Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ8181

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2009
Datum publicatie
22-09-2009
Zaaknummer
24-002554-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van poging tot moord, mishandeling en overtredingen van de Opiumwet veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002554-08

Parketnummer eerste aanleg: 19-830171-08

Arrest van 22 september 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van

14 oktober 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, heeft maatregelen opgelegd en heeft beslist op de vordering van een benadeelde partij en omtrent de in beslag genomen goederen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 1 april 2009 en

8 september 2009, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede dat het hof de in beslag genomen opium, XTC-pillen en het hennepafval zal onttrekken aan het verkeer en de teruggave zal gelasten van de in beslag genomen keukenmessen en telefoon.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 25 juni 2008 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde] een kopstoot heeft gegeven en/of deze met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in een schouder/arm heeft gestoken en/of gesneden en/of (vervolgens) die [benadeelde] met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de (onder)buik(streek), althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden en/of deze heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 juni 2008 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door deze met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg een kopstoot te geven en/of deze met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in een schouder/arm te steken en/of te snijden en/of (vervolgens) met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de (onder)buik(streek), althans in het lichaam, te steken en/of te snijden en/of deze te schoppen;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 juni 2008 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde] een kopstoot heeft gegeven en/of deze met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in een schouder/arm heeft gestoken en/of gesneden en/of (vervolgens) die [benadeelde] met een mes, althans een (scherp en/of puntig) voorwerp, in de (onder)buik(streek), althans in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden en/of deze heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 18 juni 2008 te [plaats 2] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (meermalen) (tegen het hoofd) heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 30 juni 2008 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende opium en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde opium en/of MDMA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008, te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep (ongeveer 150, althans een aantal, hennepplanten), zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord dient te worden vrijgesproken. Er is - aldus de raadsman - geen sprake geweest van kalm beraad en rustig overleg, zodat de voorbedachte raad ten aanzien van de poging tot levensberoving niet kan worden bewezen. De raadsman heeft aangegeven hierbij uit te gaan van de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer [benadeelde] op het terras van pizzeria C'est la vie in een kort tijdsbestek tweemaal met een mes heeft gestoken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Op 25 juni 2008 zoekt verdachte samen met zijn zoon [naam] het - latere - slachtoffer [benadeelde] op in pizzeria C'est la vie gevestigd te [vestigingsplaats]. Reden van het bezoek is dat verdachte met [benadeelde] wil spreken. De drie mannen nemen plaats op het terras van de betreffende eetgelegenheid. Het daaropvolgende gesprek ontaardt in een heftige ruzie. Tijdens die ruzie wordt [benadeelde] op enig moment met een mes in zijn schouder gestoken. [benadeelde] slaat vervolgens uit angst voor verdachte en zijn zoon op de vlucht. Hij rent naar de overkant van de straat in de richting van de Rabobank. Verdachte en zijn zoon rennen op korte afstand achter [benadeelde] aan. Verdachte heeft bij de achtervolging een mes in zijn hand. Op de parkeerplaats van de Rabobank komt [benadeelde] ten val. [benadeelde] op de grond ligt, maakt verdachte met een mes stekende bewegingen in de richting van [benadeelde]. [benadeelde] verweert zich tegen de steken en probeert ze te ontwijken. Ondanks het verzet van [benadeelde] slaagt verdachte er toch in [benadeelde] met volle kracht met zijn mes in de onderbuikstreek te steken. Hierna rennen verdachte en zijn zoon weg en vertrekken in een auto. Het slachtoffer loopt bloedend terug naar de pizzeria, om vervolgens door de eigenaar hiervan naar het ziekenhuis te worden gebracht voor behandeling aan de verwondingen die hij tijdens de hiervoor beschreven incidenten heeft opgelopen.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad is voldoende dat komt vast te staan dat verdachte de tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof leidt uit de hierboven weergegeven feitelijke gang van zaken af dat verdachte de tijd heeft gehad om zich te beraden voordat hij met zijn mes het slachtoffer in de buikstreek stak. Op het terras van de pizzeria ontstond een ruzie. Door (de gevolgen van) die ruzie is het slachtoffer gevlucht. Verdachte heeft - bewapend met een mes - de achtervolging ingezet, terwijl hij op dat moment ook had kunnen stoppen en weggaan. De bewezen verklaarde steek in de onderbuikstreek heeft verdachte niet op het terras toegebracht, maar na een achtervolging én nadat het slachtoffer was gestruikeld en zich had verweerd. In die periode heeft verdachte de tijd en de gelegenheid gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op het voorgaande acht het hof dat wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd opzettelijk en met voorbedachte raad [benadeelde] van het leven te beroven, door met een mes in zijn buikstreek te steken. Het hof verwerpt het gevoerde verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 juni 2008 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [benadeelde] met een mes in de (onder)buikstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 18 juni 2008 te [plaats 2] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het hoofd heeft gestompt, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 30 juni 2008 te [plaats 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende opium en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde opium en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008, te [plaats 2], tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep (ongeveer 150 hennepplanten), zijnde hennep telkens een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

onder 1 primair: poging moord;

onder 2: mishandeling;

onder 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

onder 4: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich op 25 juni 2008 schuldig gemaakt aan - kort gezegd - poging tot moord op [benadeelde]. Verdachte heeft met zijn zoon het slachtoffer [benadeelde] in een pizzeria, waarvan hij wist dat [benadeelde] zich hier geregeld bevond, opgezocht om met hem te praten. Dit gesprek mondde uit in een ruzie tussen verdachte en zijn zoon enerzijds en [benadeelde] anderzijds. [benadeelde] - nadat hij met een mes in zijn schouder werd gestoken - uit angst voor de mannen vluchtte, is verdachte hem bewapend met een mes achterna gerend. Vervolgens heeft verdachte, toen [benadeelde] struikelde en viel, meermalen - zoals een getuige het omschrijft - op hem 'ingehakt'. Verdachte heeft [benadeelde] uiteindelijk één keer in de buikstreek geraakt.

Verdachte heeft door zijn handelen pijn en letsel bij het slachtoffer [benadeelde] veroorzaakt en diens lichamelijke integriteit zeer ernstig aangetast. Daarbij verdient opmerking dat het niet aan het handelen van verdachte te danken is geweest dat de (lichamelijke) gevolgen voor [benadeelde] niet veel ernstiger zijn geweest.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke delicten hiervan (langdurig) psychische nadelige gevolgen kunnen ondervinden. De gevolgen voor [benadeelde] zijn tot uitdrukking gebracht in zijn schriftelijke slachtofferverklaringen d.d. 23 september 2008 en 17 maart 2009. Uit die verklaringen blijken de lichamelijke en psychische gevolgen die het eerste bewezen verklaarde feit voor hem heeft gehad en nog steeds heeft. [benadeelde] is bijvoorbeeld nog steeds onder medische behandeling voor klachten naar aanleiding van de steek in de buik en denkt nog vaak aan het incident.

Verdachte heeft het bewezen verklaarde feit op de openbare weg gepleegd, onder de ogen van een aantal getuigen. Onder die getuigen bevond zich een twaalfjarig meisje. Dergelijke zeer ernstige strafbare feiten plegen grote indruk te maken op getuigen. Daarnaast veroorzaken die feiten vaak onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

Een week hiervoor heeft verdachte zijn (ex-) echtgenote mishandeld, door haar met de vuisten tegen haar hoofd te stompen. Verdachte heeft door aldus te handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn (ex-) echtgenote. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. De strafwaardigheid hiervan is gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van dergelijke stoffen voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit.

Ter zitting van het hof heeft verdachte er nauwelijks blijk van gegeven enig besef te hebben van hetgeen hij met name het slachtoffer [benadeelde] heeft aangedaan.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 mei 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld. Het hof heeft tevens kennis genomen van het omtrent verdachte opgemaakte verslag naar aanleiding van een voorgeleidingsconsult van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie Arnhem d.d. 14 augustus 2008 en het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland

d.d. 16 september 2008.

Hetgeen hiervoor is overwogen kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur dient te worden opgelegd.

Het hof ziet die bijzondere ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit onvoldoende terug in de door de rechtbank opgelegde straf, welke straf tevens door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof volgt de rechtbank en de advocaat-generaal dan ook niet en zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen.

Onttrekking aan het verkeer

De door het hof aan het verkeer te onttrekken voorwerpen zijn daarvoor vatbaar. Immers met betrekking tot die voorwerpen zijn de hiervoor onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten begaan en zij zijn van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd wegens immateriële schade als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte. Deze schade wordt door de benadeelde partij gewaardeerd op € 3.000, -.

De vordering is van de zijde van verdachte onvoldoende weersproken. Nu de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, kan deze worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10, 11 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 57, 289 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van zes jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan verdachte van:

- zeven keukenmessen;

- één gsm merk Samsung;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

- hennepafval (35 gram);

- twee stuks opium (8 gram en 30 gram);

- 3.124 stuks pillen (XTC);

- zes stuks pillen (XTC);

- hennepafval (391 gram);

- hennepafval (401 gram);

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van drieduizend euro;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van drieduizend euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van veertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.