog aangevoerd dat zij, anders dan het hof in het tussenarrest heeft overwogen, van mening is dat de onderhavige uitspraak niet onder de werking van artikel 3:301 BW valt.

3.1. Het hof ziet in het door [appellante] gestelde geen aanleiding om te concluderen dat vorenbedoelde door het hof gegeven beslissing op onjuiste gronden is gegeven. Het hof zal die beslissing dan ook handhaven.

Het hof overweegt daartoe dat - anders dan [appellante] stelt - de omstandigheid dat de voorzieningenrechter heeft afgewezen het deel van de vordering van [geïntimeerde] dat er toe strekt om de in het dictum van het bestreden vonnis genoemde (ontwerp)akte aan het vonnis te hechten, niet leidt tot een ander oordeel, omdat in dat dictum in voldoende mate is gespecificeerd met betrekking tot welke (ontwerp)akte het vonnis, voor wat betreft de ondertekening door [appellante], in de plaats zal treden van die akte.

Nu het door [appellante] ingestelde hoger beroep zich richt tegen het deel van het vonnis van de voorzieningenrechter waarin de uitspraak als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 BW is gegeven en zij dat hoger beroep niet heeft doen inschrijven in het in artikel 433 Rv bedoelde register, kan [appellante] niet worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep.

4. [geïntimeerde] wenst, gelet op haar grief in het incidenteel appel, dat het hof het bestreden vonnis zal aanvullen in die zin dat de in het dictum bedoelde ontwerpakte aan het bestreden vonnis wordt gehecht, omdat notaris [naam notaris] in eerste instantie aan [geïntimeerde] heeft aangegeven dat dit formeel gezien noodzakelijk is om over te gaan tot het passeren van de akte.

4.1. De grief is naar het oordeel van het hof - anders dan [appellante] stelt - niet gericht tegen het in het dictum van het bestreden vonnis gegeven deel van de beslissingen dat de in artikel 3:301 lid 1 BW bedoelde uitspraak bevat, maar tegen de beslissing van de voorzieningenrechter waarin deze, door het meer of anders gevorderde af te wijzen, het deel van de vordering van [geïntimeerde] dat strekt tot aanhechting van de (ontwerp)akte heeft afgewezen.

Het hof is daarom, anders dan [appellante], van oordeel dat [geïntimeerde] in het door haar ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen, ook al heeft zij dat niet doen aantekenen in het register bedoeld in artikel 433 Rv.

5. Het hof is - zoals hiervoor ook overwogen -van oordeel dat in het dictum van het bestreden vonnis voldoende duidelijk staat omschreven welke (ontwerp)akte wordt bedoeld. Gelet daarop is het door [geïntimeerde] aan notaris Hulshof toegeschreven standpunt niet houdbaar en heeft [geïntimeerde] geen belang bij toewijzing van haar vordering.

6. De grief in het incidenteel appel faalt.

De slotsom

7. Het hof zal in het principaal appel [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

Het hof zal in het incidenteel appel het bestreden vonnis bekrachtigen.

8. Het hof zal [appellante], als de in het principaal appel in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep in principaal appel. (tarief II, 1,5 punten)

Het hof zal [geïntimeerde] als de in het incidenteel appel in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep in incidenteel appel. (tarief II, 1/2 van een punt)

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal appel

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

In het incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] op nihil aan verschotten en € 447,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Verschuur en Breemhaar, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 22 september 2009 in bijzijn van de griffier.